Mevrouw Van Oudijck had beloofd nog een paar dagen te Patjaram te
blijven, en zij zag hier eigenlijk tegen op, niet geheel thuis in dit
element van ouderwetsche Indieschheid. Maar toen Addy verscheen, bezon
zij zich. In het diepste geheim van zichzelve eerediende deze vrouw
hare zinnelijkheid als in den tempel van haar egoïsme, offerde deze
melkblanke kreole al het intieme van hare roze verbeelding, van haar
onbluschbaar verlangen en in die eeredienst was zij als gekomen tot een
kunst, een kennis, een wetenschap: die van met een enkelen blik vast te
stellen, voor zich, wat haar aantrok in den man, die haar naderde; in
den man, die haar voorbijging. In den eene was het zijn houding, was
het zijn stem; in den andere was het de lijn van zijn nek op zijn
schouders; in een derde was het zijn hand op zijn knie; maar wat het
ook was, zij zag het dadelijk, met een enkelen blik; zij wist het
oogenblikkelijk in een enkele seconde, zij had den voorbijganger
geoordeeld in een ondeelbaar oogenblik, en zij wist dadelijk wien zij
verwierp—en dat waren de meesten—en wien zij waardig keurde,—en dat
waren er velen. En wien zij verwierp in dat ondeelbare oogenblik van
haar opperste gerecht, met dien enkelen blik, in die enkele seconde,
behoefde ook nooit te hopen: zij, priesteres, liet hem niet toe in den
tempel. Voor de anderen was de tempel open, maar alleen achter het
gordijn van hare correctheid. Hoe brutaal ook, zij was altijd correct,
de liefde was altijd geheim; voor de wereld was zij niet anders dan de
innemend glimlachende rezidentsvrouw, een beetje indolent; en die
iedereen overwon met haar glimlach. Zag men haar niet, dan sprak men
kwaad van haar; zag men haar, dan had zij dadelijk overwonnen. Tusschen
allen, met wie zij het geheim van hare liefde deelde, was als een
vrijmetselarij, als een mysterie van eeredienst: nauwlijks, even met
elkaâr, fluisterden zij een paar woorden, bij eene zelfde herinnering.
En glimlachend, melkblank, rustig, kon Léonie zitten in een grooten
cirkel, om een marmeren tafel, met minstens twee, drie mannen, die
wisten van het geheim. Het verstoorde niet hare rust en het bedierf
niet haar glimlach. Zij glimlachte tot vervelens toe. Nauwlijks gleed
haar blik van den een naar den ander, en oordeelde zij nog eens even
na, met haar onfeilbare kennis van oordeel. Nauwlijks wolkten bij haar
op de herinneringen aan de verleden uren, nauwlijks gedacht zij de
afspraak voor den volgenden dag. Het was het geheim, dat alleen bestond
in het mysterie van het samen-zijn, en dat immers nooit werd gesproken
voor de profane wereld. Zocht in den cirkel een voet den hare, zij trok
den hare terug. Zij flirtte nooit, zij was zelfs wel eens een beetje
vervelend, stijf, correct, glimlachend. In de vrijmetselarij tusschen
de geïnitieerden en haar gaf zij het mysterie bloot, maar voor de
wereld, in de cirkels om de marmeren tafels, gaf zij zelfs geen blik,
geen handdruk, zweemde haar japon zelfs geen broekspijp aan.
Zij had zich die dagen verveeld te Patjaram, waar zij de invitatie voor
het maal-feest had aangenomen, omdat zij vroegere jaren al geweigerd
had, maar nu zij Addy zag naderen, verveelde zij zich niet meer.
