IV.

Dien dag zoû de Regent van Ngadjiwa, de jongere broeder van Soenario,

op Patjaram een bezoek komen brengen, omdat mevrouw Van Oudijck den

volgenden dag vertrok. Men wachtte hem af in de voorgalerij,

schommelend om de marmeren tafel, toen zijn rijtuig de lange avenue der

tjemara’s binnenratelde. Zij stonden allen op. En nu vooral bleek het

hoe hoog de oude Raden-Ajoe, de douairière, in aanzien was, hoe nauw

verwant zij was aan den Soesoehoenan zelven, want de Regent stapte uit,

en zonder een stap verder te doen, hurkte hij neêr op de eerste trap

van de voorgalerij, en maakte eerbiedig de semba, terwijl, achter zijn

rug, een volgeling, die de gesloten goud-en-witten pajong als een

dichtgestraalde zon ophield, zich nog kleiner maakte en kromp in-een

van vernietiging. En de oude vrouw, de Solosche prinses, die weêr de

Dalem voor haar oogen zag schitteren, naderde hem, heette den Regent

welkom in de hoffelijkheid van het paleis-Javaansch—de taal tusschen

vorstelijke gelijken—tot de Regent oprees, en, achter haar, den

familiekring naderde. En de wijze, waarop hij toen eerst groette de

vrouw van zijn rezident, hoe beleefd ook, was bijna neêrbuigend,

vergeleken bij zijn kruiperigheid van zoo even.... Hij zette zich toen

tusschen mevrouw de Luce en mevrouw Van Oudijck, en een slepend gesprek

begon. De Regent van Ngadjiwa was een ander type dan zijn broeder

Soenario: grooter, grover, zonder dat levende wajang-poppige, van

dezen: hoewel jonger, zag hij er ouder uit, zijn trekken verstard van

hartstocht, zijn oogen verbrand van hartstocht: hartstocht voor

vrouwen, voor wijn, hartstocht voor opium, hartstocht vooral voor spel.

