XXXII.

Samenstelling van een schip.--Tweede graanoogst.--Jacht op

Koula's.--Een nieuwe plant even aangenaam als nuttig.--Een

walvisch in zicht.--De harpoen van Vineyard.--De walvisch

wordt geslacht.--Gebruik van de baleinen.--Het einde van

Mei.--Pencroff heeft niets meer te begeeren.

Wanneer Pencroff zich iets in het hoofd had gezet, gunde hij zich

ook geen rust voor dat het ten uitvoer was gebracht. Hij wilde het

eiland Tabor bezoeken, en daar er een vaartuig van zekeren omvang

voor dezen tocht noodig was, moest dat vaartuig ook gebouwd worden.

Welk hout zou men voor het samenstellen van dit schip gebruiken? Olmen-

of dennenhout, dat beide in overvloed op het eiland voorhanden was? Men

bepaalde zich tot het dennenhout, dat wel een weinig "gespleten" is,

maar toch gemakkelijk te bewerken is, en even goed als het olmenhout

aan het water weerstand biedt.

Verder werd overeengekomen dat Cyrus Smith en Pencroff alleen aan het

schip zouden werken, omdat het nog zes maanden zou duren vóor het

zachte jaargetijde weder zou aanbreken. Gideon Spilett en Harbert

bleven jagen, en Nab zou met Jup, zijn trouwe hulp, het huiswerk

blijven verrichten.

Zoodra de boomen uitgezocht waren, werden zij omgehakt en aan planken

gezaagd. Acht dagen later was er tusschen de schoorsteenen en den

rotsmuur een timmerwerf gereed, en zag men reeds eene kiel van vijf

en dertig voet lengte.

Cyrus Smith had niet in den blinde gehandeld bij den nieuwen arbeid

dien hij ondernam. Hij was in den scheepsbouw even goed thuis als

in al dat andere, en hij had eerst het plan van zijn vaartuig op

papier gebracht. Hij werd overigens flink door Pencroff bijgestaan,

die eenige jaren aan een werf te Brooklyn had gewerkt en het vak vrij

goed verstond. Niet dan na rijpe overweging en nauwkeurige berekeningen

ging men aan het werk.

Zoo als men licht begrijpen kan, was Pencroff vol vuur en lust voor

zijn nieuwe onderneming en hij zou haar geen oogenblik hebben willen

opgeven.

Slechts een enkelen dag verliet hij zijn werf voor een anderen

arbeid. Het was voor den tweeden oogst van het koren, die op den

15den April plaats had. Hij was even goed als de vorige geslaagd en

leverde den voorraad graan, die men vooruit berekend had.

"Vijf schepels! mijnheer Cyrus," zeide Pencroff, na nauwkeurig zijn

schat te hebben nagemeten.

"Vijf schepels," antwoordde de ingenieur, "en tegen honderd dertig

duizend graankorrels per schepel, maakt dit zes honderd vijftig

duizend graankorrels."

"Dan zullen wij dezen keer alles zaaien," zeide de zeeman, "behalve

een klein gedeelte voor reserve."

"Ja, Pencroff, en indien de volgende oogst een evenredige hoeveelheid

geeft zullen wij vier duizend schepels hebben."

"En wij zullen brood eten?"

"Wij zullen brood eten."

"Maar daartoe hebben wij een molen noodig."

"Wij zullen een molen maken."

Het derde korenveld werd ontzaglijk veel uitgestrekter dan de twee

eerste en het kostbare zaad werd onder den grond geborgen, die vooraf

goed toegemaakt was. Toen dit geschied was keerde Pencroff naar zijn

werf terug.

Gideon Spilett en Harbert jaagden intusschen in de omstreken en zij

waagden zich dikwijls zeer ver in het nog onbekende gedeelte van het

bosch van 't Verre Westen, maar hunne geweren waren met kogels geladen

en tegen elke kwade ontmoeting berekend. Het was een ondoordringbare

massa van prachtige boomen, die dicht bij elkander gegroeid waren

alsof hun de noodige ruimte ontbroken had. Het was zeer moeielijk om

hier een geregelde verkenning te doen, en de correspondent waagde er

zich nooit in zonder zijn zakkompas mede te nemen; want de zon drong

nauwelijks door dat dichte gebladerte en het zou moeilijk geweest

zijn den weg terug te vinden. Het spreekt van zelf dat het wild ook

zeldzamer op deze plaatsen was, daar het geen ruimte genoeg zou hebben

gehad om zich vrij te bewegen.

