De ongevallen van den student Anselmus. Conrector Paulmann's
gezondheidsknaster[1] en de goudgroene slangen.
[Voetnoot 1: Tabak.]
Op Hemelvaartsdag, 's middags om drie uur, holde een jonge man in
Dresden de Zwarte Poort door en kwam midden in een korf met appelen en
koeken terecht, die een oud, leelijk wijf te koop bood, zoodat alles wat
ongekneusd bleef eruit werd geslingerd en de straatjongens leutig den
buit gingen verdeelen, die hun de haastige heer had toegeworpen. Op de
jammerklachten, die de oude vrouw aanstemde, verlieten de geburen haar
koek- en brandewijnstalletjes, omringden den jongen man en scholden op
hem los met grove heftigheid, zoodat hij, sprakeloos van ergernis en
schaamte, haar zijn kleinen, niet bijster gevulden geldbuidel toestak,
welken de oude begeerig aangreep en haastig wegborg. Nu opende zich de
vastgesloten kring, en terwijl de jonge man eruit schoot riep de oude
hem na: "Ja, ren maar, ren maar door, Satanskind -- in 't kristal kom je
ten val, in 't kristal."
De schelle, krijschende stem van het wijf had zoo iets ontzettends, dat
voorbijgangers verwonderd staan bleven en het gelach, dat zich eerst
verbreid had, op eens verstomde. De student Anselmus (niemand anders was
de jonge man) werd, ofschoon hij de wonderlijke woorden der oude gansch
niet begreep, door een huivering bevangen en nog meer verhaastte hij
zijn tred om zich aan de op hem gerichte blikken der nieuwsgierige
menigte te onttrekken. En terwijl hij zich door het gewoel der
fraai-uitgedoste menschen heenwerkte, hoorde hij rondom mompelen: "die
arme jongen, hè, om zoo'n vervloekt wijf." Want op wonderdadige wijze
hadden de geheim-zware woorden der oude aan het belachelijk avontuur een
zekere dramatische wending gegeven, waardoor men den van tevoren gansch
onopgemerkte nu met deelneming nazag. En de vrouwen vergaven om zijn
goedgevormd gezicht, waarvan het expressieve nog verhoogd werd door
innerlijke woede, zoowel als om zijn krachtigen bouw, den jongeling alle
onhandigheid en het zich buiten 't gebied van elke mode bevinden zijner
kleedij. Zijn blauw-grijze overrok was namelijk gesneden als had de
kleermaker, die deze bewerking verrichten moest, de moderne vormen
alléén gekend van hooren zeggen en het smetteloos gedragen onderkleed
van zwart atlas gaf aan het geheel een zekeren schoolmeester-achtigen
stijl, die volstrekt niet bij zijn gang en houding paste.
Toen de student haast het einde der allee bereikt had, die naar het
Linkesche bad voert, restte hem bijna geen adem meer. Hij was gedwongen
langzamer te gaan; doch nauwelijks waagde hij het de oogen op te slaan,
want nog immer zag hij zich van appelen en koeken omdanst en elke
vriendelijke blik van het een of ander meisje scheen hem slechts de
weerkaatsing van het hoongelach bij de Zwarte Poort.
Zoo kwam hij aan den ingang van het bad-Linke; de ééne rij feestelijk
uitgedoste menschen na de andere trok binnen. Muziek van
blaasinstrumenten weerklonk; luider en luider woelden de vroolijke
gasten dooreen. Bijna kwamen tranen in de oogen van den armen student
Anselmus, want ook hij had, daar Hemelvaartsdag altijd een bijzonder
huiselijk feest voor hem geweest was, aan de gelukzaligheden van het
Linkesche paradijs willen deelnemen, ja, hij had zelfs willen gaan tot
een kopje koffie met rum en een flesch donker bier en om aldus flink te
kunnen brassen, meer geld meegenomen dan wel geoorloofd en doenlijk was.
En nu had de noodlottige stap in den korf met appelen hem alles gekost,
wat hij bij zich had. Noch aan koffie, aan het zware bier, aan muziek,
aan het bekijken der mooi-gekleede meisjes, noch aan één der andere
gedroomde genietingen viel meer te denken; langzaam sloop hij voorbij en
sloeg eindelijk den weg naar de Elbe in, die juist geheel verlaten was.
Onder een vlierboom, uit een muur gegroeid, vond hij een aangenaam
grasplekje; daar ging hij zitten en stopte zich een pijp van den
gezondheidsknaster, dien zijn vriend, conrector Paulmann, hem gegeven
had.
