Het avondeten.--Een slechte nacht.--Vreeselijke
storm.--Nachtelijke tocht.--Strijd met regen en wind.--Op
acht mijlen van het eerste kamp.
Spoedig hadden zij eenige vogels geplukt en zorgde Pencroff voor een
meer versterkend maal. Tegen den nacht zette de storm weder op. De zee
klotste met geweld tegen de rotsen en een zware regenbui viel als een
dikke mist neer. Hieraan moest men het wegblijven van Nab toeschrijven,
die ongetwijfeld een nachtverblijf in een rots gevonden had.
Men besloot dan ook, zich niet verder over hem ongerust te maken en
elk zocht zijn hoekje van den vorigen nacht weder op.
Ondanks het geloei van den storm was Pencroff, die zich aan alle
weer gewend had, in slaap gevallen. Gideon Spilett alleen was door
de onrust, die hij omtrent Nab koesterde, wakker gebleven.
Het was ongeveer twee uur 's nachts toen Pencroff, die in een diepen
slaap gedompeld was, plotseling wakker werd geschud.
"Wat is er?" vroeg hij, en terwijl hij ontwaakte was hij met de
vlugheid van geest, die den zeeman eigen is plotseling weder geheel
op de hoogte van den toestand.
De reporter stond naast hem en zeide:
"Luister Pencroff, luister."
De zeeman luisterde aandachtig, maar geen enkel geluid dan het loeien
van den storm trof zijn oor.
"Het is de wind," zeide hij.
"Neen," antwoordde Gideon Spilett, terwijl hij opnieuw luisterde,
"ik meen iets gehoord te hebben...."
"Wat dan?"
"Het blaffen van een hond!"
"Een hond!" riep Pencroff uit, terwijl hij overeind sprong.
"Ja,.... blaffen...."
"Het is onmogelijk!" antwoordde de zeeman. "En buitendien, hoe zou
het kunnen, bij het loeien van den storm...."
"Wacht.... Hoor dan zelf," zeide Spilett.
Pencroff luisterde nog oplettender, en meende nu ook geblaf in de
verte te hooren.
"Nu!...." zeide de reporter, terwijl hij de hand van den zeeman
vastgreep.
"Ja, ja!...." antwoordde Pencroff.
"Het is Top! Het is Top!...." riep Harbert uit, die ook ontwaakt was
en alle drie snelden naar den ingang der schoorsteenen.
Met moeite konden zij buiten komen; de wind hield hen tegen, maar
eindelijk toch slaagden zij, en konden zij zich, door zich aan de
rotsen vast te klampen, staande houden.
Het was stikdonker. Eenige oogenblikken stonden de correspondent en
zijn vrienden stil, als vastgenageld door den storm, doornat van den
regen en verblind door het zand. Eindelijk hoorden zij weder blaffen,
en bemerkten zij, dat het geluid nog verre van hen verwijderd was. Geen
ander dan Top kon het wezen! Maar was hij alleen! Het waarschijnlijkste
was dat hij alleen was, want zoo Nab zich bij hem bevond, zou hij
wel naar de schoorsteenen geijld zijn.
De zeeman drukte de hand van Spilett, daar deze hem niet verstaan kon;
en hiermede gaf hij te kennen:
"Wacht!" en daarop ging hij weder naar binnen.
Een oogenblik later kwam hij met een brandenden takkenbos terug,
zij wierpen dien in de duisternis, terwijl zij een schel gefluit
lieten hooren.
Dit teeken scheen verwacht te zijn; dit mocht men ten minste gelooven,
want het werd weder door een geblaf beantwoord en weldra zagen zij
een hond de schoorsteenen binnen snellen. Pencroff, Harbert en Gideon
Spilett volgden hem.
Zij wierpen eenig droog hout op het vuur. Een helder licht verspreidde
zich in de duisternis.
"Het is Top!" riep Harbert uit.
Het was inderdaad Top, de hond van den ingenieur Cyrus Smith. Maar
hij was alleen! Noch zijn meester, noch Nab vergezelde hem!
Hoe had zijn instinct hem naar de schoorsteenen geleid, die hij
volstrekt niet kende. Dit was hun onbegrijpelijk, vooral in deze
duisternis en met zulk een hevigen storm! Maar wat zij nog minder
konden verklaren was dat Top volstrekt niet vermoeid noch uitgeput
scheen en zelfs geen slijk of zand aan zijn pooten had!
Harbert had hem naast zich genomen en omvatte zijn kop met beide
handen. De hond liet hem rustig begaan.
"Wanneer de hond teruggevonden is, zullen wij den meester ook
weervinden," zeide Spilett.
"Ik hoop het!" antwoordde Harbert. "Kom, laten wij voortgaan, Top
zal ons geleiden!"
Pencroff maakte geen tegenwerpingen. Hij begreep dat de terugkomst
van Top zijn voorgevoel logenstrafte....
"Vooruit!" zeide hij.
Eerst legde hij nog eenige blokken hout op het vuur en daarop
vertrokken zij allen, voorafgegaan door den hond, die zich eerst nog
aan de overblijfselen van het avondmaal te goed had gedaan.
De storm had toen zijn toppunt bereikt en daar het nieuwe maan was,
dus geen straaltje licht op de aarde viel, moesten zij geheel op het
instinct van Top vertrouwen. De correspondent en Harbert volgden hem,
en Pencroff sloot den stoet. Het was hun onmogelijk een woord te
wisselen, daar de regen te veel gedruisch maakte.
Eindelijk kwamen zij achter de rotsen en waren zij dus voor een groot
gedeelte tegen den wind beschut. Harbert en Spilett stonden stil om
adem te halen. Nu konden zij elkaar verstaan en antwoorden en toen
Harbert den naam van Cyrus Smith uitsprak, blafte Top, alsof hij
zeggen wilde, dat zijn meester gered was.
"Gered, nietwaar?" herhaalde Harbert, "gered Top?"
En de hond blafte als om te antwoorden.
Tegen vier uur in den morgen hadden zij ongeveer vijf mijlen
afgelegd. Het weer helderde langzamerhand op; maar thans hadden
zij meer van de koude te lijden, daar hun kleeren volstrekt niet
dik genoeg waren; maar geen klacht ontsnapte aan hun lippen. Zij
waren vast besloten het verstandige dier te volgen, waar het hen ook
brengen mocht.
Tegen zes uur was het klaar dag. De matroos en zijn vrienden waren
toen ongeveer zes mijlen van de schoorsteenen verwijderd. Zij waren
thans op een vlakke kust; aan hun linkerzijde verhief zich een keten
van rotsen, waarvan de toppen alleen boven de zee uitstaken, wanneer
het vloed was; hier en daar zag men eenige boomen. Op verren afstand
strekte zich de zoom van het laatste bosch uit.
Op dit oogenblik blafte de hond weder, maar veel gejaagder. Hij liep
heen en weer en snelde naar den matroos en smeekte hem als het ware
zijn schreden te verhaasten. De hond sloeg den weg naar de duinen in.
Men volgde hem. Het land scheen geheel verlaten te zijn. Geen levend
wezen was er te bespeuren. Vijf minuten later stond Top voor een hol
stil en begon heftig te blaffen. Harbert, Pencroff en Spilett drongen
er binnen.
Nab lag daar naast een lichaam geknield, dat op eenige droge kruiden
was uitgestrekt. Het was het lichaam van den ingenieur Cyrus Smith.