Twee dagen voor Kerstmis, komen Grootmoeder, Arthur, Oom en Tante
Bantam en Lili tegelijk op Beukenwoud aan. Tante Colesberg komt hen in
de vestibule tegemoet, en een prettige, geurige warmte komt hen tegen
uit de huiskamer. Er staan overal groote potten en vazen met
dennetakken en hulst met roode besjes. Ze doen hun mantels en jassen
uit in het kleine spreekkamertje en als ze daarna binnen komen in de
huiskamer, loopen ze allen naar de zijramen om in de menagerie te
kijken.
„Mijn lieve Lili,” zegt tante Colesberg, „ik ben een en al verbazing,
wat loop je goed, je hebt niet veel steun meer noodig.”
„O tante, het is zoo heerlijk; ik heb ook al even in de sneeuw geloopen
bij ons in den tuin; het gaat hoe langer hoe beter. O kijk eens, wat
zijn er veel duiven, zijn ze nog zoo mak?”
„O ja, wil je het zien? Herman!” zegt tante tegen haar zoon, „wil je
Jantje even halen?”
Neef gaat dadelijk naar buiten, fluit en neemt wat maïs uit zijn
vestjeszak en als hij de hand uitsteekt, komt er dadelijk een aardig
wit duifje op zitten en pikt gretig de korrels op. Daar komen er nog
twee en gaan op neefs arm zitten en nu komt neef met de drie duifjes de
kamer in.
„O wat aardig!”
„Dit kleine makke diertje is Jantje en dat is Beb en dezen heb ik naar
jou genoemd.”
„Ja? naar mij? Arthur?”
„Neen, Mung noem ik hem, is het goed?”
„Ja neef, best, maar waarom heet die andere Beb? wie is dat?”
„Beb Dolijn woonde hier vroeger, een heel lief meisje, zij hield zoo
veel van haar duifjes en daarom heb ik er een naar haar genoemd.”
„Waar is nu het kippekamertje?”
„Wou je het graag zien? kom dan maar mee.”
„Ik wou ook mee, daar mag ik immers logeeren,” zegt Lili en neef en
Arthur helpen haar de trap op en ze komen op een aardig kamertje, dat
in de ménagerie uitziet.
„Hé, wat heb je hier een mooi uitzicht, wat aardig al die eenden en
kippen; kijk, een ooievaarsnest, wat leuk, en daar aan den vijver zie
ik een koepeltje.”
„Ja, er is hier een heele boel te kijken,” zegt neef, „zie je wel de
kippenbrug, daar naar het bosch toe? daar gaan de kippen zoo graag in
het eikenblad krabben, maar nu kunnen ze er niet bij komen door de
sneeuw. Nu naar Nova Zembla.”
„Nova Zembla?”
„Ja; dat is een kamertje op het Noorden, daar ben je toch niet bang
voor? daar sliepen vroeger ook jongens van mijnheer Dolijn.”
„O, neen neef,” zegt Arthur, „ik ben niets bang voor koû, dat is
frisch.”
Ze gaan over den overloop en daar ziet Arthur iets op den deurpost
geschreven; hij leest:
„Arthur is een muziekmannetje.”
„Wat is dat? wie heeft dat gedaan, ik doe nooit aan muziek.”
Neef lacht en zegt:
„Dat is Arthur Dolijn, die hier vroeger woonde, er staat hier nog meer,
kijk maar:
„Jongeheer Arthur,
„Eet 12 boterhammen in één uur.”
„Kijk eens hier:
„Pumpie is een soes
En Meta is een snoes.”
„Ga nu mee naar Nova Zembla, daar staat ook nog wat gekrabbeld.”
Arthur en Lili zien op de vensterbank allerlei letters, E. D. en A. D.
F. B. F. H. en W. H.
„Wie zijn dat allemaal?” vraagt Arthur.
„Ja, dat weet ik niet, maar kijk hier eens: „E. is een ezel, D. is een
duivel en U. is een uilskuiken.”
Lili en Arthur schateren van het lachen en Lili zegt:
„E. D. U., dat is Edu, dat zal hij wel niet zelf gedaan hebben; o kijk
eens:
„E. is edel, D. is dapper, U. is ulevel.”
„Die is prachtig, dat heeft Edu zeker wel zelf gedaan.”
