En trots hunnen angst, zochten zij elkaâr des te vaker, zich voelende
samen verbonden door een nu onbreekbare samenvoeging. Des middags sloop
hij in hare kamer, en trots hunnen angst, omhelsden zij elkander woest
en bleven dan dicht bij elkaâr.
—Het moet onzin zijn, Léonie.... fluisterde hij.
—Ja, maar wat is het dan, fluisterde zij terug. Ik heb toch het gekerm
gehoord, en den steen hooren suizen door de lucht....
—En dan....
—Wat?
—Als het iets is.... stel, dat het iets is, dat wij niet verklaren
kunnen.
—Maar ik geloof er niet aan!
—Maar ik nog minder.... Maar alleen....
—Wat?
—Als het iets is.... àls het iets is, dat wij niet kunnen verklaren,
dan....
—Dan wat?
—Dan is.... het.... niet om ons! fluisterde hij bijna onhoorbaar. Oerip
zei het immers zelf. Dan is het om papa!
—Ach, maar het is te dwaas....
—Ik geloof ook niet aan dien onzin.
—Het kermen.... dat is van beesten.
—En die steen.... moet gegooid zijn door een ellendeling.... een van de
bedienden, een vent, die zich aanstelt.... of is omgekocht....
—Omgekocht? Door wien?
—Door.... den.... Regent....
—Ach Theo!
—Oerip zei, het gekerm kwam aan van de Kaboepaten....
—Wat meen je?!
—En dat zij van daar uit papa plagen wilden...
—Plagen?
—Omdat de Regent van Ngadjiwa was ontslagen.
—Zei Oerip dat....?
—Neen, neen, dat zei ze niet. Dat zeg ik. Oerip zei, dat de Regent
tooverkracht had. Dat is natuurlijk onzin. Die kerel is een
lammeling.... Hij heeft lui omgekocht.... om papa te treiteren.
—Maar papa merkt er niets van....
—Neen.... We moeten het hem ook niet zeggen.... Dat is het beste.... We
moeten het niëeren.
—En de witte hadji, Theo, dien Doddy tweemaal gezien heeft.... En als
ze bij Van Helderen tafel laten dansen, ziet Ida hem ook....
—Ach, natuurlijk ook een handlanger van den Regent....
—Ja, dat zal het wel zijn.... Maar het is toch ellendig, Theo.... Mijn
Theo, ik ben bang!
—Voor dien onzin! Kom!
—Als het iets is, Theo.... dan is het niet om ons?
Hij lachte.
—Ach wat! Om ons! Het is voor-den-gek-houderij.... van den Regent....
—Wij moesten niet meer samen komen....
—Jawel, ik hoû van je, ik ben dol op je.
Hij zoende haar razend en zij waren beiden bang. Maar hij blageerde.
—Kom, Léonie, wees niet zoo bijgeloovig....
—Als kind vertelde mijn baboe mij....
Zij fluisterde aan zijn oor een verhaal. Hij werd bleek.
—Ach, wat een onzin, Léonie!
—Er zijn vreemde dingen, hier, in Indië.... Als ze wat begraven van je,
een zakdoek of een stukje haar.... dan kunnen ze.... met alleen
bezweringen.... maken, dat je ziek wordt en wegkwijnt, en sterft....
zonderdat éen dokter vermoedt wat de ziekte is....
—Dat is ònzin!
—Dat is heusch waar!
—Ik wist niet, dat je zoo bijgeloovig was!
—Ik heb er vroeger nooit aan gedacht. Ik denk er nu eerst aan, den
laatsten tijd.... Theo, zoû er iets zijn?
—Er is niets.... dan elkaâr te zoenen.