En een stille gedachte scheen op te vonkelen in dat slepende loome

gesprek, zonder idee en de woorden zoo weinig, telkens gescandeerd door

het hoffelijke: saja, saja, waarachtig zij allen verborgen hun geheime

verlangen.... Men sprak Maleisch, omdat mevrouw Van Oudijck niet

Javaansch dorst praten: de fijne, moeilijke taal, vol tinten van

etiquette, waaraan nauwlijks een enkele Hollander zich waagt tegenover

Javanen van rang. Zij spraken weinig, zij schommelden zacht; een vage

glimlach van hoffelijkheid duidde aan, dat ieder meê deed met het

gesprek, ook al wisselden alleen mevrouw de Luce en de Regent nu en dan

een enkel woord.... Tot zij eindelijk, de de Luce’s, de oude mama, de

zoon Roger, de bruine schoondochters, zich niet inhouden konden, zelfs

niet voor mevrouw Van Oudijck en verlegen lachten, terwijl dranken en

koek werden rondgediend; tot zij, trots hunne hoffelijkheid, elkaâr

snel raadpleegden met een paar woorden Javaansch, over Léonie heen, en

de oude mama eindelijk haar vroeg, zich niet meester meer, of zij het

kwalijk zoû nemen, als zij een oogenblikje speelden. En zij zagen haar

allen aan, de vrouw van den rezident, de vrouw van den gezagsman, die,

zij wisten het, haatte hun dobbelspel: hun verderf, waarin verongelukte

de hoogheid der Javaansche geslachten, die hij hoog wilde houden, trots

henzelve. Maar zij, te onverschillig, dacht er niet aan met een enkel

woord van tactvolle scherts hen te weêrhouden, haar man te wille: zij,

de slavin van haar eigen hartstocht, liet hen slaven zijn van den

hunne, in de wellust van hun slavernij. Zij glimlachte alleen, en

duldde gaarne, dat in den schemer van de wijde vierkante binnengalerij

zich de spelers trokken terug; de dames, nu begeerig tellende haar geld

in haar zakdoek, wisselende bij de heeren, tot zij zich zetten dicht

bij elkaâr, en, de oogen op de kaarten, de oogen spiedende in elkanders

oogen, speelden en speelden eindeloos door, winnende, verliezende,

betalende of opstrijkende, den zakdoek met geld even open en weêr

dicht, zonder woorden, alleen met het klein vierkant gedwarrel der

kaarten, in den schemer van het binnenvertrek. Speelden zij slikoer of

„stooteren”? Léonie wist het niet, onverschillig, ver van die passie en

blij, dat Addy naast haar bleef en Theo jaloersch hem aanzag. Wist hij

wat, vermoedde hij iets; zoû Oerip altijd zwijgen? Zij genoot in de

emotie en zij wilde hen beiden, zij wilde blank en bruin beide, en dat

Doddy zat aan de andere zijde van Addy en, bijna verkwijnd, schommelde,

deed haar een acuut en slecht pleizier. Wat was er anders in het leven,

dan zich te laten gaan naar den drang van zijn weelde-verlangen? Zij

had geen ambitie, onverschillig voor het hooge van hare pozitie; zij,

de eerste vrouw der rezidentie, die al haar verplichting schoof op Eva

Eldersma, wie het geen aandoening gaf, dat honderden op de receptie’s

te Laboewangi, te Ngadjiwa en elders haar begroetten met eene

plichtpleging, die zweemde naar vorstelijk eerbetoon,—die stilletjes,

in haar roze pervers gedroom—een roman van Mendès in de handen—lachte

om die overdrijving der binnenlanden, waarin de rezidentsvrouw een

koningin kan zijn. Zij had geene andere ambitie dan den man te hebben,

dien zij waardig koos; geen ander zieleleven dan de eeredienst van haar

lichaam, als een Afrodite, die priesteres van zichzelve zoû zijn. Wat

kon het haar schelen of zij daar speelden, of de Regent van Ngadjiwa

zich verwoestte! Zij vond het integendeel belangrijk op zijn verteerd

gezicht die verwoesting gade te slaan en zij zoû zorgen zichzelve nog

meer dan gewoonlijk te verzorgen, zich door Oerip te laten masseeren

haar gelaat en haar leden, door Oerip nog meer te laten bereiden de

blanke liquide bedak, de wondercrême, tooverzalf, waarvan Oerip wist

het geheim en die het vleesch hield hard en rimpelloos en blank als een

mangistan. Zij vond het belangwekkend den Regent van Ngadjiwa te zien

opbranden als een kaars, dom, versuft van vrouwen, wijn, opium,

kaarten, misschien van kaarten het meest, van het versuffende turen op

kaarten, dobbelende, de kans berekenend, die niet te berekenen was,

bijgeloovig berekenend, uittellende volgens de wetenschap der petangans

[35] den dag, het uur, dat hij spelen moest om te winnen, het aantal

van de medespelers, de hoeveelheid van zijn inzet... Nu en dan zag zij

ter sluiks naar de gezichten der spelers, in de binnengalerij

verdonkerd in schemer en winzicht, en zij bedacht, wat Van Oudijck zoû

zeggen, hoe boos hij zoû zijn, als zij hem hiervan vertelde.... Wat

deerde het hem of die Regentenfamilie zich ruïneerde? Wat deerde haar

zijn politiek, de geheele Hollandsche politiek, die zoo gaarne in

waardig aanzien houdt den Javaanschen adel, door welken zij de

bevolking regeert? Wat deerde haar of Van Oudijck, denkende aan den

ouden nobelen Pangéran, weemoed voelde om den zichtbaren ondergang

zijner kinderen? Haar deerde het alles niets, haar deerde nu alleen

zichzelve, en Addy, en Theo. Zij zoû dien middag haar stiefzoon, haar

blonde, toch zeggen, niet zoo jaloersch te zijn. Het werd zichtbaar,

zij was zeker, dat Doddy het zag. Had zij gisteren het arme kind niet

gered? Maar hoe lang zoû dat smachten duren? Zoû zij Van Oudijck liever

niet waarschuwen, als een goede, voorzichtige moeder...? Hare gedachten

dwaalden loom; de morgen was broeiend, in die laatste zengende dagen

der Oostmoesson, wanneer klamheid op de leden parelt. Dan trilde haar

lichaam. En Doddy latende met Addy, troonde zij Theo meê, en berispte

hem, dat hij zoo jaloersch keek van machtelooze woede. Zij maakte zich

een beetje boos en vroeg wat of hij wilde....

Zij waren terzijde van het huis gegaan, in de lange zijgalerij; daar

waren apen in een kooi, pisangschillen er om heen gestrooid, van de

vruchten, die de beesten gegeten hadden, door de kleinkinderen gevoed.

Reeds een paar maal had men gegongd voor de rijsttafel, en in de

achtergalerij hurkten al de baboes, wrijvende een ieders sambal. Maar

om de speeltafel scheen men niets te hooren. Alleen werden de

fluisterende stemmen hooger, scheller, en zoowel Léonie en Theo, als

Addy en Doddy luisterden op. Een twist scheen plotseling los te

barsten, trots het gesus van mevrouw de Luce, tusschen Roger en den

Regent. Zij spraken Javaansch, maar zij lieten de hoffelijkheid varen.

Zij scholden als koelies elkaâr voor valschspelers uit. Telkens hoorde

men het sussend gedoe van de oude mevrouw de Luce, bijgestaan door hare

dochters en schoondochters. Maar ruw werden stoelen verzet, een glas

brak, Roger scheen de kaarten woest neêr te gooien. Alle de vrouwen

daarbinnen susten met hooge stemmen, met doffe stemmen, fluisterend,

met uitroepjes, met kreetjes van genade en verontwaardiging. Aan alle

hoeken van het huis luisterden de bedienden, talloos. Toen zakte de

twist; lange verklaringen redeneerden nog boos op tusschen den Regent

en Roger; de vrouwen susten: cht...! cht...! verlegen voor de

rezidentsvrouw, uitkijkende waar zij toch was. En eindelijk werd het

stil en gingen zij stil zitten, hopende, dat de twist niet te veel

gehoord zoû zijn. Tot ten laatste, heel laat, bij drieën, de oude

mevrouw de Luce, de dobbelpassie nog lichtende in hare uitgedoofde

oogen, maar waardig verzamelende al haar prestige van prinses, in de

voorgalerij kwam, en, doende of er niets gebeurd was, vroeg of mevrouw

Van Oudijck aan tafel kwam.

De stille kracht · 第 20 / 43 题