I.

De volle maan, tragisch dien avond, was reeds vroeg, nog in den

laatsten dagschemer opgerezen als een immense, bloedroze bol, vlamde

als een zonsondergang laag achter de tamarindeboomen der Lange Laan en

steeg, langzaam zich louterende van hare tragische tint, in een vagen

hemel op. Een doodsche stilte spande alom als een sluier van zwijgen,

of, na de lange middagsiësta, de avondrust zonder overgang van leven

begon. Over de stad, wier wit gepilaarde villa-huizen laag wegscholen

in het geboomte der lanen en tuinen, hing een donzende geluideloosheid,

in de windstille benauwdheid der avondlucht, als was de matte avond moê

van den zonneblakenden dag der Oostmoesson. De huizen, zonder geluid,

doken weg, doodstil, in het loover van hunne tuinen, met de regelmatig

opblankende rissen der groote gekalkte bloempotten. Hier en daar werd

een licht al ontstoken. Plotseling blafte een hond, en antwoordde een

andere hond en verscheurde de donsende stilte in lange, ruwe flarden;

de nijdige hondekelen, heesch, ademloos, schor vijandig; plotseling ook

zwegen zij stil.

Aan het einde der Lange Laan lag diep in zijn voortuin het

Rezidentie-huis. Laag, dadelijk in den nacht der waringinboomen,

zigzagde het zijne pannendaken, het eene achter het andere, naar de

schaduw van den achtertuin toe, met een primitieve lijn van

dakteekening, over iedere galerij een dak, over iedere kamer een dak,

tot éene lange daksilhouet. Vóor echter, rezen de witte zuilen der

voorgalerij, met de witte zuilen der portiek, hoog blank en aanzienlijk

op, met breede tusschenruimten, met groote openheid van ontvangst, met

eene uitbreiding van indrukwekkend paleisportaal. Door de open deuren

verschoot de middengalerij vaag naar achteren toe, met een enkel licht

opgeglimd.

Een oppasser ontstak de lantarens ter zij van het huis. Halfcirkels van

groote, witte potten met rozen en chrysanten, met palmen en caladiums,

bogen links en rechts wijd voor het huis naar ter zijde uit. Een breede

grindlaan vormde den oprit tot in de witgezuilde portiek; dan strekte

zich uit een wijd dor gazon, met potten omgeven, en, in het midden op

een gemetseld voetstuk, een monumentale vaaspot, met een groote

latania. Een groene frischheid was daar de kronkelende vijver, waar de

reuzenbladeren eener Victoria Regia als dofgroene prezenteerbladen zich

rondden tegen elkaâr, met een enkele blankende lotosachtige bloem er

tusschen. Een pad kronkelde langs den vijver en op een met kiezelsteen

geplaveide ronde plek rees een hooge vlaggestok. De vlag was reeds

neêrgehaald, als iederen dag om zes uur. Een eenvoudig hek sneed het

erf af van de Lange Laan.

Het reusachtige erf was stil. Er brandden nu, langzaam, omslachtig

aangestoken door den lampenjongen, éen lamp van de kroon der

voorgalerij, en de neêrgedraaide lamp binnen, als twee nachtlichtjes in

het paleis van zuilen en van, kinderlijk naar achter verschietende,

daken. Op de trappen van de kantoorkamer zaten enkele oppassers, in hun

donkere uniform, fluisterend wat te praten. Een van hen stond na een

pooze op en begaf zich, met een rustigen pas van zich niet te willen

overhaasten, naar een bronzen klok, die hoog hing, bij het

oppassershuisje, geheel ter zijde van het erf. Toen hij na een honderd

pas genaderd was, luidde hij zeven langzame weêrechoënde slagen. De

klepel bronsde bonsende in de bel van de klok en de slag, telkens,

zigzagde na met een zware trilling van nageluid. De honden blaften weêr

op. De oppasser, langzaam, met zijn lenigen pas, jongensachtig slank in

zijn blauw laken jasje en broek met gele banden en omslag, liep zijn

honderd passen naar de andere oppassers rustig terug.

Nu was in het kantoor licht ontstoken en ook in de aangrenzende

slaapkamer, waar het door de jalouzieën schemerde. De rezident, een

groote zware man, in zwart jasje, witte broek, liep de kamer door en

riep naar buiten:

—Oppas!