—Neen Theo.... wees stil, doe niet. Ik ben bang.... Het is al laat. Het
wordt zoo gauw donker. Papa is al op, Theo. Ga nu weg, Theo.... door
het boudoir. Ik wil gauw mijn bad nemen. Ik ben tegenwoordig bang als
het donker wordt.... Met die regens is er geen schemering.... Het
overvalt je in eens, de avond.... Verleden had ik geen licht in de
badkamer laten brengen.... en toen was het er al zoo donker.... om half
zes.... en twee kamprets [56] vlogen er rond; ik was zoo bang, dat ze
in mijn haar zouden vast gaan zitten.... Stil.... is dat papa....?
—Neen.... Dat is Doddy.... die speelt met haar kakatoe.
—Ga nu weg, Theo.
Hij ging, door het boudoir, wandelde den tuin in. Zij stond op, sloeg
een kimono om over den sarong, dien zij maar los geknoopt onder de
armen droeg en riep Oerip.
—Bawa barang mandi! [57]
—Kandjeng....!
—Waar ben je, Oerip?
—Hier, Kandjeng....
—Waar was je....?
—Hier voor uw tuindeur, Kandjeng.... Ik wachtte! zei de meid, met
beteekenis, meenende, dat zij wachtte tot Theo weg was.
—Is de Kandjeng Toean al op?
—Soeda,.... heeft al gebaad, Kandjeng.
—Breng dan mijn badgoed.... Steek het lampje aan, in de badkamer....
Verleden was het lampeglas er gebroken, en het lampje niet gevuld....
—De Kandjeng baadde vroeger ook nooit met licht....
—Oerip.... is er van middag.... iets.... gebeurd?
—Neen.... alles was kalm.... Maar ach, als de avond valt.... Alle
bedienden zijn bang, Kandjeng.... De kokkie wil niet meer blijven.
—Ach, wat een soesa.... Oerip, beloof haar vijf gulden.... prezent....
als zij blijft....
—Ook de spen is bang, Kandjeng....
—Ach, wat een soesa.... Ik heb nooit zooveel soesa gekend, Oerip....
—Neen, Kandjeng.
—Ik heb altijd mijn leven zoo goed kunnen regelen.... Maar dit zijn
dingen....!
—Apa bolè boeat, Kandjeng! [58]... De dingen, machtiger dan de
mensch....
—Zouden het heusch geen loeaks zijn.... en een kerel, die gooit met
steenen?
—Massa, Kandjeng.
—Nu.... breng maar mijn badgoed.... Vergeet niet het lichtje op te
steken....
De meid ging. Het begon al duister te zeven uit de met regen befloersde
lucht. Doodstil lag het groote rezidentie-huis in den nacht van zijn
reuze-waringins. En de lampen waren nog niet ontstoken. In de
voorgalerij, alleen, dronk Van Oudijck thee, liggende op een rieten
stoel, in nachtbroek en kabaai.... In den tuin hoopten zich de dikke
schaduwen op, als waden van onstoffelijk fluweel, die zwart neêrvielen
uit de boomen.
—Toekan lampoe! [59] riep Léonie.
—Kandjeng!
—Steek toch de lampen op! Waarom begin je zoo laat? Steek het eerst op
de lamp in mijn slaapkamer....
Zij ging, naar de badkamer.... Langs de lange rei der goedangs en
bediendenkamers, die den achtertuin afsloot, ging zij. Zij zag op naar
de waringins van wiens hoogste takken zij verleden gehoord had het
gekerm der zieltjes. De takken bewogen niet, geen adem van wind
suizelde, de lucht was beklemmend zwoel van dreigenden onweêrregen,
regen, te zwaar om te vallen. In de badkamer, ontstak Oerip het
lichtje.
—Heb je alles gebracht, Oerip?
—Saja, Kandjeng....
—Heb je niet vergeten den grooten flacon met de witte ajer-wangi? [60]
—Ini apa [61], Kandjeng?
—Nu, dan is het goed.... Geef mij voortaan toch een fijneren handdoek
voor mijn gezicht. Ik zeg je altijd een fijnen handdoek te geven. Ik
hoû niet van die grove....
—Ik zal er even een halen.
—Neen, neen! Blijf hier, blijf zitten voor de deur....
