EERSTE BEDRIJF

Het terras van More’s paviljoen te Chelsea.

More, Grynæus, Margreet, Dance, Mercy, later William en vrouw Else.

GRYNÆUS Heer Thomas, nauw terug van overzee

drijft mij een drang dit liefgeworden huis

dat ik zoo vaak droombetrad, na een dag

van lang verlangen, weder te betreden

wakend, en mij in werk’lijkheid te laven

aan uw oneind’ge heuschheid, aan dit leven

van scherts-doorweven ernst, geluk’ge arbeid

waar droombegooch’ling mij hongrig naar liet.

MORE Gij zijt mij welkom als weleer, Grynæus,

en gelijk mij ben ’k zeker al de mijnen.

Vindt g’ ons in andren staat weer naar de wereld

dan g’ ons verliet,—pronk en praal zijn gevloden,

maar blijheid zingt naar d’ ouden trant door ’t huis.

(tot Margreet) Niet waar, mijn lust?

MARGREET Het is een heerlijk leven

dat wij nu leiden: ik voor mij begeer

geen ander, ook het oude niet terug.

GRYNÆUS Margreet, hoezeer gelijk hebt ge!—Ge weet

ik ging, om in Italië mij te laven

aan de eedle bron, die daar rijk’lijk welt:

de kennis der latijnsche en grieksche spraken,

waaruit het schoon en diepzinnig gelaat

ons tegenlacht van de wijsheid der ouden.

Aan menig hof wijlde ik waar een grootmoedig vorst

wedijv’rend met de vorsten zijn geburen

een schaar van uitgelezen geesten hield

verzaâmd; hun roem verhoogde zijnen luister

meer dan het stoutst wapenfeit. O hoe klein

maakte mij hun diepwort’lende geleerdheid:

ik kroop weg onder haar machtigen boom!

Ja en ook vrouwen vond ik, stralender

van vernuft dan de kostbare gesteenten

die heerlijk flonkerde’ om hun zwanenhals.

Veel leerde ik van hen, veel heb ik genoten:

parelend schenkt daarginds, uit gulle tuiten

het leven gulpen van genot.... ik wijlde

gaarn’ in ’t gezegend land!

Maar nergens vond ik, gelijk onder u,

den stroom vernuft beglansd door ’t milde schijnsel

van teederheid van hart, en nergens vond

ik den boom weten als bij u geworteld

in diepen levensernst. En vraagt ge mij

wat m’ ontbrak in het schitterend Italië:

ik vond geen mensch, bij wien ’k gansch mensch kon wezen;

een man gelijk uw vader vond ik niet.

DANCE Die is ook niet te vinde’ op ’t wereldrond.

MORE (Schertsend tot zijn dochters)

Ei hoor, wat hoofsche wendingen zijn tong

in ’t zuidland leerde, om een oud man te loven.

GRYNÆUS Heer Thomas, niet uitheemsche hoofsche zede,

mijn hart leerde aan mijn tong uw lof. Vergun

nu allereerst dat ik u overbreng

minnigen groet van veel vereerde mannen

uit de landen die ik bezocht.

Niet vele hunner hoorden ooit uw stem

als ik haar hoor, en zage’ uw aangezicht

als ik het zie zich tot hen overbuigen,

maar alle kennen u en hebbe’ u lief.

Een broeder rekenen de oud’ren u,

de jongeren een wijzer vriend;

en om met die u ’t waardst is te beginnen:

Erasmus zendt u teed’ren broedergroet.

MORE Hoe vaart mijn lieve vriend?

GRYNÆUS Gelijk hij plag;

wel hebben ziekte en ouderdom hem bij

de hand gevat, en onbarmhartig sleuren

zij hem tusschen zich in omlaag naar ’t graf:

zijn uitgebloeide lijf ontkomt hun niet.

Maar over den geest hebben zij geen macht!

die stuurt de felle straal van wetenschap

en ’t kleurig vonkensproeisel van vernuft

uit als weleer, lustig en onverzwakt.

O een feest is het te zien hoe zijn spot

slingert den brand in die damme’, opgehoopt

door d’ eeuwen: domheid, onverstand, vooroordeel,

bijgeloof, en ze opgaan doet in asch.

MORE Jammer maar dat uit die asch tot nieuw leven

de domheid weer herrijst....

Ja bleef alles wat Erasmus versloeg

met geestespijle’, ook dood, ja dan... Ge vondt hem

in Freiburg? Hij mijdt Bazel nog?