Ze zoeken nog meer, maar ze kunnen niets meer vinden.
„Kom, het is hier koud, ik verlang naar de warme kamer, jullie ook?”
Ze gaan samen naar beneden en ze vinden het erg gezellig in de
huiskamer. Ze drinken thee met kattetongetjes en ze praten over alles
en nog wat. Na het eten zitten ze om den knappenden haard; ze kraken
noten en mogen de doppen in het vuur gooien, en neef doet er ook wat
dennenappels op, het knapt en knettert zoo heerlijk. Tante Colesberg en
neef vertellen allerlei dingen, die ze hier gehoord hebben over de
familie Dolijn en dat vinden Lili en Arthur erg prettig om te hooren.
Den volgenden morgen zegt tante Colesberg:
„Ik zend een mand met appels en dennetakken naar Amsterdam aan de
familie Dolijn, wil jullie helpen?”
„Graag tante.”
Arthur en Lili wrijven de appels en peren tot ze glimmen; er worden ook
noten in gepakt; dennetakken en hulst gaan er boven op en Willem, de
tuinman, komt met een stuk linnen, touw en een paknaald om het dicht te
naaien.
„Dat doe je geloof ik graag?” vraagt neef.
„Ik doe niets liever dan vrachtjes zenden aan de familie Dolijn,” zegt
Willem, „wat zullen de kinderen blij zijn, och, och, wat waren ze hier
graag!”
De dagen vliegen om, veel te gauw en als Arthur den laatsten avond in
zijn bed ligt en door Grootmoeder wordt toegedekt, zegt hij:
„Wat is het toch vreemd verdeeld; wij hebben het zoo vreeselijk goed en
er zijn er zoo veel die het zoo ellendig hebben, dat is toch akelig.”
„Ja beste jongen, dat is heel ongelukkig, vooral als de ellende tot
slechtheid brengt!”
„Grootmoeder, wat is het toch gelukkig om rijk te zijn.”
„Neen mijn jongen, zeg dat niet, het geld brengt volstrekt niet altijd
geluk aan, heel dikwijls het tegendeel. Voor menigeen zou het een geluk
zijn, minder geld te hebben en gedwongen te zijn hard te werken.”
„Maar Grootmoeder, als men rijk is, kan men er veel goed mee doen.”
„Ja, als men dat altijd deed, zou het geld geluk aanbrengen, maar het
geld brengt zoo veel menschen tot luiheid en zorgeloosheid. Men moet
heel flink en verstandig zijn om een goed gebruik van het geld te
maken, en als men dat niet kan, is het veel beter arm te zijn. En veel
geld geeft veel zorgen; een man die met een kermiswagen door het land
trekt, heeft het dikwijls gemakkelijker dan een schatrijk man.”
„Hé Grootmoeder, hoe kan dat?”
„Als men veel geld heeft en als men het goed wil besteden, moet men
heel knap en verstandig zijn, men is dan verplicht heel veel voor de
maatschappij te doen.”
„Dus moet men heel knap en verstandig zijn als men rijk is?”
„Ja beste jongen, heel knap en heel goed.”
Arthur denkt hier veel over na; hij weet dat zijn vader heel rijk is en
dat hij het waarschijnlijk ook zal worden. „Als ik dus knap word,”
denkt hij, „zal ik een goed gebruik van het geld kunnen maken; gelukkig
dat ik nog veel kan leeren.”
Als Grootmoeder en Arthur terug komen op Conifera, worden ze verwelkomd
door Constant, die blij is dat Arthur er weer is.
„Hè, ik vond het saai, dat je weg waart, ik ben hier elken dag geweest
om een eind met Pandoer te wandelen, we hebben geprobeerd om elkaar op
te vroolijken. Maar we hebben toch prettige Kerstdagen gehad; de
Kerstboom was prachtig.”
„Ik vind het niets naar om weer naar school te gaan,” zegt Arthur.
„Ik ook niet,” zegt Constant, „het is zoo prettig om samen te gaan.”
„En het is ook zoo prettig om met een mooi rapport thuis te komen,”
zegt Arthur.
„Jongens,” zegt Grootmoeder, „ik ben blij, dat jullie er zoo over
denkt, nu kun je het ver brengen en twee mannen van beteekenis worden.”
„Maar ook altijd twee vrinden.”