In de laatste helft van April werden er echter drie groote plantetende

dieren gedood. Het waren koula's die de kolonisten reeds ten noorden

van het meer gezien hadden, en die zich in hunne domheid lieten

dooden tusschen twee takken, waarop zij een schuilplaats hadden

gezocht. Hunne huiden werden naar het Rotshuis gebracht, waar zij

met behulp van zwavelzuur een soort van looiing ondergingen, die ze

ten gebruike geschikt maakte.

Nog werd op een van deze tochten een zeer kostbare ontdekking gedaan,

die men voor ditmaal aan Gideon Spilett te danken had.

Het was den 30sten April. De twee jagers waren in zuidwestelijke

richting het bosch binnengedrongen, toen de correspondent, die een

vijftig passen voor Harbert liep, bij een plaats kwam, waar de boomen

minder dicht bij elkander stonden en eenige zonnestralen doorlieten.

Gideon Spilett was in het eerst verwonderd over de sterke lucht die

uit zekere planten met rechte stengels opsteeg en veroorzaakt werd

door bloemen, die in trossen groeiden en wier hart uit zeer kleine

korrels bestond. De correspondent plukte een paar van die stengels

en kwam bij den knaap met de woorden:

"Zie eens, wat is dat, Harbert?"

"Waar hebt gij die plant gevonden, mijnheer Spilett?"

"Daar op die open plaats, waar zij in overvloed groeit."

"Nu, mijnheer Spilett," zeide Harbert, "dat is een vondst, waardoor

gij alle recht op de dankbaarheid van Pencroff verkrijgt!"

"Is het dan tabak?"

"Ja, en al is zij niet van de fijnste soort, het is in ieder geval

tabak!"

"Die goede Pencroff! Wat zal hij in zijn schik zijn! Maar hij moet

niet alles oprooken, hoor! Wij moeten er ook ons deel van hebben!"

"Daar valt mij iets in, mijnheer Spilett," antwoordde Harbert. "Laten

wij niets aan Pencroff zeggen, die tabak bereiden en op een mooien

dag hem een gestopte pijp aanbieden!"

"Dat is afgesproken, Harbert, en van dien dag af zal onze vriend

niets ter wereld meer te wenschen hebben!"

De reporter en Harbert namen een goeden voorraad van deze kostbare

plant mede en keerden naar het Rotshuis terug, waar zij hem zoo

voorzichtig binnen smokkelden, alsof Pencroff de strengste douaan

geweest ware.

Cyrus Smith en Nab werden in het vertrouwen genomen en de zeeman

vermoedde niets gedurende al den tijd die er noodig was om de kleine

bladeren te drogen, te hakken en op warme steenen te eesten. Daarvoor

werden twee maanden vereischt; maar al deze bewerkingen konden

geschieden zonder dat Pencroff het bemerkte, want hij had het zoo druk

met zijn schip, dat hij niet in het Rotshuis kwam dan om te slapen.

Eens echter werd hij op den 1sten Mei in zijn geliefkoosde bezigheid

gestoord, door een vischvangst waaraan alle kolonisten moesten

deelnemen.

Sedert eenige dagen had men in zee op twee of drie mijlen van de

kust een groot beest kunnen zien dat om het eiland Lincoln zwom. Het

was een walvisch van de grootste soort, waarschijnlijk tot die der

zuidpoolzeeën behoorende, namelijk tot de "kaap-walvisschen."

"Als wij dien eens te pakken konden krijgen!" riep de zeeman

uit. "Hadden wij maar een bruikbaar schip en een goeden harpoen, dan

zou ik wel zeggen: Laten wij dat beest nazetten, want het is wel de

moeite waard om mee te nemen!"

"Nu, Pencroff," zeide Gideon Spilett, "ik zou je wel eens met een

harpoen aan het werk willen zien. Dat moet merkwaardig zijn!"

"Zeer merkwaardig en niet zonder gevaar," zeide de ingenieur; "maar

daar wij geen wapenen hebben om dit dier aan te vallen, is het onnoodig

dat wij ons met hem bezig houden."