—Saja, Kandjeng....
—Zeg, je moet door een toekan-besie [62] de sleutels hier laten
nazien.... We kunnen de badkamer niet sluiten... Dat is toch te gek,
als er logés zijn...
—Ik zal er morgen aan denken.
—Vergeet het niet...
Zij sloot de deur. De meid hurkte neêr voor de gesloten deur, geduldig,
lijdzaam, onder de kleine en de groote dingen van het leven, alleen
kennende trouw aan hare meesteres, die haar mooie sarongs gaf en
zooveel voorschot als zij wilde.
In de badkamer schemerde het kleine nikkelen lampje aan den wand over
het groenige marmer van den nattigen vloer, over het water, dat
boordevol stond in het gemetselde vierkante bassin.
—Ik zal ’s middags maar vroeger baden! dacht Léonie.
Zij ontdeed zich van kimono en sarong; en, naakt, zag zij even in den
spiegel hare silhouet van melkige molligheid, de rondingen van een
vrouw van veel liefde. Het blonde haar goudde zich, en een parelglans
droop van hare schouders over haar hals en verschaduwde weg tusschen
hare kleine ronde borsten. Zij hief hare haren op, zich bewonderend,
bestudeerend, of een rimpel zich plooide, aanvoelende of hard haar
vleesch was. Hare eene heup welfde zich, daar zij steunde op het eene
been en een lange lijn van blank aangelichte golving bootste streelend
langs dij en knie, vloeiende weg bij de wreef van haar voet... Maar zij
schrikte op in die studie van bewondering: zij wilde zich haasten. Snel
wrong zij hare haren samen en wreef zij zich in met een schuim van
zeep, en nemende de gajong [63], stortte zij het water over zich uit.
In lange vlakke stralen viel het zwaar van haar neêr, en als marmer
glansde zij, gepolijst op schouders, borst en heupen, in het licht van
het kleine lampje. Nog meer wilde zij zich haasten, opziende naar het
venster of de kamprets weêr binnen zouden vliegen... Ja, zij zoû
voortaan zich toch vroeger baden. Buiten was het al nacht. Zij droogde
zich schielijk, in een ruwen handdoek. Zij wreef zich even, vlug, met
de witte zalf, die Oerip altijd bereidde, haar toovermiddel van jeugd,
lenigheid, harde blankheid. Op dit oogenblik zag zij op haar dij een
klein rood spatje. Zij lette er niet op, denkend aan iets in het water,
een blaadje, een dood insect. Zij wreef het af. Maar zich wrijvend, zag
zij op haar borst twee, drie grootere spatjes, donker vermillioen. Zij
werd plotseling koud, niet wetend, niet begrijpend. Weêr wreef zij zich
af; en zij nam den handdoek, waar de spatjes al achterlieten iets
viezigs als van dik bloed. Een rilling huiverde over haar van hoofd tot
voeten. En plotseling zag zij. Uit de hoeken van de badkamer, hoe, en
vanwaar zag zij niet, kwamen de spatjes aan, eerst klein, nu grooter,
als uitgespogen door een kwijlenden sirih-mond. Stervenskoud gaf zij
een gil. De spatten, dikker, werden vol, als purperen kwalsters
uitgespogen, tegen haar aan. Haar lichaam was vuil bezoedeld met een
groezelig, rinnende rood. Eén spat sloeg neêr op haar rug.... Op het
groenige wit van den vloer vlakkelden de smerige spuugselen, dreven zij
uit in het nog niet weggeloopen water. In het bassin bezoedelden zij
het water ook en smolten viezig uit-een. Zij zag geheel rood, vuil
bezoedeld, als onteerd door een schande van vies vermillioen, dat
onzichtbare sirih-kelen van uit de hoeken der kamer samenschraapten en
spogen naar haar toe, mikkend in hare haren, op hare oogen, op hare
borsten, op haar onderbuik. Zij gaf gil op gil, geheel krankzinnig van
het vreemde gebeuren. Zij stortte op de deur, wilde ze openen, maar er
haperde iets aan den kruk. Want het slot was niet gesloten, de grendel
was er niet voor. In haar rug voelde zij herhaaldelijk spugen, en van
haar billen droop het rood. Zij gilde om Oerip en zij hoorde de meid
aan de andere zijde der deur, buiten, trekken, en duwen. Eindelijk gaf
de deur toe. En radeloos, gek, dol, krankzinnig, naakt, bezoedeld,
stortte zij in de armen van hare meid. De bedienden liepen toe. Uit de
achtergalerij zag zij aanloopen, Van Oudijck, Theo, Doddy. In hare
uiterste krankzinnigheid, wijd de oogen gesperd, schaamde zij zich,
niet om hare naaktheid, maar om haar bezoedeling... De meid had de
kimono, ook bezoedeld, gegrepen van den kruk der deur, en sloeg ze haar
meesteres om.
