I.

De orkaan van 1865.--Stemmen in de lucht.--Een luchtballon

door een windhoos medegesleept.--De ballon gescheurd.--Niets

dan de zee voor oogen.--Vijf reizigers.--Wat in het schuitje

gebeurt.--Een kust aan den horizon.--Ontknooping van het drama.

"Stijgen wij!"

"Neen! Integendeel! Wij dalen!"

"En erger dan dat, mijnheer Cyrus! Wij vallen!"

"Werp dan in 's hemels naam allen ballast over boord!"

"Daar gaat de laatste zak!"

"Stijgt de ballon thans?"

"Neen!"

"Het is of ik het klotsen der golven hoor."

"De zee is onder het schuitje!"

"Zij is hoogstens vijf honderd voet beneden ons!"

Daarop doorkliefde een krachtige stem de lucht met de woorden:

"Alles wat gewicht heeft over boord!.... alles! werp alles over boord

en Gode bevolen!"

Dit was het bevel dat gegeven werd boven de onmetelijke uitgestrektheid

der Stille Zee, tegen vier uur in den avond van den 23sten Maart 1865.

Ieder herinnert zich zeker nog den vreeselijken storm, die uit het

noordoosten woei bij de dag- en nachtevening van dat jaar, terwijl

de barometer zevenhonderd en tien millimeter daalde. Het was een

orkaan zonder tusschenpoozen, die van den 18den tot den 26sten

Maart duurde. Vreeselijk waren de verwoestingen die hij aanrichtte

in Amerika, Europa en Azië over een streek van achttienhonderd

mijlen breedte, die zich schuin over de evennachtslijn uitstrekte,

van de vijfendertigste noordelijke, tot de veertigste zuidelijke

parallel! Geheele steden werden omvergeworpen; wouden ontworteld;

oevers door bergen van water verwoest, opgezweept als bij het hoogste

springtij; schepen op de kust geslingerd, die door het _Bureau

Veritas_ bij honderden werden aangeteekend; gansche landen werden

gelijk gemaakt door de hoozen, die alles op haar weg verbrijzelden:

duizenden menschen vielen verpletterd ter aarde of werden door de

zee verzwolgen: dit waren de slachtoffers van de woede, waarvan deze

orkaan de geduchte sporen achterliet. De rampen overtroffen verre die,

welke op zoo schrikbarende wijze Havanna en Guadeloupe verwoestten,

de eene den 25sten October 1810 en de andere 26 Juli 1825. Maar op

hetzelfde oogenblik dat deze onheilen op aarde en op zee voorvielen,

was de lucht het tooneel van een niet minder schrikwekkend schouwspel.

Een ballon, als een bal op den top van een hoos, en in de draaiende

beweging van de luchtzuil medegesleept, doorkliefde de ruimte met een

snelheid van negentig mijlen in het uur, om zijne as rondwentelende

alsof hij door een draaikolk in de lucht was gegrepen.

Onder den ballon werd het schuitje heen en weder gezweept met zijn

vijf reizigers, die ternauwernood zichtbaar waren te midden van de

dichte dampen, vermengd met het schuim, dat van de oppervlakte der zee

zich verhief. Van waar kwam die luchtballon, thans een speelbal van den

vreeselijken storm? In welk gedeelte der wereld was hij opgegaan? Zeker

had hij niet gedurende den orkaan kunnen opstijgen. Nochthans de

orkaan woedde reeds vijf dagen, en de eerste verschijnselen hadden

zich den 18den voorgedaan. Men moest hieruit dus wel opmaken, dat

die ballon van zeer verre kwam, want hij had toch niet minder dan

twee duizend mijlen in de vierentwintig uur moeten afleggen?