"Het verwondert mij," zeide de correspondent, "op deze breedte een

walvisch te zien."

"Waarom, mijnheer Spilett?" antwoordde Harbert. "Wij zijn juist in dat

gedeelte der Stille Zee, dat de Engelsche en Amerikaansche visschers

het "Walvisschen Gebied" noemen, en juist hier tusschen Nieuw-Zeeland

en Zuid-Amerika komen de meeste walvisschen uit het zuidelijk halfrond

in grooten getale."

"Dat is zeer waar," antwoordde Spilett, "en hetgeen mij het meest

verwondert, is dat wij er nog niet meer gezien hebben. Maar daar wij

ze toch niet kunnen vangen doet het er niet toe!"

Pencroff keerde met een zucht naar zijn werk terug, want elke zeeman

is tevens visscher, en daar het genot van de vangst in verhouding

staat tot de grootte van het dier kan men eenigszins nagaan wat een

walvischvanger gevoelt in de nabijheid van een walvisch.

En was het dan alleen nog maar het genot geweest! Maar men moest

erkennen dat zulk een prooi van zeer veel nut voor de kolonie zou

geweest zijn, want de olie en het vet zouden in velerlei opzicht goed

te pas zijn gekomen!

De walvisch nu scheen het water om het eiland niet te willen

verlaten. Elke beweging van het beest werd door Harbert en Gideon

Spilett, wanneer zij niet op jacht waren, en door Nab, terwijl hij bij

zijn oven stond, nauwkeurig gadegeslagen. Soms kwam het zoo dicht bij

de kust dat men het geheel kon opnemen. Het was inderdaad een walvisch

uit 't zuidelijke halfrond, die geheel zwart ziet en waarvan de kop

meer ingedrukt is dan die uit het noordelijke.

Men zag ook hoe hij door zijn kieuwen tot op groote hoogte stoom of

water uitblies, want--hoe vreemd het ook schijne--de natuurkundigen

en de walvischvangers zijn het daarover nog niet eens. Is het lucht

of is het water dat zoo opgeworpen wordt? Over het algemeen neemt

men aan dat het stoom is, die door de aanraking met de koude lucht

plotseling verdikt wordt en in regen neervalt.

De nabijheid van het zoogdier hield de kolonisten onophoudelijk bezig,

vooral Pencroff, die daardoor in groote mate van zijn werk werd

afgeleid. Eindelijk verlangde hij, als een kind naar een verboden

voorwerp, naar dien walvisch. 's Nachts droomde hij er hardop van en

had hij slechts wapenen gehad om hem aan te vallen, was zijn sloep in

staat geweest zee te houwen, hij zou geen oogenblik geaarzeld hebben

om er jacht op te maken.

Maar hetgeen de kolonisten niet konden doen, deed het toeval voor hen,

en den 3den Mei kondigde een kreet van Nab, die voor het venster van

zijn keuken stond, aan, dat de walvisch op de kust van het eiland

gestrand was.

Harbert en Gideon Spilett, die juist gereed stonden om op jacht te

gaan, legden hunne geweren neer, Pencroff wierp zijn bijl weg, Cyrus

Smith en Nab voegden zich bij hunne metgezellen en allen snelden in

allerijl naar de strandingsplaats.

De walvisch was bij vloed op het strand geworpen, op ongeveer drie

mijlen van het Rotshuis. Het was dus waarschijnlijk, dat hij niet zoo

spoedig meer in zee zou komen. In ieder geval moest men zich haasten

om hem, zoo noodig, elken uitweg af te snijden. De kolonisten gingen

met ijzeren pieken en scherpe wapens over de brug van de Mercy,

langs den rechteroever der rivier, volgden den oever en in minder

dan twintig minuten stonden zij voor het groote dier, waarop reeds

een massa vogels neergestreken waren.

"Welk een monster!" riep Nab uit.

En die uitdrukking was juist, want het was een walvisch van tachtig

voet lang, een reus in zijn soort, die niet minder dan honderd vijftig

duizend pond moest wegen!

Het monsterdier bewoog zich echter niet en trachtte evenmin door

spartelen weder in zee te komen nu het nog vloed was.