—Blijf weg! gilde zij radeloos. Kom niet dichter! krijschte zij gek.
Oerip, Oerip, breng mij naar het zwembad! Een lamp, een lamp... in het
zwembad!
—Wat is er, Léonie?
Zij wilde niets zeggen.
—Ik... heb... getrapt... op een pad! schreeuwde zij uit. Ik ben bang...
voor schurft...! Kom niet dichter... Ik ben naakt! Blijf weg, blijf
weg! Een lamp, een lamp... een làmp dan toch... in het zwembad!!
Neen... Otto! Blijf weg! Blijven jullie allemaal weg! Ik ben naakt!
Blijf weg! Bawa... la... a... a... mpoè! [64]
Door elkaâr liepen de bedienden. Eén bracht een lamp, in het zwembad...
—Oerip! Oerip...
Zij klampte zich aan de meid.
—Zij hebben mij bespogen... met sirih...! Zij hebben... mij...
bespogen... met sirih...!! Zij... hebben... mij bespogen... met
sirih...!!!
—Stil Kandjeng... kom meê, in het zwembad...!
—Wasch mij, Oerip! Oerip... in mijn haren, in mijn oogen... o God, ik
proèf het in mijn mond...!!
Zij snikte radeloos los, de meid sleepte haar meê...
—Oerip... zie... eerst... preksa... of ze ook spugen... in het
zwembad!!
De meid trad binnen, rillende.
—Er is niets, Kandjeng.
—Gauw dan, baad mij, wasch mij, Oerip....
Zij wierp de kimono af; haar mooi lichaam in het licht van de lamp werd
zichtbaar als met vies bloed bezoedeld.
—Oerip, wasch mij.... Neen, haal geen zeep.... Met water alleen....
Laat mij niet alleen! Oerip, wasch mij dan toch hier.... Verbrand de
kimono! Oerip....
Zij dook in het zwembad, zij zwom radeloos rond; de meid, half naakt,
dook mede, wiesch haar....
—Gauw Oerip.... gauw, alleen maar het allervuilste.... Ik ben bang!
Straks... straks spugen zij hier.... In de kamer, Oerip.... nu.... nu
overwasschen, in de kamer, Oerip!! Roep, dat er niemand mag zijn, in
den tuin! Ik wil de kimono niet meer om. Gauw, Oerip, roep, ik wil weg
van hier!
De meid riep door den tuin, in het Javaansch.
Léonie, druipend, steeg uit het water, en naakt, nat, ijlde zij langs
de bediendenkamers, de meid achter haar aan. In huis kwam Van Oudijck,
krankzinnig van ongerustheid, loopen naar haar toe.
—Weg, Otto! Laat me alleen! Ik ben.... naakt!! gilde zij.
En zij stortte zich in hare kamer, en, Oerip binnen, sloot zij alle
deuren.
In den tuin kropen de bedienden bij elkaâr, onder het afdak der
galerij, vlak bij het huis. Zacht rommelde de donder, en stil begon het
te regenen.