Natuurlijk kende zij hem al jaren lang en had zij hem zien opgroeien
van kind tot jongen, tot man, en had zij hem als jongen zelfs wel eens
gezoend. Al lang had zij hem geoordeeld, den verleider. Maar nu,
terwijl hij kwam in den aureool van den zonneschijn, oordeelde zij hem
nog eenmaal: zijn mooie, slanke dierlijkheid en het gloeien van zijn
verleidersoogen in het schaduw-bruin van zijn jonge Moorengezicht, de
krullende zwelling van zijn zoenlippen met het jonge dons van zijn
knevel; het tijgersterke en lenige van zijn Don-Juanleden: het vlamde
haar alles tegen, zoodat zij de oogen knipte. Terwijl hij groette, zich
zette, een vroolijkheid van woorden rondgooide in dien cirkel vol loome
spraak en sluimerende gedachten,—alsof hij een handvol van zijn
zonneschijn, van het stofgoud zijner verleiding rondsmeet over allen,
alle die vrouwen: moeder en zusters en nichtjes en Doddy en Léonie,—zag
Léonie hem aan, zooals zij hem allen aanzagen, en haar blik gleed naar
zijn handen. Zij had die handen kunnen zoenen, zij verliefde in eens op
dien vorm van vingers, op die bruine tijgerkracht van palm; zij
verliefde in eens op geheel het jonge wilde-dierachtige, dat als een
geur van mannelijkheid wademde uit geheel dien jongen. Zij voelde haar
bloed kloppen, nauwlijks betoombaar, trots hare groote kunst zich koel
en correct te houden, in de cirkels om de marmeren tafels. Maar zij
verveelde zich niet meer. Zij had een doel voor de volgende dagen.
Alleen... zoo klopte haar bloed, dat Theo haar blos had gezien en de
trilling van hare oogleden. Verliefd als hij op haar was, had zijn oog
haar ziel doordrongen. En toen zij opstonden om te rijsttafelen, in de
achtergalerij, waar de baboe’s al hurkten om in steenen potjes met
stampers ieders verschillende oelèk [31] te wrijven, beet hij haar
alleen dit woord toe:
—Pas op!!
Zij schrikte; zij voelde, dat hij haar dreigde. Dat was nooit gebeurd;
allen, die gedeeld hadden in het mysterie, hadden haar altijd ontzien.
Zij schrikte zoo, zij was zóo verontwaardigd om dat aanraken van het
tempelgordijn—in een galerij vol menschen—dat het borrelde in hare
rustige onverschilligheid, en dat zij tot opstand werd gewekt in hare
altijd onbezorgde zelfkalmte. Maar zij zag hem aan, en zij zag hem
blond, breed, groot, haar man in het jong, zijn Indische bloed alleen
zichtbaar in de zinnelijkheid van zijn mond, en zij wilde hem niet
verliezen: zij wilde zijn type hebben naast het type van den Moorschen
verleider. Zij wilde hen beiden; zij wilde proeven het verschil van hun
beider manne-bekoring; dat even ver-Indo’schte Hollandsche
blond-en-blanke, en het wilde-dierachtige van Addy. Haar ziel trilde,
haar bloed trilde, terwijl de lange rei der schotels plechtstatig
rondging. Zij was zoo in opstand, als zij nog nooit was geweest. Het
ontwaken uit hare placide onverschilligheid was als een wedergeboorte,
als een onbekende emotie. Zij was verwonderd dertig te zijn, en dit
voor het eerst te voelen. Een koortsachtige slechtheid bloeide in haar
op, als met bedwelmende roode bloemen. Zij zag naar Doddy, zij zat
naast Addy; zij kon bijna niet eten, het arme kind, gloeiende van
liefde.... O, de Verleider, die maar had te verschijnen...! En Léonie,
in die koorts van slechtheid, jubelde te zijn de mededingster van hare
zooveel jongere stiefdochter.... Zij zoû voor haar passen, zij zoû
zelfs Van Oudijck waarschuwen. Zoû het ooit tot een huwelijk komen? Wat
kon het haar schelen: wat deerde haar, Léonie, huwelijk?! O, de
Verleider! Nooit had zij hem, den oppersten, zoo gedroomd in haar roze
uren van siësta! Dat was geen charme van cherubijntjes; dat was de
sterke lucht van een tijgerbekoring: het goudgevonkel van zijn oogen,
de spierlenigheid van zijn sluipende klauw.... En zij glimlachte tegen
Theo, met éen blik van zich-geven: gróote zeldzaamheid in den cirkel
van rijst-etende menschen. Zij gaf zich anders nooit, in publiek. Nu
gaf zij zich even, blij om zijn jalouzie. Zij hield ook razend van hem.
Zij vond het heerlijk, dat hij bleek en boos zag, van ijverzucht. En om
haar heen was de zonnemiddag éen gloed en de sambal prikkelde haar
droog verhemelte. Een licht zweet parelde aan hare slapen, hare borst
perelde onder de kant der kabaai. En zij had tegelijk henbeiden willen
omhelzen, Theo en Addy, in eene omhelzing, in éene mengeling van
verschillende lust, ze beiden drukkende tegen haar lijf aan van
liefdevrouw....