„Arthur,” zegt Grootmoeder Zondag morgen, „hoe zou je het vinden, als
we Constant Kemper op de koffie vroegen?”
„Hè, prettig Grootmoeder.”
„Nu, ga hem dan maar halen, maar dadelijk terug komen, want Oom en
Tante kunnen al gauw hier zijn.”
„Hé, leuk,” zegt Arthur, „dan kunnen we samen na de koffie Lili in den
wagen naar het bosch rijden. Kom Pandoer! ga je mee?” Ze loopen om het
hardst, maar Pandoer wint het, hij loopt wel drie maal den weg vooruit,
terug en om Arthur heen, en keffend loopt hij een troep musschen na,
die voor hem uitvliegen en hem uitlachen, want hij kan hen toch niet
krijgen.
Arthur komt al de kerkgangers tegen, want de kerk is juist uit.
„Nu kan ik dominé Kemper misschien ook zien,” denkt Arthur, „ik zie hem
bijna nooit, hij heeft het altijd zoo druk. Constant zal vragen of ik
eens mee mag gaan op een wandeling, het is zoo’n aardige man, hij
vertelt zoo prettig.”
Bij de Pastorie komend, ziet hij Jeanne voor het huis.
„Is Lili er al?” vraagt zij.
„Neen nog niet; waar is Constant?”
„Hier! boven!” roept deze uit een raam, „kom maar hier.”
Arthur kent al goed den weg in huis en als hij op den overloop komt,
ziet Geertruid hem en roept hem op de kinderkamer.
„Kijk, hier zijn ze allemaal, behalve Lorre; zijn ze nu niet netjes
aangekleed? en nu mag ik broertje op schoot hebben.”
Arthur gaat naar Mevrouw Kemper, die juist uit de kerk gekomen, bezig
is Jantje de flesch te geven.
„Dag Mevrouw, dag Geertruid en och, wat is het toch een aardig ding,
zoo’n klein kind. Mag Constant bij ons komen koffie drinken?”
„Dat zal hij prettig vinden.”
Daar komt Constant binnen en Geertruid roept dadelijk:
„Constant, jij bent gevraagd op Conifera en wij niet.”
„Maar Geertruid!” zegt Mevrouw, „wat dacht je wel, zoo’n klein meisje
bij een grooten jongen?”
Geertruid laat het hoofd hangen en zegt heel zacht:
„Bij Lili.”
Arthur lacht en zegt:
„Ik kan er niets aan doen, Grootmoeder heeft alleen Constant gevraagd.
Ga je mee Constant!”
„Graag,” zegt deze en na afscheid genomen te hebben, gaan ze de deur
uit naar beneden.
„Even Vader goedendag zeggen,” zegt Constant en hij gaat naar zijn
vader’s kamer.
„Vader, Arthur komt mij halen, Mevrouw Mung heeft mij op de koffie
gevraagd.”
„Wel jongen, dat tref je, dat is zeker ter eere van het examen; dag
Arthur, ik wensch je geluk, prettig, hè? om door ’t examen te komen,
doe jullie maar je best, je moet nog zoo veel examens doen, dat kunnen
dus nog veel prettige oogenblikken zijn bij welslagen, maar o wee! als
je niet slaagt, dat is heel ellendig, dat begrijp je nu wel, niet waar?
je kunt er nu nog veel aan doen, maar als je eerst een jaar luiert en
je tijd verknoeit, dan is het heel moeielijk, soms onmogelijk om het
weer in te halen.
„Prettig dat je nu nog zoo’n mooien tijd vóor je hebt. Ga je eens mee
wandelen Arthur? morgen avond na het eten ga ik een zieke bezoeken, een
klein uurtje hier van daan. Constant zei, dat je wel eens mee zoudt
willen.”
„O, heel graag dominé, morgen avond? ik zal het aan Grootmoeder
vragen.”
„Best, ga jullie nu maar gauw naar Conifera en groet Mevrouw Mung.”
De jongens haasten zich de deur uit en Jeanne roept hen na: „de groeten
aan Lili!”
Pandoer is blij dat ze weer op weg gaan, hij houdt niets van visites
maken, vooral als hij op de stoep moet blijven zitten. Jeanne heeft hem
wel een beetje gestreeld en tegen hem gepraat, maar zoo’n vreemde jonge
juffer, och neen, daar geeft hij geen zier om.
„Dat treft, dat jij bij je Grootmoeder bent gekomen, ik was hier tot nu
toe zoo alleen,” zegt Constant.