De hoofdoppasser, in zijn laken uniformrokje, de panden breedgeel

omzoomd, naderde met gebogen knieën, hurkte neêr....

—Roep de nonna!

—De nonna is al uitgegaan, Kandjeng! fluisterde de man en schetste met

beide handen, de vingers tegen elkaâr, het eerbiedig gebaar van de

semba.

—Waar is de nonna naar toe?

—Dat heb ik nog niet onderzocht, Kandjeng! zei de man, als

verontschuldiging, dat hij niet wist, en schetste weêr de semba.

De rezident dacht even na.

—Mijn pet, zeide hij. Mijn stok.

De hoofdoppasser, steeds in krommende knieën van zich eerbiedig krimpen

in elkaâr, scharrelde even door de kamer en bood hurkende aan de

klein-uniformpet, en een wandelstok.

De rezident ging uit. De hoofdoppasser haastte zich achter hem aan, met

een tali-api in de hand: een lange brandende lont, waarvan hij de

gloeiende punt zwaaide om aan wie voorbijging, in den avond, den

rezident te doen herkennen. De rezident liep langzaam het erf af, en

naar de Lange Laan. Aan die laan, als een avenue van tamarinde-boomen

en flamboyants, lagen de villa’s der voornaamste notabelen, flauw

verlicht, doodstil, schijnbaar onbewoond, met, in de avondvaagheid

opblankend, de rissen der gekalkte bloempotten.

De rezident wandelde eerst langs het huis van den secretaris; dan ter

andere zijde een meisjesschool; dan de notaris, een hôtel, de post, de

prezident van den Landraad. Aan het einde van de Lange Laan stond de

Roomsche kerk, en verder op, de brug over der kali, lag het station.

Bij het station was meer verlicht dan de andere huizen een groote

Europeesche toko. De maan, hooger geklommen, zich heller zilverende bij

hare stijging, bescheen de witte brug, de witte toko, de witte kerk:

dit alles om een vierkant square, meer open, zonder boomen en met in

het midden een spits monumentje, dat de Stadsklok was.

De rezident ontmoette niemand; nu en dan kwam echter een enkele Javaan,

zich donker bewegende, even uit de schaduw, en dan zwaaide de oppasser

achter zijn heer met veel ostentatie de gloeiende punt van zijn

vuurtouw. Meestal begreep de Javaan, en maakte zich klein, en kromp

in-een aan den rand van den weg, en ging als loophurkende voorbij. Een

enkelen keer, onwetend, pas uit zijn dessa, begreep hij niet, liep

angstig voorbij, zag angstig naar den oppasser, die maar zwaaide en

zwaaide, en hem, in het voorbijgaan, achter den rug van zijn meester

een vloek toeduwde, omdat hij—de dessa-kerel—geen manieren had. Als een

karretje aankwam of sado, zwaaide hij weêr en zwaaide hij zijn

vuursterretje door den avond, wenkte den voerman, die òf stil hield en

afsteeg, òf neêrhurkte in zijn voertuigje en hurkend doormende aan den

uitersten rand van den weg.

De rezident liep somber door, met den flinken pas van een beslisten

wandelaar. Hij was rechts van het square-tje afgeslagen, en liep langs

de Hervormde kerk, recht op een mooie villa toe met slanke, vrij

correcte Ionische pleisterzuilen en hel verlicht met petroleumlampen in

kronen. Het was de societeit Concordia. Een paar bedienden in witte

buisjes zaten op de trappen. Een Europeaan in een wit pakje, de

kastelein, liep in de voorgalerij. Maar om de groote bittertafel zat

niemand en de wijde rieten stoelen openden hunne armen afwachtende als

te vergeefs.