De kolonisten begrepen echter spoedig van waar die onbeweeglijkheid

kwam, toen zij bij eb rondom het beest konden loopen.

Hij was dood en er stak een harpoen in de linkerzijde.

"Er zijn dus walvischvaarders in onze nabijheid?" zeide Gideon Spilett.

"Waarom?" vroeg de zeeman.

"Omdat die harpoen er nog in is...."

"Wel, mijnheer Spilett, dat bewijst niets," antwoordde Pencroff. "Het

komt menigmaal voor dat de walvisschen duizenden mijlen afleggen met

een harpoen in het lijf, en deze is misschien in het noorden van den

Atlantischen Oceaan getroffen om in het zuiden van de Stille zee te

sterven, zonder dat men zich daarover moet verwonderen!"

"Maar...." zeide Gideon Spilett, die nog slechts ten halve door

Pencroff overtuigd was.

"Dat is zeer wel mogelijk," bevestigde Cyrus Smith; "maar laten

wij dien harpoen eens van nabij bekijken. Mogelijk hebben de

walvischvaarders den naam van hun schip er op gegraveerd, zooals dit

veelal het gebruik is."

En Pencroff las inderdaad het volgende inschrift op den harpoen,

dien hij uit het lichaam van het dier getrokken had: "Maria-Stella,

Vineyard."

"Een schip van Vineyard! Een schip van mijn land!" riep hij uit. "De

Maria-Stella! een prachtige walvischvaarder, op mijn woord! dien ik

zeer goed ken! Vrienden, een schip van Vineyard, een walvischvaarder

van Vineyard!"

De zeeman zwaaide met den harpoen en herhaalde niet zonder eenige

aandoening dien naam, die hem zeer aan het hart ging, dien naam van

zijn geboorteland.

Maar daar men niet kon verwachten dat de Maria-Stella het dier dat

door haar gedood was, kwam opeischen, besloot men het in stukken te

snijden voordat de ontbinding begon. De roofvogels, die sedert eenige

dagen die rijke prooi bespiedden, wilden zonder dralen er bezit van

nemen en men moest hen met geweerschoten verdrijven.

Pencroff had vroeger op een walvischvaarder dienst gedaan, hij kon

dus het klein hakken van den walvisch leiden--een zeer onaangename

bezigheid, die drie dagen duurde, maar waarvoor geen der kolonisten

terugdeinsde, zelfs Gideon Spilett niet, die, volgens Pencroff,

nog zou eindigen met "een zeer goed schipbreukeling" te worden.

Het spek werd in reepen van twee en een halven voet dikte gesneden,

vervolgens in stukken verdeeld, die ieder ongeveer duizend pond

wogen, deze stukken werden in aarden potten gesmolten, die op de

plaats gebracht werden, waar men het beest aan stukken sneed, want

men wilde de bergvlakte niet met zulk een lucht verpesten;--bij deze

smelting verloor hij een derde van zijn gewicht. Maar men had goeden

voorraad: de tong alleen leverde zes duizend pond olie en de onderlip

vier duizend pond. Behalve het vet, dat voor langen tijd den voorraad

stearine en glycerine waarborgde, had men nog de kieuwen, die zeker ook

wel tot een doel zouden gebruikt worden, hoewel de bewoners van het

Rotshuis regenschermen noch korsetten gebruikten. Het bovengedeelte

van den bek van den walvisch was aan beide zijden voorzien van acht

honderd baleinen, allen zeer buigzaam en aan weerskanten afgepunt

evenals twee groote kammen, waarvan de pooten, die zes voet lang

zijn, dienen om de duizende onzichtbare diertjes, kleine vischjes en

schelpdieren, waar de walvisch zich mee voedt, vast te houden.

Toen deze bewerking tot groote voldoening van de kolonisten afgeloopen

was, liet men de rest van het beest aan de vogels over, die het tot

de laatste stukjes deden verdwijnen, en het dagelijksch werk van het

Rotshuis werd hervat.

Voordat Cyrus Smith echter naar zijn werf terugkeerde, kwam hij op

het denkbeeld om een soort van wapen te vervaardigen dat in hooge

mate de nieuwsgierigheid van zijn metgezellen opwekte. Hij nam een

twaalftal baleinen, die hij in zes gelijke deelen sneed en aan de

uiteinden scherpte.