„Nu, ik tref het ook, dat jij hier woont, anders was ik hier alleen. En
dat we in dezelfde klasse komen en hetzelfde werk moeten maken, dat is
prettig. We kunnen elkaar ’s morgens op de wandeling de lessen over
hooren.”
„Jongens ja, dat is leuk.”
„Kijk nu toch zoo’n malle hond, wat rent hij over den akker, hij speelt
krijgertje met de leeuweriken; wat zou er gezaaid zijn?”
„Dat is boekweit,” zegt Constant, „ik denk niet dat de eigenaar het
prettig zal vinden, dat Pandoer daar zoo doorheen ravot.”
„Neen, dat is waar; Pandoer! kom hier!”
Dadelijk staat de hond stil, kwispelt met zijn kort staartje en rent
dan regelrecht naar Arthur toe en blijft bedaard, maar hijgend en met
den tong uit den bek achter hem loopen.
„We zullen na de koffie met Lili naar het bosch gaan,” zegt Arthur,
„wil je me helpen om Lili’s wagen te duwen?”
„Zeker,” zegt Constant, „een er voor en een er achter.”
„Ja, dan vragen we een touw aan den baas. Zeg, houdt je van kersen?”
„Nou, of ik! heb jullie die?”
„Ja, Grootmoeder heeft gisteren avond een mand vol gekregen.”
„Hoor! een rijtuig!” zegt Constant en omziende, bemerken ze in de verte
een stofwolk boven het eikenhakhout, bij de kromming van den weg.
„Gauw! ieder op een paal van het hek, we zijn standbeelden.”
Ze klauteren er boven op en als het open rijtuig nadert, zien ze
mijnheer en mevrouw Bantam met twee meisjes.
„Wie is dat meisje?” vraagt Arthur, „o ik zie het al, het is Marietje
Geukestein, dat is grappig, ook al ter eere van het examen. Hoezee!”
roept hij wuivend, als het rijtuig door het hek gaat en dan springen de
jongens op den grond en draven achter het rijtuig aan, en de meisjes
lachen en zeggen allerlei dingen waarvan de jongens niets verstaan,
door het ratelen over het nieuw gestrooide grind.
Welk een vroolijk troepje aan de koffietafel bij Mevrouw Mung. Midden
op de tafel staat de mooie taart, die Oom en Tante hebben meegebracht
en op de taart is een jongetje van suiker met een vlag in de hand en
met witte suikerletters is er op geschreven:
„Lang leve Arthur Mung!”
„Grootmoeder,” zegt Arthur, „voor wie is dat poppetje?”
„Voor jou.”
„Dan geef ik het aan Geertruid. Ze was bedroefd, omdat zij niet mee was
gevraagd.”
„Ja? dat lieve kleine ding; wil je haar na de koffie gaan halen om
kersen mee te eten?”
„Hé ja,” zegt Arthur verheugd, „maar...”
„Wat is het?”
„Het zal zoo naar zijn voor Jeanne.”
„O natuurlijk, die moet meekomen.”
Nu gaat er een gejuich op; Lili en Marietje vinden het ook zoo prettig,
want ze hebben samen Lorre in orde gemaakt en meegebracht en willen
graag hooren, wat Jeanne en Geertruid er van zullen zeggen.
Zoo gauw ze dan ook klaar zijn en van tafel mogen opstaan, gaan de
jongens naar de pastorie en komen heel gauw terug met Jeanne en
Geertruid. Lili en Marietje hebben op de canapé een bedje gemaakt voor
Lorre en haar toegedekt met een theedoek.
De beide kleine meisjes komen een beetje verlegen binnen en kijken met
verwonderde oogen naar Lili, die haar op Marietje geleund, tegemoet
loopt. Maar ze zijn gauw op dreef, vooral als Lili vraagt, of ze niet
nieuwsgierig zijn naar Lorre.
„Ja,” zegt Geertruid, „is ze weer goedgeworden?”
„Ga haar maar zoeken, ze is hier in de kamer, maar ze is nog een beetje
zwak, praat niet te hard, de stumper is zoo ziek geweest.”
Jeanne loopt de heele kamer rond en kijkt in alle hoekjes en achter
alle gordijnen, maar Geertruid blijft stil staan, kijkt in het rond en
loopt dan regelrecht naar de canapé.
„Ik heb haar!” juicht ze, „mijn lieve Lorre! maar wat heeft ze? een
doek om het hoofd?”
„Ja,” zegt Marietje, „dat is een koudwaterverband voor de hoofdpijn en
kijk, hier zijn de medicijnen, die ze moet innemen.”