GRYNÆUS Helaas....

o vergun dat ik gelijk vroeger spreke

tot u vrij-uit, heer Thomas.... ik kan niet

’t verschelen tusschen ons wegdekken met

glad mozaïek van levenlooze woorden....

Ge weet hoe ik hem hooghield, hoe vereerde....

ons geslacht vond, opgroeiend, voor zich uit

het spoor van zijne glanzende gevechten

tegen ’t bederf der kerk, en volgde het.

En waar ’t ophield, gingen wij verder, met

Luther, met Melanchton, met Zwingli, verder

tot de klare onherroepelijke daad.

Zij is zijn werk, zijn werk is de hervorming;

hij leerde ons niets schuwen, niets ontzien.

O zeg niet neen; gij kunt het niet bestrijden:

wij ketters zijn de zonen van zijn geest.

Waarom verloochent hij ons dan? Waarom

vlood hij uit Bazel; verbrak, een oud man,

en ziek’lijk, langgewende levensplooi;

verliet verknochte vrienden, de stad waar

een elk vol liefde en eerbied aan hem hing,

elk kind hem groette met vertrouwelijk ontzag?

Ziet: gij hebt u tege’over ons gesteld

en stut de oude kerk met uw vermaardheid;

het doet ons leed, ’t verdriet ons: ’t grieft ons niet.

Maar grievend is zijn dubbelzinnigheid,

zijn angstig poge’ een evenwicht te vinden

tusschen twee machten die elkaar bespringen

als vuur en water.... Reeds gaat tusschen ons

als een gangbare munt dit bitter oordeel:

Erasmus denkt gelijk met de hervormden

maar durft niet doen gelijk hij denkt.... Vergeef

zoo ik u krenkte.... ’k had dit best verzwegen...

gij kent mijn heete gallisch bloed....

MORE Niet krenkte,

bedroefde wel. Het smart mij diep, mijn zoon,

u weer te vinden nog verstrikt in ’t net

van ketterij.... Maar eigen wil vermag

niet meer ons te brenge’ aan den voet der waarheid

dan de magneet het schip stuurt door zijn kracht.

God zette u vrij. Ik wil door ’t welkom zoet

van samenzijn te lang ontbeerd, niet mengen

de gal, die twistgesprek altoos ontdruipt.

Maar van Erasmus moet ik een woord spreken,

dat ge uw onrecht ziet. Niet vrees houdt hem

van de hervormden ver, maar zijn geweten.

Hij wil één kerk, vernieuwd aan hoofd en leden,

geen breuk, geen scheuring in de christenheid.

Hij heeft geleefd om haar dreige’ af te wenden;

gestreden, om de kerk te zuiv’ren. Dat

hij faalde is niet zijn schuld, maar schuld zou ’t wezen

zoo hij zijn welgewogen wil verliet

en zich meesleepen liet om te verzamen

met hen wier doen hij niet goedkeuren kan.

Hem rest niet anders in zijn oude dagen

dan partij te maken voor zich alleen.

Denk welk een moed het vergt om dit te doen,

tot mikpunt, dag aan dag, te dienen voor de

pijlen, gedoopt in ’t gif van hoon en laster

die spijtigheid afschiet op u! Veel lichter

ware ’t, te neigen naar één zij, te geven

gewonnen zich, aan wie zoo zoetjes vleien

„kom bij ons”, te schuilen in de bescherming

van bondgenootschap—maar het mag niet zijn.

Zoo leeft hij dan vereenzaamd, fel bestookt

van beide zijden, vogelvrij, maar ook

vrij van inwendig wrijten, ’t deel van wien

samengaat met zoodaan’gen, wier weg hij

niet gansch kan loven.—Ziet hem nu uw denken

in milder licht?

GRYNÆUS In mij strijden ’t oude met

het nieuw gezicht en maken mij verward.

Maar ook uw rede knoopt vast om mijn denken

een band dien ik zelf niet losmaken kan.

Gij looft Erasmus, dat hij tusschen beide

partijen staan blijft.... en gij koost partij....

MORE Wij zijn gevormd uit and’re stof.... en leven

drong ons op andre banen. Niet aan elk

stelt het de groote vraag op d’ eigen wijze,

niet voor elk blinkt in zijner lijnen wirwar

dezelfde als die der plicht. Had Erasmus

gestaan voor mijne keus, ik meen hij had ge-

kozen als ik.... maar dit zijn ijdle woorden....