Vlak voor hem plasten en ruischten de goudgele golfjes der schoone Elbe,
waarachter het heerlijke Dresden koen en trotsch zijn lichte torens hief
in de nevelige luchten, neerzinkend op de bloemige weiden en
frischgroene wouden, terwijl uit diepe schemering kantige gebergten kond
deden van 't verre Bohemerland. Maar donker voor zich heenziende, blies
de student Anselmus rookwolken in de lucht en zijn wrevel brak eindelijk
uit, toen hij sprak: "Het is waar, ik ben voor alle mogelijke jammer en
ellende geboren! Dat ik nooit de boon heb getroffen uit den
Driekoningenkoek, dat ik bij even of oneven altijd verkeerd raadde, dat
mijn boterham steeds op den vetten kant gevallen is, ach, van al deze
jammeren wil ik nog niet spreken; maar is het niet een verschrikkelijk
noodlot, dat ik, nu ik, Satan ten spijt, student geworden ben, een arm
student[2] moet zijn en blijven? Kan ik wel ooit een nieuwen rok
aantrekken zonder er den eersten keer direkt een vetvlek aan te maken,
of mij aan een slecht ingeslagen spijker er verduiveld een gat in te
trekken? Kan ik wel ooit een hofraad of een dame groeten zonder mijn
hoed ver van mij af te slingeren of wel uit te slieren op den gladden
grond en onhandig te blijven liggen spartelen? Had ik in Halle niet
reeds iederen marktdag een vaste uitgave van drie tot vier groschen voor
stukgetrapte potten, omdat de duivel mij dwong, mijn weg juist te nemen
als de Lemmingen.[3] Ben ik een enkele maal op college of waar men mij
genood had, precies op tijd gekomen? Wat baatte het, of ik al een half
uur tevoren vertrok en voor de deur ging staan met de klink in de hand;
zoodra ik deze met klokslag wilde oplichten, goot immers de duivel een
waschkom over mijn hoofd uit of liet mij met iemand, die het huis
uitkwam, in botsing komen, zoodat ik in duizend onaangenaamheden
verwikkeld werd en daardoor alles misliep. Helaas, waar zijt gij heen,
droomen van toekomstig geluk, waarin ik trotschelijk waande, het wel tot
geheimsecretaris te zullen brengen! Heeft niet mijn ongelukkig gesternte
mij met mijn machtigste beschermers in onvrede gebracht? Ik weet, dat de
geheimraad, bij wien ik ben aanbevolen, geen kort gesneden haar kan
uitstaan; met moeite weet de kapper een staartje aan mijn achterhoofd te
bevestigen, maar bij de eerste buiging springt het ongelukslintje stuk
en een vroolijke mopshond, die mij besnuffelt, apporteert dol-verheugd
het staartje haar aan den geheimraad. Verschrikt spring ik het na en val
over de tafel heen, waaraan hij, al ontbijtend, had zitten werken,
zoodat kopjes, borden, inktpot en zandkoker er kletterend afrollen en de
stroom van chocolade en inkt zich juist over den pasgeschreven
aanbevelingsbrief uitstort. "Is u bezeten, mijnheer!" roept de
vertoornde geheimraad, terwijl hij mij de deur uitschuift. Wat baat het
of conrector Paulmann mij al het vooruitzicht op een betrekking als
schrijver geopend heeft; zal mijn ongelukkig gesternte, dat mij overal
vervolgt, het toelaten? -- Vandaag nog! -- De mooie Hemelvaartsdag wilde
ik echt plezierig doorbrengen, ik wilde er flink wat aan spendeeren.
Evengoed als iedere andere gast had ik in bad-Linke trotsch kunnen
roepen: Marqueur -- een flesch donker bier -- maar van 't beste,
alsjeblieft! Ik had er tot 's avonds laat kunnen zitten en bovendien
dicht bij 't een of ander gezelschap prachtig aangekleede mooie meisjes.
Ik weet het, dan zou ik moedig geworden zijn, een ander mensch; ja, ik
had het wel zóó ver gebracht, dat ik, als deze of gene gevraagd had:
"hoe laat zou 't wezen" of "wat spelen zij daar toch," met luchtige
beleefdheid zou zijn opgesprongen zonder mijn glas om te gooien of over
de bank te struikelen; ik zou dan in gebogen houding anderhalve pas
voorwaarts tredend, gezegd hebben: "Pardon, mademoiselle, dat is de
ouverture uit het Donau-weibchen" of "Het zal direct zes uur slaan." Had
iemand ter wereld mij dat kwalijk kunnen nemen? Neen, zeg ik, de meisjes
zouden mij zoo schalks lachend hebben aangezien, als altijd wanneer ik
moed genoeg heb om te toonen, dat ik ook den conversatietoon weet te
pakken en met dames kan omgaan. Maar daar brengt Satan mij in die
verdoemde appelmand en nu moet ik hier in eenzaamheid mijn
gezondheidsknaster...."
[Voetnoot 2: Eigenlijk een student, die in een der voorsteden van
een academiestad woont.]
[Voetnoot 3: Scandinavische knaagdieren, die bij hun massatochten
hun weg recht vooruit nemen zonder op de omgeving te letten.]
