INLEIDING

Hoe weinig kent men ten onzent de fantastische en geestige geschriften

van Ernst Theodor Amadeus Hoffmann, rechter, kapelmeester, componist,

teekenaar, puntdichter, maar toch vooral verteller! Verteller uit den

tijd der romantiek -- een neo-romantiker noemde Goethe hem met eenige

schamperheid -- maar ten onrechte veel minder genoemd, in deze dagen, nu

de belangstelling voor dit tijdvak ook hier herleeft, dan anderen.

Ten onrechte, in zeker opzicht althans. Want het is waar dat zijn

omvangrijke werk (omvangrijk alleen al, waar men slechts aan het zuiver

literaire denkt, en de beschouwingen over muziek enz. ter zijde laat)

vele fouten aankleven. Zijn fantasie vervalt dikwijls in een met den

besten wil niet anders dan kinderachtig te noemen belangstelling in

vulgair bijgeloof. Hij tracht ons, met een welsprekendheid een betere

zaak waardig, bang te maken voor de banaalste bakersprookjes.

Hekserij, griezeligheid van de grofste soort, ziekelijke, smakelooze

detailbeschrijving van perverse neigingen en perverse daden, een

weerzinwekkende en in den grond onartistieke voorkeur voor onopgeloste

problemen van spokerij en somnambule-toeren bederft sommige van de

fijnst gecomponeerde, geestigst geschreven verhalen. De zelfcritiek

was levendig genoeg in hem, om hem meermalen in staat te stellen tot

een allervermakelijkst den spot drijven met die eigen neiging, zijn

zelfbeheersching was niet groot genoeg om hem te bewegen zulke perioden

ganschelijk weg te laten of te schrappen. Hij kon zichzelf kastijden,

zichzelf bespotten; zichzelf verbeteren kon hij niet. Hij is dikwijls

bij zijn vertellingen vol fijne stemming en fijnen humor zoozeer om een

intrige verlegen, dat hij die halen moet uit de meest verwarde, meest

onzinnige gegevens van het platte bijgeloof.

Of, als hij het niet in het griezelige zoekt, kan hij somtijds ook

op een ander terrein droevig dwalen. Zoo mooi en lief als sommige van

zijn sprookjes zijn, zoo mislukt zijn andere in hun omslachtigheid,

eindeloosheid en verwarring. Alsof hij er telkens een stukje bij

geschreven had zonder het voorgaande over te lezen, zich hopeloos

verwikkelend in een warnet van zijn eigen allegorie, zich ternauwernood

reddende door zijn nooit falende geestigheid, zich als Münchhausen, met

een tour-de-force, meer vernuftig dan overtuigend, aan de haren

optrekkend uit het moeras.

Dit laatste gebrek is eigen ook aan zijn beste vertellingen. Hoe

eindeloos zijn de verwikkelingen, hoe verbijsterend is de voortdurend

een ander karakter aannemende allegorie in Meister Floh, in Princessin

Brambilla, de door Baudelaire terecht zoo geprezen verhalen.

Weinig in Baudelaire's mooien bundel "Curiosités esthétiques" besproken

kunst voldoet intusschen zoozeer aan de verwachtingen, door dezen titel

opgewekt, weinig kunst, beeldende of woordkunst is zóó esthetisch en

tevens zóó curieus.

Welk een beeldenrijkdom, welk een beschrijvingskunst, welk een schoone

fantasie ook, die de minder schoone verdringt, welk een gemoedelijke

fijne, somtijds werkelijk edele humor in deze bizarre vertellingen! Hoe

groot is de levenswijsheid, daarin op de meest onverwachte wijze, in den

meest oorspronkelijken vorm getoond! Hoezeer is hier zelfs het eeuwig

raisonneeren en voor en tegen pleiten, en hoezeer zijn de uitwijdingen

en de terzijdetjes tot den lezer en de geheimpjes met den lezer, amusant

en genoegelijk! En die beschrijving van zulke in anderen vorm nauwelijks

meer te genieten bedenksels als feeëngewaden, kobold-koning-stoeten,

toovenaarspaleizen! In zijn boeken leeren wij opnieuw belangstellen

in den eeuwigen, dweependen Duitschen student met de blauwe oogen, de

blonde lokken en de melankolieke verliefdheid. Met goelijken humor weet

hij zijn bewondering te doen aanvaarden zelfs voor het traditioneele

Duitsche meisje met de gele vlechten, de vergevorderde kookkunst en

de dikke moeder. Zelfs de onmisbare, ons in theorie onuitstaanbare

demonische figuur met den mantel en de heesche stem, de nooit falende

booze geest in het romantische verhaal, oud of nieuw, goed of slecht,

weet hij ons te doen aanvaarden. Hij valt zichzelf in de rede, hij

spreekt zichzelf toe, hij vat ons bij den knoop van het vest of stoot

ons tusschen de ribben, neemt ons in het vertrouwen of gekscheert met

ons over zijn eigen helden en heldinnen, hij voorkomt elke critiek

onzerzijds door een eigen, zeer treffende bij te dragen, en hij gaat

voort ons te boeien, te vermaken, te doen huiveren en te mystificeeren.

Hij stelt ons teleur met het slot van het eene verhaal, om ons weer te

paaien met het schitterend, veelbelovende begin van een ander. Hij heeft

alle fouten en alle deugden -- behalve, reserve, zelfbeheersching. Hij

fascineert ons, na ons doodelijk te hebben verveeld; hij verzoent zich

met ons, na ons gruwelijk te hebben geërgerd. Zijn dartelheid zelfs

is soms vermoeiend. Hij weet van geen uitscheiden. Als een kind, dat

een mooi spelletje bedacht heeft, blijft hij doorzeulen op zijn toch

eigenlijk zoo aardige stokpaardjes. Om dan opeens weer te komen met een

nieuwe vondst en de vorige te vergeten, ons opnieuw te boeien en opnieuw

te ergeren. Aan een sentimenteel verhaal knoopt hij een cynisch slot.

Hij speelt met zijn eigen verwardheid, slaat munt uit zijn eigen

grilligheid.

* * *

Dit nog wat heel vage sprookje "der Goldene Topf" bekoort misschien

minder dan zou kunnen zijn, omdat de schrijver er een jongeling zich

laat verlieven op een slang, die weliswaar eigenlijk een mooi meisje

in betooverde gestalte blijkt te zijn, maar wat toch iets onaangenaams

heeft. Een slang is nu eenmaal in onze oogen een eenigszins griezelig

en verraderlijk dier, terwijl het geheel niet in de bedoeling des

dichters ligt, daarin iets griezeligs te geven. Toch zijn er kostelijke

beschrijvingen in, van een voliére met wonderlijke vogels, een

heksenkeuken, en een allerkluchtigste dronkemanspartij van twee

ingetogen geleerden en een nog ingetogener student, die de wonderlijkste

wartaal uitslaan, zulke wartaal als Hoffmann nu eenmaal zoo geniaal weet

weer te geven.

De Gouden Vaas · 第 6 / 21 题