In elk geval hadden de reizigers geen enkel middel tot hun beschikking

om den weg, dien zij sedert hun vertrek hadden afgelegd, te schatten,

daar zij niets tot maatstaf bezaten. Zelfs deed het zonderlinge

geval zich voor, dat toen zij in het hevigst van den storm waren,

zij er niets van gevoelden. Ook werd hun het gezicht benomen door den

zwaren mist, die zich onder het schuitje samenpakte. Om hen heen was

niets dan nevel en damp, en de wolken waren zelfs zoo ondoorschijnend,

dat zij bijna niet konden gewaar worden of het nacht of dag was.

Geen enkele lichtstraal, geen enkel teeken van leven uit de bewoonde

wereld, noch het klotsen der golven van den Oceaan konden hen in die

onmetelijke duisternis bereiken, zoolang zij in die hooge luchtstreek

waren. Slechts hun plotselinge daling had hen bekend gemaakt met het

gevaar dat zij boven de golven dreven.

Maar zoodra de ballon vrij was van alle zware voorwerpen, zoo als

ammunitie, wapenen en levensmiddelen, was hij terstond gestegen

in hoogere luchtlagen tot een hoogte van vier duizend vijf honderd

voet. De reizigers hadden, zoodra zij bemerkten dat de zee onder hun

schuitje was, en zij het minder gevaarlijk in de hoogte dan wel in de

laagte achtten, niet geaarzeld alle voorwerpen, zelfs de onmisbaarste,

over boord te werpen, want hun eenigste zorg was niets te verliezen

van die vloeistof, de ziel van hun toestel, die hen boven den afgrond

hield.

De nacht ging onder de vreeselijkste angsten voorbij en zeker zou

hij voor minder krachtige mannen doodelijk zijn geweest. Eindelijk

brak de dag aan, en met den dag, was het of de orkaan in hevigheid

was afgenomen. Reeds bij het begin van den 27sten Maart waren er

eenige voorteekenen van kalmte te bespeuren. Bij het aanbreken van

den dageraad waren de wolken lichter geworden en weder naar hoogere

luchtstreek gestegen, en binnen eenig uren was de hoos geëindigd en

brak de zon door.

Op dit oogenblik wierpen de reizigers de laatste voorwerpen, die

het schuitje bezwaarden, in zee, zelfs de weinige nog overgebleven

levensmiddelen, en een van hen had zich opgeheschen naar den ring waar

alle touwen bijeenkwamen, om het schuitje vaster aan den binnensten

toestel van den ballon te hechten.

Blijkbaar konden zij den ballon niet meer in de hooge luchtstreek

houden en ontbrak het hun aan gas!

Zij waren dus verloren!

Inderdaad bevonden zij zich noch boven het vasteland, noch boven een

eiland. Op die geheele uitgestrektheid was geen enkel stuk grond,

zelfs geen zandbank te bespeuren, of eenige harde oppervlakte waar

zij hun anker konden laten vallen.

Toch moesten zij dalen, want zij konden niet verhinderen, dat het

gas door een opening in den toestel ontsnapte; zoo, vóór dat de nacht

inviel, geen land te zien was, zouden de luchtreizigers, het schuitje

en de ballon ongetwijfeld door de golven verzwolgen zijn.

Het eenige wat hun nog te doen stond, werd door hen gedaan.

Zeker is het dat de reizigers moedige mannen waren, die den dood in

het aangezicht durfden zien. Geen klacht kwam over hun lippen. Zij

waren besloten tot het laatste oogenblik te strijden, alles te doen

om hun val te vertragen.

Het schuitje bestond slechts uit een mand van teenen gevlochten,

volstrekt niet in staat te drijven, en er was geen mogelijkheid om

het op de oppervlakte der zee te houden, wanneer het viel.

Tegen twee uur was de ballon nauwelijks vier honderd voet van de

golven verwijderd.

Op dat oogenblik klonk een stentor-stem, waaruit niet de minste angst

sprak. En zijn woorden werden op even krachtigen toon beantwoord.

"Is alles er uit geworpen?"

"Neen! Er zijn nog tweeduizend dollars goud geld!" Terstond daarop

werd een zware zak door de golven verzwolgen.

"Stijgt de ballon?"

"Een weinig; maar hij zal spoedig weer dalen!"