Hier werd de student Anselmus in zijn zelfgesprek onderbroken door een
zonderling geruisch en geritsel, dat zich in 't gras dicht bij hem deed
hooren, om dan te verglijden in de bladen en twijgen van den vlierboom,
die over zijn hoofd zich welfde. Nu was het als roerde de avondwind de
bladeren, dan als koosden vogeltjes in de twijgen, de kleine vlerken in
opzettelijk heen-en-weer-fladderen bewegend. Toen begon een gefluister
en een gelispel en het was, alsof de bloesems tonen uitluidden gelijk
hangende kristallen klokjes. Anselmus luisterde en luisterde. Toen
verwerd, hij wist niet hoe, het gelispel en gefluister en getingel tot
zachte, half verwaaide woorden:
"Tusschendoor -- tusschenin -- tusschen twijgen, tusschen zwellende
bloesems, schommelen, strengelen, slingeren wij ons -- zustertjes,
zustertjes, schommel je in schemering -- snel, snel, omhoog, --
omlaag -- stralen schiet d'avondzon -- d'avondwind fluistert -- ruischt
er de dauw -- zingende bloesems -- roeren wij tongetjes, zingen wij met
bloemen en twijgen -- sterren dra stralen nu -- moeten wij heen --
tusschen door, tusschenin, strengelen, slingeren, schommelen w'ons
zusters klein."
Zoo ging het voort: een 't verstand verwarrend gesprek. De student
Anselmus dacht: dat is toch maar de avondwind, die vandaag met gewoon
verstaanbare woorden fluistert. Maar op 't zelfde oogenblik weerklonk
boven zijn hoofd als een driestemmig accoord van heldere kristallen
klokjes; hij zag op en aanschouwde drie goud-groen glanzende slangetjes,
die zich om de twijgen gewonden hadden en de kopjes der avondzon
tegemoet strekten. Toen fluisterde het en lispelde het opnieuw in
dezelfde woorden en de slangetjes gleden en speelden op en neer door de
bladeren en de twijgen en terwijl zij zoo snel zich bewogen, was het
alsof de vlierboom duizenden fonkelende smaragden strooide door zijn
donkere bladen.
"Dat is de avondzon, die zoo in 't vlierboschje speelt," dacht de
student Anselmus, maar toen weerklonken wederom de klokjes en Anselmus
zag hoe één slang haar kopje naar hem neerboog. Het ging door al zijn
leden als een electrische schok, zijn diepste wezen sidderde -- hij
staarde omhoog waar een paar heerlijke donkerblauwe oogen hem met
onzegbaar verlangen aanzagen, zoodat een nooitgekend gevoel van hoogste
zaligheid en diepste smart tegelijk, zijn borst als wilde doen springen.
En wijl hij vol heet verlangen aldoor in de goddelijke oogen schouwde,
weerklonken sterker de kristallen klokjes met lieflijke akkoorden en de
fonkelende smaragden vielen op hem neer en omringden hem met duizenden
vlammetjes, rond hem flakkerend en spelend met schemerende gouddraden.
De vlierboom bewoog zich en zeide: "Gij laagt in mijn schaduw, mijn geur
omvloeide u, doch gij verstondt mij niet. De geur is mijn taal, als haar
de liefde ontsteekt."
De avondwind streek voorbij en sprak: "Ik omspeelde uw slapen, doch gij
verstondt mij niet, de adem is mijn taal, als haar de liefde ontsteekt."
De zonnestralen braken door de wolken en de schijn brandde als woorden:
"Ik omgoot u met gloeiend goud, maar gij verstondt mij niet: Gloed is
mijn taal, als haar de liefde ontsteekt."
En al inniger verzonken in den blik van het heerlijke oogenpaar, werd
zijn smachten heviger, gloeiender zijn verlangen. Toen roerde en bewoog
zich alles, alsof het tot een vroolijk leven ontwaakte. Bladen en
bloesems omgeurden hem, en die geur was als heerlijk gezang van duizend
fluitstemmen en hetgeen zij gezongen hadden werd als echo gedragen door
de goudene voorbij vliedende avondwolken tot in verre landen. Maar toen
de laatste zonnestraal snel achter de bergen verdween en de schemering
haar sluier over de landen wierp, riep, als van héél ver, een diepe,
rauwe stem:
"Hei, hei, wat moet dat gemompel en gefluister daar boven? -- Hei, hei,
wie zoekt voor mij den straal achter de bergen? -- genoeg in de zon u
gekoesterd, genoeg gezongen. -- Hei, hei, door bosch en gras, door gras
en stroom. -- Hei -- hei -- naar bene-e-e-den, naar bene-e-e-den."
Zoo stierf de stem weg als het gerommel van verren donder, doch de
kristallen klokjes braken met een snijdenden wanklank.
Verstomd was alles, en Anselmus zag, hoe de drie slangen schitterend en
blinkend door het gras naar den stroom schuifelden; ritselend en
ruischend stortten zij zich in de Elbe, en boven de golfjes, waarin zij
verdwenen waren, knetterde een groen vuur op, dat schuin naar de stad
toe lichtend vernevelde.