Geertruid ziet haar verwonderd aan en Jeanne bekijkt een klein
fleschje, waar suikererwtjes in zijn; er staat op: elken avond twee
pillen. Op een poederdoosje staat: om de twee uur een poeder met een
weinig water. Ze vouwt een papiertje open en ziet dat het witte suiker
is. Op een fleschje staat: goed schudden, elken morgen een eetlepel en
dan is er een potje met zalf en een rolletje windsel.
„Hier heb je ook een recept,” zegt Marietje, „akwa pompa, sucria en
stroopia, dat is voor het hoesten; Lorre heeft een hoestkwaal gekregen
toen ze in de beek lag en haar hoofd is een beetje raar, ze droomt zoo
gek en ze heeft een droom aan Lili verteld.”
Jeanne schatert van het lachen, maar Geertruid luistert zoo ernstig en
een beetje angstig. Lili zegt:
„Vind je het niet grappig, Geertruid? zal ik je den droom vertellen?”
„Als je blieft,” zegt Geertruid verlegen.
„Komt meisjes, ga jullie nu mee?” roept Arthur, „de wagen is klaar, kom
Lili, ik zal je wel helpen.”
„Mag Lorre mee?” vraagt Geertruid.
„Zeker,” zegt Lili.
Geertruid neemt de pop heel voorzichtig in haar armen, alsof het haar
kleine broertje was en als ze buiten komen, staat Grootmoeder met den
heer en mevrouw Bantam bij den wagen en helpen er Lili in. Pandoer
staat er ook bij. Daar komt Rika met een mand.
„Ha! de kersen!” juicht Arthur.
„Kan de mand in den wagen staan?” vraagt Rika.
„O ja,” zegt Lili, „hier naast mijn voeten, ik zal haar wel vast
houden.
„Nu kinderen,” zegt Grootmoeder, „ga jullie nu maar vooruit, wij komen
ook.”
Daar gaan ze heen, Constant duwt den wagen, Arthur loopt er voor en
trekt met een stevig touw. Ze gaan door den moestuin, de wagen kan
juist door het hekje en dan zijn ze in den dikken zandweg.
De jongens hebben een zware vracht, de wielen zakken zoo diep in het
zand, maar ze zijn sterk en vol ijver.
Geertruid loopt met Marietje rechts en Jeanne links van den wagen. Het
is heerlijk in het bosch, zoo’n prettige frissche warmte. Aan beide
zijden van den weg zijn hooge walletjes, begroeid met mos, varens en
boschbessen. Dikke boomwortels komen er tusschen uit en onder die
wortels zijn allerlei holletjes van veldmuizen, wezeltjes, konijntjes
en torren.
„Geertruid,” zegt Lili, „laat Lorre goed naar al die holletjes kijken,
dan droomt ze er van.”
„Lorre slaapt, ze is zoo blij dat ze weer bij mij is,” zegt Geertruid.
„Dat wil ik wel gelooven,” zegt Lili lachend, „ik denk dat ze nu wel
gauw beter zal zijn.”
„Hè,” zegt Arthur hijgend, „laten we eens even stil staan, buu! wat heb
ik het warm.”
Hij gooit het touw op den grond en gaat op het walletje zitten. Daar
neemt Pandoer het touw in zijn bek en begint te trekken, Marietje en
Jeanne gaan dadelijk duwen en zie, daar gaan ze, onder luid gejuich van
allen. Maar Pandoer heeft er gauw genoeg van, hij schudt het touw heen
en weer en gooit het in de lucht en daar staan ze, midden in het dikke
zand. De jongens komen bij haar, en allen gaan rondom den wagen op de
walletjes zitten.
„We behoeven ook niet zoo ver te gaan,” zegt Lili, „het is overal mooi
om te zitten. Is Lorre wakker? moet je nu niet zien wat we er aan
gedaan hebben?”
Geertruid komt bij haar staan en Lili neemt Lorre op haar schoot en
doet haar voorzichtig den doek van het hoofd.
„O Jeanne, kijk eens,” zegt Geertruid, „dat is een nieuwe pruik, o wat
een mooie! die andere was al zoo leelijk vóor ze in de beek viel, toen
hebben de muizen er aan geknabbeld.”
„Die pruik heeft Mama gekocht en kijk eens, dit nachtponnetje hebben
Marietje en ik samen gemaakt, zij heeft dat zoompje en die naadjes
gedaan en ik de mouwtjes.”
„Daar had ik geen geduld voor,” zegt Marietje, „hè, zoo’n gepeuter.
Maar het ergste was toch, dat we alles uit haar lijf hebben genomen,
dat waren allemaal harde kluiten, en toen hebben we er nieuwe zemels
ingestopt, voel eens hoe zacht!”