Wist hij toen ge hem ’t laatst bezocht, dat ik

des konings dienst verlaten had? Sprak hij

met u daarover?

GRYNÆUS Toen ik hem verliet

had nog de tijding Freiburg niet bereikt;

wel het gerucht dat ge in de zaak van ’s konings

huw’lijk den vorst weerstreefdet. Toen Erasmus

dat vernam, pelde zijn scherpzinnigheid

dra het gevolg uit den bolster der oorzaak:

hij voorzag uw besluit.

MORE En keurde ’t goed?

GRYNÆUS Hij sprak er van, behoedzaam,

afwegende het voor en tegen, zóó

dat ik nauw merken kon, naar welke zij de

schaal van zijn oordeel overwoog. Hij loofde uw

onbuigzaam wezen met zinrijke en

hartgrond’ge woorden, makend mij den prijzer

haast even lief als den gepreez’ne. Maar

dan weer sprak hij van de noodzaak’lijkheid

voor wie in ’s levens raderwerk wil wezen

een wiel, om het beweeg van zijnen wil

zóó te reeg’len dat geen geduchter rad’ren

hem brijz’len, botsend tegen hem. Hij roemde

uw taak: de plecht der koninklijke macht

richten naar wat’ren van vrede; de scherpe

haken der heerschzucht met de wol omwinden

van matiging.... en zoo, veel kwaad voorkomen

dat anders vast geschiedde. „Laat,” sprak hij,

„More in de zaak van ’s konings huw’lijk niet

te vast zich klampen aan zijn meening.... Moge

zij juist zijn, hij moet tot het uiterste

niet gaan; hij is verplicht te denken aan de

gevolgen van zijn daad: valt hij, zoo worden

wij humanisten alle ontkrachtigd, onze

invloed krijgt in alle landen een knak.

Men moet ook wete’ iets toe te geven: laat hij

ditmaal doen ’s konings wil.... een andermaal

kan hij met te meer klem de teugels korten

en vindt volgzamen zin.”....

MORE Onnoozel kind....

En dat zegt mijn scherpzinnige Erasmus!

Hij weet niet dat wie achter koningsluimen

aandraaft, te land komt in den diepen kuil

der machteloosheid, en daar liggen blijft:

’k herken in den raad zijn plooibaar gemoed

dat tot het laatst beproeft vreê te bewaren,

te verzoenen wat onverzoenlijk is.

Hij meester in den woordenstrijd, schuwt strijd

die uitgaat boven het gewar van woorden

tot naakte klippen van de daad.—Mijn vriend,

ge draagt zijn meening met veel warmte voor:

ge deelt haar wel?

GRYNÆUS ’t Past mij niet, uit te spreken

wat ik zou voelen als een oordeel over

een, dien ik boven alle menschen eer.

Maar ik erken, dit weegt voor mij wel zwaar:

—heeft zeker ook u zwaar gewogen, Morus—

wij humanisten reek’nen ’t onze taak

om het heil dat nu opborrelt uit klare

en lang-gestremde wellen, te doen stroomen

over de wijde levensvelden, zoo

die voorbereidend eens een oogst te dragen

van menschlijk-milde, broederlijke zeden

nietwaar? Maar wij kunnen die welle’ alleen

heenleiden waar ze ’t menschezijn bevruchten,

door de rotssteen der vorstelijke macht.

Door dat graniet moeten wij een weg banen

onzen droom naar het land der daad. Daarom

is het veel waard, meen ik, eens konings vriend

en zijn raadsman te wezen; het te blijven

ook offers waard.... het moeten gronden zijn

stijgend uit de diepten van het geweten

die ons loslaten doen, als onze harten

eenmaal vastgrepe’ eens konings hart....

MORE Geef mij

uw hand, Grynæus: ’k denk als gij. Uit diepten

van het geweten kwam de stem die ik

volgde, toen ik mij van den koning wendde.

Hij zette zijn voet op donkere paden;

ik kon hem niet weerhouden: hem verzellen

wilde ik niet.—

En zoo vindt g’ons terug, aan wereldsch goed

verarmd, van menigeen verlaten die

onzen voorspoed omzwerfde als de vlinder

kleurige kelk tot hem de bui verjaagt;

en vindt ons vergenoegd en vredig levend

voor elkaar, de zoetste gaven des levens

genietend met een onbekommerd hart.