"Wat is er nog over, dat uitgeworpen kan worden?"

"Niets!"

"Toch wel!.... De schuit!"

"Laten wij ons aan het net vasthouden! En werpt de schuit in zee!"

Dit was inderdaad het eenige en laatste middel om den ballon lichter

te maken.

De touwen, die het schuitje aan den ballon bevestigden, werden

losgesneden en plotseling steeg hij twee duizend voet.

De vijf reizigers hadden zich in het net geheschen en staarden in

den afgrond.

De stijging door het lossnijden van de schuit veroorzaakte duurde

slechts een zeer korten tijd, want al spoedig begon de ballon, door

het ontsnappen van het gas, weder te dalen.

De reizigers hadden alles gedaan wat zij doen konden, en hun restte

nu niets anders dan zich aan God over te geven.

Ten vier ure was de ballon gedaald tot vijfhonderd voet boven de

oppervlakte der zee.

Eensklaps begon de hond, die zich naast zijn meester in het net had

gewrongen, te blaffen.

"Top heeft iets gezien!" riep een der luchtvaarders uit. Daarop klonk

onmiddellijk een krachtige stem over de uitgestrekte wateren:

"Land! Land!"

De ballon werd door den wind altijd in een zuidwestelijke richting

gedreven en had sedert het opkomen van de zon een aanmerkelijken

afstand afgelegd; inderdaad zag men nu in die richting een vrij hoog

land. Maar het was nog dertig mijlen onder den wind. Een uur zou er

noodig zijn om het te bereiken, zoo men tenminste niet afdreef. Een

uur! Zou de ballon in dien tijd niet al zijn gas verloren hebben?

Maar, weldra was het duidelijk dat de ballon niet verder kon.

Hij scheerde de oppervlakte der zee. Reeds bereikte het schuim der

golven het onderste gedeelte van het net; hij ging hoe langer zoo

langzamer en weldra kon hij zich bijna niet meer oprichten en was een

aangeschoten vogel gelijk. Een half uur later was het land nog maar op

een mijl afstand, maar de ballon was nagenoeg ledig, slap, vol plooien

en slechts in het bovenste gedeelte was er nog gas aanwezig. Zelfs de

reizigers, die aan het net hingen, waren te zwaar, en spoedig half in

zee gedompeld moesten zij met de woedende golven strijden. Er kwam een

deuk in den ballon, de wind drong er binnen en blies hem voorwaarts

als een schip, dat den wind achter heeft. Misschien zouden zij op

deze wijze de kust nog bereiken! Zij waren geen twee kabel-lengten er

van verwijderd, toen een doordringende kreet de lucht doorkliefde. De

ballon, die zich niet meer scheen te kunnen opheffen, kreeg plotseling

een onverwachten schok, nadat een krachtige golf hem had getroffen. Het

was alsof hij weder van een zwaren last ontheven was en hij steeg tot

een hoogte van vijftienhonderd voet. Twee minuten later viel hij op

het zand der kust, buiten het bereik der golven. De reizigers maakten

elkaar los uit de mazen van het net. De ballon, bevrijd van zijn last

werd door den wind opgenomen en als een gewonde vogel, die nog een

oogenblik zijn krachten voelt herleven, verdween hij in het luchtruim.

Het schuitje had vijf passagiers gehad met een hond, en de ballon

wierp er slechts vier op de kust. De reiziger, die ontbrak, was

zeker door dien golfslag verzwolgen en hierdoor was de zware ballon

in staat geweest voor de laatste maal te stijgen, en daarop, eenige

oogenblikken later, het land te bereiken.

Nauwelijks hadden de vier schipbreukelingen, zooals men hen noemen kan,

voet aan wal gezet, of allen, aan den afwezige denkende, riepen ze uit:

"Misschien tracht hij met zwemmen de kust te bereiken! Laten wij

hem redden!"

Het Geheimzinnige Eiland De Luchtschipbreukelingen · 第 5 / 37 题