Geertruid kneedt de pop en Lili zegt:
„We hebben de wangen niet geverfd, het is veel natuurlijker dat ze
bleek zijn na zoo’n operatie.”
„Heeft Lorre wezenlijk gedroomd? wat droomde ze?”
„Zal ik het vertellen?”
„Hé ja Li, vertel op, we luisteren,” zegt Arthur.
„Nu dan; Lorre zat op een stoel voor mijn bed en werd beschenen door de
maan en toen verbeeldde ik mij, dat zij hardop droomde. Wat was het
mooi in het water, de golfjes schitterden in de zon boven mijn hoofd,
en heel in de verte, heel hoog, zag ik de blauwe lucht. Zoo’n blauwe
jurk zou ik willen hebben. En tegen de blauwe lucht zag ik de groene
blaadjes van de boomen, ze trilden en knikten tegen mij. En kleine
vischjes zwommen over me heen en watertorren en spinnen, o zoo aardig,
en toen hoorde ik muziek, dat deden de kikkers, die een eindje van mij
af zaten, ze keken mij aan en ik deed de oogen dicht en toen werd het
eerst heel mooi. Ik zag een groot kasteel onder in het water en daar
zwommen zilveren en gouden visschen in en uit. Ik wou het kasteel
binnen gaan, om te zien wie toch die mooie muziek maakte, maar o, wat
schrikte ik! een zwart monster pakte mij beet, trok mij aan mijn jurk
naar boven en legde mij neer op het gras, en toen was ik nat,
druipnat.”
„Dat monster was zeker Pandoer,” zegt Constant.
„Pandoer is nooit een monster,” zegt Arthur, „hij was de redder van
Lorre, het is heel ondankbaar van Lorre om zoo over hem te spreken.”
„Neem het niet kwalijk,” zegt Lili, „het was door den schrik en ze had
zoo graag dat kasteel willen zien.”
„Is er een kasteel onder het water?” vraagt Geertruid.
„Wel neen,” zegt Constant, „alleen als je droomt zie je zulke dingen.”
„Lili bedenkt altijd zulke wonderlijke dingen,” zegt Marietje, „ze
heeft al verscheiden sprookjes bedacht.”
„Wat zijn eigenlijk sprookjes?” vraagt Geertruid.
„Sprookjes zijn leugens,” zegt Constant.
„Hè, wat klinkt dat leelijk,” zegt Arthur, „ik houd veel van sprookjes
en niet van leugens.”
„Zijn het dan geen leugens?”
„Het zijn vertelseltjes van droomen of van dingen, die je in de
verbeelding ziet,” zegt Lili, „en als je een rijke verbeeldingskracht
hebt, kun je je allerlei aardige, grappige en mooie dingen
voorstellen.”
„Ook griezelige en leelijke dingen,” zegt Arthur.
„O ja, maar die zie ik liever niet, ik houd meer van mooie dingen.”
„Ik begrijp niet waar je toch altijd die mooie dingen ziet,” zegt
Arthur, „ik vind het ook wel mooi in het bosch en in den tuin, maar als
je dat een poosje gezien hebt, wen je er aan en dan zie je er niets
geen bijzonders aan.”
„Hè Arthur, hoe kun je dat zeggen, nu praat je bijna als onze
keukenmeid.”
„Hoe dan? wat zegt die?”
„Ik riep haar verleden week om de prachtige lucht te komen zien bij het
ondergaan van de zon, ze stond juist met een poetslap in de hand voor
het fornuis en had niets geen plan om naar buiten te kijken. Anna,
waarom kijk je niet naar de lucht?”
„Och, wat scheelt mij die lucht, mijn fornuis is veel mooier.”
„En wat heb jij toen gezegd Lili?” vraagt Grootmoeder, die juist met
den heer en mevrouw Bantam bij haar is gekomen.
„Toen heb ik haar fornuis bewonderd en gezegd, dat het de zon van de
keuken was, omdat het zoo blonk en toen lachte ze en keek even naar
mijn lieve zon.”
„Komt kinderen,” zegt Grootmoeder, „laten we naar den Heidenschen kuil
wandelen, dat is een prettig plekje om te zitten, daar zullen we kersen
gaan eten.”
Dadelijk nemen de jongens den wagen van Lili ter hand en duwen en
trekken dien door het zware zand. Oom Bantam helpt ook, zelfs Pandoer
moet trekken. Arthur geeft hem het eind van het touw in zijn bek,
Marietje, Jeanne en Geertruid dansen en springen om den wagen heen en
Lili zegt:
„Het volgend jaar zal ik ook rondspringen.”