Zoo dienaren ontbreken, onze handen

bezorgen fluks het werk en geen lakeien

reppe’ als onze voeten zich vóór ’t bevel.

Kauwend roemen wij ’t zwarte brood, dat maakt

de tanden blink-wit en geurig den adem—

nietwaar kinderen? Ik voor mij betreur

niets van het oude zorgbezwaarde leven,

en de lang ontbeerde lucht der vrijheid

adem ik in verrukt.

MARGREET Wij voele’ ons één in liefde en alle dingen

zijn tusschen ons gemeen: ik bid tot God

niet anders, dan dat hij het late blijven

gelijk het is.

MERCY Neen, niet betreur ik weelde

of pronk, maar dat men menig arme nu

wegsturen moet, die gewend was te vinden

zijn nooddruft hier....

DANCE En menig trouw dienaar

wiens goed’ge kop sinds onze prille jaren

ons toelachte op de trappen van het huis,

verdwenen is.... de arme nar!

MORE Hij vond

een goeden meester, kind.

DIENAAR (treedt binnen) Heer Thomas, de

bisschoppen van Winchester, Bath en Kent

verzoeke’ een onderhoud. Zij hebben, zeggen

ze, u hun bezoek gemeld.

MORE Zeg dat ik kom.

(tot de vrouwen) Houdt vast den lieven gast, dat ’k hem weervinde;

(tot Grynæus) ik moet nog veel vernemen. (Af.)

MERCY (verschrikt) Wat beteekent

dit hoog bezoek?

DANCE Bisschoppe’ en groote heeren

sleten den drempel van ons huis niet af

in ’t laatste jaar.... hunne voetstappen wekken

in onze harten vrees....

GRYNÆUS Wat scheelt u Dance?

Vrees waarvoor? Wat verschrikt u? een oud vriend

moet alles weten....

MARGREET Ge zult alles hooren,

Simon, maar zeg mij eerst: hoe dunkt u vader?

Vindt ge hem anders, dan hij placht te zijn?

GRYNÆUS Hij is nog milder, maar iets minder blij.

’t Is of zijn oude speelschheid breekt door waas

van weemoed heen, als zon door fijne nevel....

’k zag om zijn mondhoeken een trek gegroefd

die daar niet was, toen ’k hem, nu voor twee jaren

verliet in de beslom’ring van het ambt....

Maar zijn voorhoofd is even klaar.... nooit zag ik

zulk een milden glans over een gelaat

als heldert soms over uws vaders aan-

gezicht, Margreet.... ’t zweemt naar de gulden klaarte

die d’oude heilgen in Italie dragen

op ’t blank gemaald gelaat.... maar toch weer anders:

niet hemelsch, van boven-af neergezegen;

—neen aardsch, van binnen-uit....

MARGREET (nadenkend) Het is het hart

dat uit zijn wezen straalt, Grynæus; ’t wijd-

open meegevoel voor het lot der menschen

geeft hem die milde glans. Maar wat mij maakt

bezorgd, ’t zijn d’ enk’le nieuwe groeven niet

door kommers hand onbarmhartig gesneden

langs ’t liefst gelaat.... Er is iets anders, er

is een verand’ring, zoo fijn, in zijn wezen,

dat woorden haar niet vatten kunnen, toch

zoo klaar, dat ik niet twijfel.... In de dagen

dat hij het kanseliersschap neerlei, kwam

ze over hem.... eerst een gespannen droefheid

die zijn trekken verhardde.... en toen.... dit.

Het groeide door zijn ernst.... meest door zijn glimlach,

zooals door ’t klare goud van najaarsdagen

langzaam de ijlheid van den winter groeit.

Och, d’ oude schalksche glimlach, als bedauwd

van levenslust, speelt om zijn lip niet meer;

een andre nam zijn plaats, onstof’lijker....

het is of hij de poort des levens achter

zich sloot, en ons toelacht van gene zijde,

niet meer bewogen als een sterveling....

Ik ben zoo bang, Grynæus....

GRYNÆUS Maar waarvoor

Margreet? uw vader trad uit ’s konings dienst....

hij is toch veilig?

DANCE Och vriend, laat ons de

zwaarte een weinig uitstorten, die ons drukt....

Wij kunnen het zoo schaars.... Wij willen vader

niet kwellen met onze bezorgdheid, binden

ons voor hem een blijmoedig masker voor....

dat is hem ’t liefst.... Moeder is krank: het treuren

over het oude verstoort haar gemoed;

zij wrokt dat vader liet tusschen zijn vingers

rijkdom en aanzien glippen, of het waren

kralen van glas.... zijn hooge zin blijft haar

gesloten.... u heugt hoe zij placht te wezen

niet waar?