"En dat zal dienen, mijnheer Cyrus," vroeg Harbert, toen Smith daarmede

gereed was, "dat zal dienen?...."

"Om wolven, vossen en zelfs jaguars te dooden," antwoordde de

ingenieur.

"Nu?"

"Neen, dezen winter, wanneer de vorst is ingevallen."

"Dat begrijp ik niet.. .." antwoordde Harbert.

"Ge zult het weldra begrijpen, mijn jongen," antwoordde de

ingenieur. "Dit wapen is geen uitvinding van mij. Het wordt zeer

veel gebruikt door de jagers in russisch Amerika. Wanneer het vriest,

zal ik deze baleinen buigen en met water begieten, totdat zij geheel

met een ijskorst bedekt zijn en daardoor gekromd blijven, wij zullen

ze op de sneeuw leggen, nadat ze vooraf onder een laag vet zijn

verborgen. Wat zal er gebeuren wanneer een van deze uitgehongerde

dieren dit lokaas verslindt? De warmte van zijn maag zal het ijs doen

smelten, het moordtuig zal zich ontspannen en met zijn scherpe punten

in het vleesch dringen."

"Dat is goed bedacht!" riep Pencroff uit.

"En zal kruit en kogels besparen," antwoordde Cyrus Smith.

"Dat is nog beter dan vallen!" voegde Nab er bij.

"Laten wij den winter afwachten!"

"Goed, wij zullen den winter afwachten."

Het schip vorderde goed en tegen het einde van de maand was het ten

halve gereed.

Pencroff werkte voorbeeldeloos hard, en slechts zulk een sterke

gezondheid als de zijne was tegen die vermoeienis bestand; maar zijn

lotgenoten bereidden hem in stilte een belooning voor zooveel moeite,

en den 31sten Mei zou voor hem een van de schoonste dagen van zijn

leven zijn.

Toen hij dien dag, na afloop van het middagmaal, de tafel wilde

verlaten, voelde Pencroff een hand op zijn schouders drukken.

Het was de hand van Gideon Spilett, die tot hem zeide:

"Een oogenblik, Pencroff, zoo gaat men niet heen! Gij vergeet het

dessert."

"Dank je, mijnheer Spilett," antwoordde de zeeman, "ik ga aan mijn

werk."

"Geen kopje koffie, vriend?"

"Volstrekt niet."

"Een pijp dan?"

Pencroff was plotseling opgestaan en zijn goedig breed gelaat

verbleekte, toen de reporter hem een gestopte pijp aanbood en Harbert

een gloeiende kool.

De zeeman wilde een woord uitbrengen, maar dat gelukte hem niet. Hij

vatte de pijp en bracht haar aan zijn lippen; vervolgens legde hij

ze tegen het kooltje en deed vijf of zes lange trekken.

Een blauwe geurige rookwolk steeg op en achter die dikke wolk hoorde

men de verrukte stem van den zeeman, die herhaalde:

"Tabak! echte tabak!"

"Ja, Pencroff," antwoordde Cyrus Smith, "en waarlijk uitmuntende

tabak."

"O! Goddelijke Voorzienigheid! Geheiligde Schepper van alle

dingen!" riep de zeeman uit. "Er ontbreekt nu niets meer aan ons

eiland!"

En Pencroff rookte, rookte, rookte!

"En wie heeft hem ontdekt?" vroeg hij eindelijk. "Gij zeker, Harbert?"

"Neen, Pencroff, mijnheer Spilett."

"Mijnheer Spilett!" riep de zeeman uit, terwijl hij den correspondent

in zijn armen sloot, zoo stevig, dat hij naar adem hijgde.

"Heila! Pencroff," antwoordde Spilett, terwijl hij weer een weinig

bijkwam. "Een deel van uw dankbaarheid komt Harbert toe, die de plant

herkend heeft, en Cyrus, die haar heeft bereid, en Nab, dien het zeer

veel moeite gekost heeft ons geheim te bewaren!"

"Op mijn woord, vrienden, eens zal ik het u vergelden!" antwoordde

de zeeman. "Nu ben ik tot in den dood de uwe!"

Het Geheimzinnige Eiland De Luchtschipbreukelingen · 第 36 / 37 题