Engel, M., engelen. Engeltje, O., -jes
Engelachtig, -achtiger, -achtigst.
Engelbewaarder, M., -bewaarders.
Engelenbak, M., -bakken.
Engelengeduld, O.
Engelenkoor, O., -koren.
Engelenschaar, V., -scharen.
Engelenzang, M.
Engelsch.
Engelsch, O.
Engelzoet, O.
Engerling, M., engerlingen.
Engheid, V.
Engte, V., engten.
Woordenlijst voor de spelling der Nederlandsche Taal Met aanwijzing van de geslachten der naamwoorden en de vervoeging der werkwoorden · 第 26 / 49 题