GRYNÆUS Ja, ge zijt niet haar kind’ren.... vaak

heb ik gepeinsd, hoe uw eigene moeder

geweest moet zijn.... Maar verhaal mij nu waarvoor

ge zijt bevreesd.

DANCE Vader is in gevaar.

De nieuwe koningin vergeeft hem niet

dat hij haar huw’lijk dwarsboomde en den koning

afried van haar.... Zij is trotsch en wraakzuchtig:

Hendrik volgt haar wil, als het schip het roer.

GRYNÆUS Maar hoe dwarsboomde uw vader haar huwelijk?

’k meende dat hij terugtrad uit het ambt

om t’ ontgaan een openlijk zich verklaren

tegen zijn vorst en toch zichzelf te blijven

getrouw.

MARGREET Zoo is ’t ook, Simon, maar de koning

hoopte met hulp van mannen van gezag

’t nietig verklaren van zijn eerste huw’lijk

t’ omgeven met een valsche glimp van godlijk

en menschlijk recht. En bove’ alle andre namen,

was vaders naam hem waard, om ’t dubb’le stralen

van zijn groot wete’ en zijn onkreukbaarheid.

O vriend, wat laffe kruipers zijn de meeste

menschen, zijn al die hooggeleerde raadsliên

waartoe mijn jeugd zoo schuchter opzag.—Hebt ge ’t

niet gehoord: negen universiteiten

van Eng’land, Frankrijk, Italië verklaarden

de scheiding geldig naar kerkelijk recht....

De vreemden gaven ’t laf getuigenis

voor goud—de pen waarmee mijn landsliên schreven

was gedoopt in de witte verf der vrees.

O ’k heb een harde les

geleerd: ik leerde menschen te verachten

die ’k had vereerd.... Zij, die achtbaren, wijzen,

wier taak het was, met kennis’ vlammend zwaard

den driesten aanrander van heil’ge wetten

terug te drijven, braken ’t zwaard aan stukken

toen hij ’t beval....

GRYNÆUS Ja, de meeste geleerden

deugen voor mart’laar niet, dat ’s vast. Maar uw

vader, Margreet?

MARGREET De koning gaf hem last

de goudgekochte en afgeperste adviezen

voor te lezen aan ’t parlement, om zoo

de meening te doen sijp’len in de harten

als druppels gift „Morus is voor den koning”

en de kiemen van ’t verzet te ontkrachten

dat opkwam hier en daar.

Dat waren donk’re dagen, vriend! ’k zag vader

nooit, gelijk toen, met zich zelven in strijd.

De wolk tusschen zijn brauwen trok niet op;

zijn strakke, naar binnen gekeerde blik

scheen geen onzer te zien. ’t Huis was verduisterd.

Maar op een morgen kwam hij thuis met d’ oude

teedere schalkschheid trillend om zijn mond,

streelde ons en kuste ons, en vertelde ons schertsend

„gij zijt niet meer de kind’ren van mijnheer den

rijkskanselier, maar die van mijnheer More.”

Dien eigen avond riep hij ons bijeen

hier op ’t terras, en met eenvoud’ge woorden

sprak hij ons toe, vroeg onze steun en hulp,

vermaande ons zacht tot moed en eendracht, beurde

ons hart zóó op, toonde ons ’t stroef gelaat

van armoe, nu nabij, zoo schoon-eerwaardig,

dat wij in liefde ontbrandden tot haar.

Wij weenden zoete tranen. Sinds dat uur

hebben onze vijf gezinnen geleefd

als één gezin, en niemand onzer heeft meer

iets zijn eigen genoemd....

GRYNÆUS Ik moet veel hooren

van deze zachte zede die u bindt,

maar laat mij eerst al uw zorgen meedragen:

wat wil de koning meer, dan dat uw vader

niet openlijk tegen hem staat?

DANCE De koning

zou zich hiermee misschien tevreden geven,

maar Anna nooit.... Zij gunt dit vredig leven

aan vader niet,

zij wil hem vernederen en vernielen....

ik zie haar haat loere’ uit de schaduw-nissen

van het paleis, omspinnen onze woning

met boos beraad.... In net van donk’re logens

wordt vader ingesponnen; schandelijke

verzinsels trekt men samen om zijn hoofd.