„Daar is de Heidensche kuil,” zegt Grootmoeder, „daar kun je den wagen
niet inrijden.”
„Nu kan ik er zelf heen loopen,” juicht Lili, „wie helpt mij?”
Allen verdringen zich om haar te helpen, maar Lili steekt de handen
naar haar Vader uit, hij is de sterkste en bij hem voelt zij zich het
veiligst.
Wat is zij dankbaar, dat zij nu haar voeten op den grond kan zetten, op
dat zachte, groene mos en dan weer op het krakende rendiermos, de
knappende, dorre takjes en bladeren, de gladde dennenaalden en de fijne
kiezelsteentjes, alles voelt zij onder haar teedere voeten, die nog
niet gewend zijn aan loopen.
„O Papa, ik ben zoo bang om op de mieren te trappen, voorzichtig, ik
wil ze geen pijn doen.”
„O, ze voelen het niet in het mulle zand, ze geven er niet veel om, ze
loopen ongedeerd verder.”
Ze komen nu in den Heidenschen kuil, heerlijk beschut tegen den wind en
onder de schaduw der boomen. Grootmoeder en Mevrouw Bantam gaan op het
aardige bankje zitten, dat de tuinbaas voor Lili heeft gemaakt onder
een berkeboom, en de anderen laten zich neervallen op de heide en het
mos. De jongens hebben de mand met kersen uit den wagen gehaald en
zetten die bij Grootmoeder neer en elk krijgt een stuk papier op zijn
schoot om voor bord te dienen; Arthur mag aan elk twee handen vol
kersen geven en hij doet zijn best, groote porties te geven en er veel
aan elkaar te laten hangen. Ze zoeken de tweelingen er uit en hangen ze
als oorbellen over hun ooren en Lili maakt een theepot en een poppetje
van een kers.
„Zouden al die pitten hier een volgend jaar opkomen?” vraagt Jeanne.
„Dat zou prettig zijn,” zegt Arthur, „dan gaan we hier later kersen
plukken.”
„Ik denk dat de grond hier te schraal zal zijn voor kerseboomen,” zegt
Grootmoeder, „als ze hier willen groeien zijn ze toch wild, maar dat is
ook wel lekker; je moet ze liever op een vruchtbaar plekje poten.”
„Ja,” zegt Constant, „ik zal er in onzen tuin wat poten.”
„Ik ook,” zegt Geertruid, „en als er kersen aan komen, zal ik een mand
vol aan Lili zenden.”
„Als je blieft,” zegt deze, „en kom je dan zelf mee?”
„Ja, als ik mag.”
„Zou je wel eens bij ons willen komen in de stad?” vraagt Mevrouw
Bantam aan Jeanne en Geertruid.
Beide meisjes krijgen een kleur van blijdschap en zeggen tegelijk:
„Heel graag!”
Ze kijken nu naar alles wat er in den Heidenschen kuil te zien is; de
witte berkenstammetjes, den knoestigen eikenstronk, waarin zeker menig
vogeltje genesteld heeft; de koningsvarens, de heidebloempjes, de
leeuwenbekjes, de thym en dan al die torretjes en spinnetjes en mieren.
Ze volgen die ijverige diertjes op hun tochten en zien, hoe ze een
mierenei tusschen hun pootjes dragen en er mee in de zon loopen om het
te warmen en te koesteren.
„Waarom heet dit de Heidensche kuil?” vraagt Lili.
„Misschien hebben hier vroeger Heidens gehuisd, ik denk dat ze hier hun
vuurtje stookten en een legertje op den grond spreidden van varens en
heidestruiken.”
„En als het dan regende?”
„O, dan kropen ze onder een zeil, of ze maakten een tent, ze wisten
zich wel te redden.”
„Ik wou zoo graag Heidens zien,” zegt Jeanne.
„Vroeger kwamen ze hier dikwijls door het dorp,” zegt Grootmoeder,
„maar ze worden nu over de grenzen gebracht en dat is goed, want het
zijn erge dieven, ze stelen kippen en vruchten en alles wat ze vinden
kunnen, maar zoo’n troepje is wel aardig om te zien.”
Zoo zitten ze nog langen tijd te praten, maar eindelijk wordt het tijd
om naar huis te gaan. Constant en zijn zusjes nemen hartelijk afscheid
en als ze samen naar huis loopen, praten ze over niets anders dan over
de lieve menschen en kinderen met wie ze kennis gemaakt hebben;
Geertruid draagt haar lieve Lorre, die zoo erg ziek is geweest en
Jeanne de medicijnen in de fleschjes en doosjes.