Hem, die ieder geschenk met zachten drang

weder toeschoof den schenker, dat geen spatsel

zou ’t kleed zijner onkreukbaarheid bevlekken,

beschuldigt men....

GRYNÆUS Van omgekocht te wezen?

Hem, Thomas More? Geen mensch die het gelooft.

Is dat uw zorg, Margreet?

MARGREET O was het dat alleenig!

Laster in alle soorten draagt men aan!—

Wie is als hij verdraagzaam? Leerde hij ons

dit denken niet: ’t recht geloof is genade,

geen verdienste, geen vrucht van eigen wil;

ketters moet men beklagen, men moet trachten

ze te genezen van hun slecht geloof

door voorbeeld en betoog; ze te vervolgen

is ijdel—en behaagt niet God. Nu heet het

dat vader ketters aan den lijve strafte om

der wille van ’t geloof

en met geweld de gewetens wou dwingen.

GRYNÆUS Daarvan kan ik getuigen, die, schoon volg’ling

van Melanchton, vond in zijn huis het thuis

dat mij weeromtrok uit zonnig Italie

naar uw zonloos nevelbedekte land.

Zijn lamp was ’t die mij ’t altijd welkom straalde,

als ik, vermoeid van ’t ingespannen turen

op de handschriften waar de tijd aan vrat,

voelde in den schemer het heimwee besluipen

naar het zachte land Touraine mijn hart.

Zijn voorspraak ontsloot m’ als een tooverspreuk

kostbare boekerijen waar de schatten

te fonk’len lagen van den griekschen geest.

Hij effende mij de moeilijke wegen

in den vreemde, maakte er te leven zacht

door de gulheid van zijn vriendschap, den omgang

met zijn gezin, ’t liefste dat ik ooit vond....

Dat was zijn onverdraagzaamheid!

MERCY O, dit

smaakt bitter in den mond: hij, minlijkste

van alle menschen,

die niemand ongetroost kon laten gaan,

elks verdrukking voelde in zijn eigen vleesch,

die de weeze’ opnam in zijn huis’lijkheid

en in zijn hart—gelijk ik heb ervaren,—

de verongelijkten hielp aan hun recht

of ’t ook verdroot machtigen naar de wereld,

—als onze William weet—hij wordt beschuldigd

van onmenschlijkheid....

DANCE Als men bedenkt

hoevele hij oprichtte uit ellende,

ze weldoend met een zoo verheugd gezicht

als was hij het, die helpend werd geholpen,

dan voelt men verbaasd, dat zij alle niet

rijzen, en een ring om hem vormend, roepen

„raakt hem niet aan, raakt onzen More niet aan.”

MARGREET Zij durven niet, vrees maakt hen laf.

DANCE Ach Simon,

wij hebben u nog niet verhaald het ergste,

wat wij van d’ aanvang te verhalen hunk’ren

maar konden ’t niet: ’t is of de lippen weig’ren

vrij te laten dat wat de ziel het meest

vult met angstig gevoel en donk’re beelden.

Ons ontrusten maar niet losse en wilde

geruchten: neen een feit staat als een muur

dreigend voor onze hulp’looze gedachten;

ze willen vluchten, maar ze kunnen niet....

Vader.... wordt beschuldigd.... van hoogverraad.

GRYNÆUS Dat kan niet waar zijn.

MERCY Het is waar, Grynæus.

Hebt ge niet van het heilig wijf uit Kent

gehoord, dat voorgeeft stemmen te vernemen

uit hemelrijk, haar gelastend te maken

’s konings huwelijk als een werk des duivels

bij ’t volk bekend?—Z’ is aangeklaagd, en vader

werd in d’ aanklacht betrokken, als de man

die haar verleid zou hebben tot bedrieg’lijk

voorwenden van hemelsche ingeving....

MARGREET Hij

voorzag den strik en poogde die t’ ontkomen:

daarom heeft hij tege’ elk verzwegen of

hij haar voor een bedriegster houdt dan voor een

godbegenadigd wezen.... nimmer zag

hij haar, noch zond haar iets van zijne hand....

De aanklacht tegen hem vindt geen duimbreed

bewijs om op te staan: elk eerlijk rechter

moet in haar herkennen de giftige vrucht

van verborgen gewroet die hij, gelijk

een booze pad, wegstoot van voor zijn voeten....

Maar men wil zijn schuld, waar men macht heeft om

den wil tot daad te maken: daarom sling’ren

wij angstig tusschen hoop en vrees.

GRYNÆUS Vergeef me:

ik vind geen woorden.... wanneer kunt ge weten....

MARGREET Misschien vandaag.... Geruchten gaan, dat vaders

naam is gedelgd in d’ aanklacht: mijn man voer

bij ’t morgenkrieke’ al stadwaarts, uit te vinden

of ’t waarheid zingt, dit zoet-getongd gerucht.

Wij kunnen hem elk oogenblik terug

verwachten.... vader weet van niets.... Begrijpt ge

nu onze spanning, vriend?

GRYNÆUS Alles begrijp ik,

en hoop ’t beste, Margreet.

DANCE Daar komt een sloep

de bocht om.... neen.... ja toch, het is de onze....

zij roeien hard....

MERCY William staat op.... hij wuift

ons toe.... opnieuw....

MARGREET Het afgesproken teeken

voor goede tijding.... ’k ga hem tegemoet. (Af.)

GRYNÆUS Gij verlangt ook te gaan? Zoo ge ’t vergunt

zal ik uw moeder in dien tijd begroeten

dat zij mij niet verdenke onheusch te wezen,

en vind u dan weer hier terug. Moge alles

zijn als wij hopen, vriendinnen! Tot straks. (Af.)

DANCE Die laat zich niet wegslaan van ’t hart waarin

hij wierp zijn anker.... wisten allen die

zich noemden onze vrienden, even wel

wat trouw beteekent, als die „wufte Franschman”,

dan groeide ’t gras nu niet tusschen de steenen

rondom ons huis....

MERCY Dance, wanneer vaders onschuld

rijst boven de dikke wolken van laster

weer stralend uit, dan zullen velen keeren

die vrees nu ver houdt van ons huis....

DANCE Och Mercy,

boven de wolk van ’s konings ongenade

zal vader niet weer uitrijzen—en die

maakt om ons heen zulk een doodsche leegte

als broeit een booze ziekte over ’t huis,

niet geloof aan zijn schuld.

MERCY Stil, daar komt vader.

MORE Dat was een lang bezoek! hun vriend’lijke aandrang

liet maar niet af!....

MERCY Wat wilden zij van u?

MORE Mij presse’ om deel te nemen aan de aanstaande

blijde intocht der nieuwe koningin

door Londen’s straten: twintig gouddukaten

boden ze mij aan om een feestgewaad

te koopen, want ze wisten onze spinde

maar slecht voorzien....

DANCE Ge zeidet ja?

MORE Ge schertst toch,

mijn kind? Kunt g’ u uw vader denken, uit-

gedoscht in kleurig narrenpak, op Paschen

meegevoerd in den stoet, gelijk een zeldzaam

en lang weerbarstig dier, eindlijk getemd?

DANCE Maar zal de koning niet toornen?

MORE Ach, die zal ternauwernood

missen in heel die doorluchtige stoet

van glinst’rende eed’le’ en statige prelaten

zich verdringend om zijne hand te kussen

en zijn nieuwbakken koningin te huld’gen,

den simplen burger Thomas More.—Waar bleef

de gast?

DANCE Die wijlt bij moeder.

MARGREET (binnenkomend met William) Vader, vader,

uw naam is weggenomen uit de aanklacht,

mijn William bracht de goede tijding mee!

Wij zijn zoo blij....

WILLIAM Mijn beste, beste vader....

MORE (steekt hem de handen toe; de vrouwen omhelzen hem, ook

Grynæus en vrouw Else treden binnen.)

Mijn beste zoon, veel dank.—Mijn lieve kind’ren,

wij willen de verademing genieten

met heel ons hart, maar niet vergeten dat wat

vandaag voorbijdreef, morgen keeren kan.—

Grynæus, gij blijft onze gast van avond

niet waar? Kom zet u tusschen ons, gelijk

in d’ oude dagen: doe verhalend ’t zacht

azuur en de edelgewelfde lijnen

der bergen van het schoone land Italië

voor ons opstaan.... en de klare gestalten

gaande daarin. Wij luist’ren toe....

(Allen zetten zich; sommigen op de trappen van het terras; ook More,

met zijn hoofd op Margreets schoot, die een trede hooger zit.)

GRYNÆUS ’k Vond in Verona....

Vreemd, dingen die nog gist’ren glansden aan

den boom herinnering als gouden vruchten,

liggen nu ergens waar ’k ze niet kan vinden,

bestoven in een uithoek van het brein....

’t Is mij, als schouwde ik in een droom Italië

en voel, ontwaakt, den droom nu ver en verder

weggaan van mij....

WILLIAM ’t Komt door de heete broeiing

der lucht: die maakt vandaag den zin zoo loom.

MARGREET De lentebosschen op de heuvelen

donk’ren violet tegen den looden kim;

zij schijnen wonderlijk nabij: ’t zijn teek’nen

dat onweer dreigt....

DANCE Zie de zwaluwen scheren

over het water dat als olie schijnt

zoo traag en dik.

MERCY Men hoort de schippers roepen

over den stroom....

MARGREET Hen antwoorden de knapen

van de moeslanden aan de overzij....

alle geluiden klinken hoog en fijn

door de gespannen stilte....

MERCY Huivert ge,

Margreet?

MARGREET Het was of onzichtbare vlerken

flapten tegen mijn hoofd.—Voelt gij ze niet?

MORE Komt kinderen, wie uwer weet een lied

dat d’ onrust van deze broeiende stilte

weer effent door ons bloed?—Gij Mercy?

MERCY Ik

kan nu niet zingen, vader.

MORE Dance, dan gij?

Wij zijn het onzen lieven gast verplicht:

hij mag niet denken, dat wij ’t zinge’ ontleerden.

DANCE Mij valt niets in dan de klagende wijze

van de moeder die den knaap Vrede zocht.

MORE Dan zullen w’ onrust met onrust verjagen,

mijn kind, want wat opwolkt in zoete toonen

bezwaart niet langer ’t hart.

DANCE (zingt)

Edele heeren en schoone vrouwen

Kwam hier voorbij een blonde knaap?

Tot ik mijn arme’ om zijn leest kan vouwen

vindt mijn hart geen rust en mijn oog geen slaap.

Ik schrijd en ik schrijd over heuvels, langs dalen

door zandige vlakten en wild foreest

om den lieflijken knaap te achterhalen

wiens adem mijn kranke hart geneest.

Zijn stem is zacht als de zang der baren,

zijn lach als de lach van den dageraad,

de geur die stroomt uit zijn blonde haren

alle geuren der lente te boven gaat.

Ik schrijd en ik schrijd, mijn voeten bloeden

mijn adem hijgt, maar ik merk het nauw

tot ik kom aan wijde glanzende vloeden

of waar bergen rijzen in ’t koep’lend blauw.

Dan zit ik en ween, want het spoor is verloren

en ik moet terug, en ik weet niet waar

ik den knaap met den lach van morgengloren

zal zoeken en ’t lentegeurig haar.

Maar ik ga, en aan zingende menschen weder

vraag ik „kwam hier niet een knaap voorbij?

Vrede is zijn naam en zijn oog is teeder

als lente en als vogelzangen blij.”

En sommigen schudden het hoofd en spreken

gedempt: „Wij hebben hem niet gezien;

wij droomen van hem—uit die droomen breken

dan liederen uit—droomt ge ook misschien?”

En anderen zien mij vreemd aan en wijzen

omhoog: „daar woont de knaap dien ge meent”

en ze zingen weer, maar een and’re wijze

dan waar mijn verlangend hart naar weent.

Want ik weet dat hij leeft op deze aarde

en geen droom is: ik droeg hem in dezen schoot,

ik was ’t die hem droeg, ik was ’t die hem baarde,

ik was ’t die hem baarde, ik kweekte hem groot.

Maar hij ontvlood—om hem weer te vinden

zoek ik de wereld, de wereld door,

want hij is mijn eige’ en mijn meest beminde

en mijn hart vond geen rust, sinds het hem verloor....

Edele heeren en schoone vrouwen

kwam hier niet voorbij mijn blonde kind?

Zijn gelaat is een bloem om te aanschouwen

en zijn adem geurende lentewind.

MERCY Arme moeder, hoe lang nog zult ge jagen

om vrede door de groote wereld? Wie

vindt den weg weer tot het verloren kind

der menschheid?

MARGREET Eenmaal zullen wij hem vinden,

zoo we zoeken, allen te samen—is

het niet, vader?

VROUW ELSE Thomas, waar peinst gij aan?

MORE Ik peinsde aan den tijd, dat dit hoofd weder

zal liggen, gelijk nu, in dezen schoot.

Thomas More: Een treurspel in verzen · 第 6 / 13 题