De kastelein, ziende den rezident, boog, en de rezident tikte kort aan

zijn pet en ging de societeit voorbij, sloeg links om. Hij wandelde een

laan af, langs kleine donkere huisjes in kleine erfjes weggedoken,

sloeg weêr om en ging langs de uitmonding der kali, die was als een

kanaal. Prauw aan prauw lag vastgemeerd; een eentonig geneurie van

Madoereesche zeelui zeurde droefgeestig langzaam over het water,

waaruit een visschige wadem oprees. Langs het havenkantoor ging de

rezident naar den pier toe, die een eind uitstak in zee, en waar op de

punt een kleine vuurtoren, als een kleine Eiffel, zijn ijzeren

kandelabervorm verhief, met zijn lamp aan den top. Daar bleef de

rezident staan en ademde op. De wind was plotseling opgestoken, de

grongong blies, uit de verte waaiende aan, als iedere dag om dat uur.

Maar soms zakte hij in eens onverwachts neêr, in-een, als met een

onmacht zijner waaiende vlerken, en de opgeheven zee strookte haar

maanwitte schuimkrullen glad en fosforizeerde even, met strepen lang en

bleek.

Over de zee naderde droefgeestig een eentonig rhytmisch zeuren van

zingen, een zeil donkerde aan als een groote nachtvogel, en een

visschersprauw met hoog opbuigende voorsteven,—met iets van een antiek

schip—gleed het kanaal in. Een weemoed van levensgelatenheid, eene

berusting in al het kleine donkere aardsche onder dien eindeloozen

hemel, aan die zee van fosforizeerende verte, dreef om en tooverde eene

geheimzinnigheid, die beklemde...

De groote stevige man, die daar stond, wijdbeens, op-ademend den,

langzaam met vlagen aanwaaienden, wind—moê van zijn werk, van zijn

zitten aan zijn schrijftafel, van zijne berekeningen der

duitenkwestie—die afschaffing der duiten, door den Gouverneur-Generaal

zijner persoonlijke verantwoordelijkheid opgelegd als een kwestie van

belang—die groote stevige man, praktisch, koel van denken, kort beslist

van langdurige gezagsuitoefening, voelde misschien niet die donkere

geheimzinnigheid drijven over de Indische avondstad—hoofdplaats van

zijn gewest—maar hij voelde een begeerte naar teederheid. Vaag voelde

hij de begeerte van een kinderarm om zijn hals, van kleine hooge

stemmen om zich heen, de begeerte naar een jonge vrouw, die glimlachend

hem wachten zoû. Hij dacht die sentimentaliteit in zich niet uit, hij

was niet gewoon zich over te geven aan mijmering over zichzelven: hij

had het te druk; zijn dagen waren te veel gevuld met belangen allerlei

aard, dan dat hij toe zoû geven aan wat hij wist, dat zijn vlaagjes van

zwakte waren: de onderdrukte opwellingen van jongere jaren. Maar al

mijmerde hij niet, de stemming was onafweerbaar, als een druk op zijn

breede borst, als een ziekte van teederheid, een malaise van

sentimentaliteit in zijn anders heel praktisch gemoed van

hoofdambtenaar, die hield van zijn werkkring, van zijn gewest; die hart

had voor de belangen er van, en wien het bijna onafhankelijk gezag van

zijn betrekking geheel in harmonie was met zijne heerschersnatuur; die

met zijn krachtige longen zijn atmosfeer van wijden werkkring en ruim

veld van zoo verscheiden arbeid, met even veel genot gewoon was te

ademen, als hij nu ademde, den wijden wind van de zee. De begeerte, het

verlangen, een heimwee, waren dien avond vooral, vol in hem. Hij voelde

zich eenzaam, niet alléen om het izolement, dat een hoofd van

gewestelijk bestuur altijd min of meer omringt, wien men òf nadert

conventioneel glimlachend-eerbiedig, om conversatie, òf kort,

zakelijk-eerbiedig, om zaken. Hij voelde zich eenzaam, hoewel hij vader

was van een huisgezin. Hij dacht aan zijn groote huis, hij dacht aan

zijn vrouw en zijn kinderen. En hij voelde zich eenzaam, en alleen

gedragen door het belang, dat hij stelde in zijn werk. Het was hem

alles in zijn leven. Het vulde al zijne uren. Er over denkende sliep

hij in, zijn eerste gedachte was voor het een of ander gewestelijk

belang.

In dit oogenblik, moê van het cijferen, opademende in den wind, ademde

hij tegelijk met de frischheid van de zee den weemoed van de zee in,

den geheimzinnigen weemoed der Indische zeeën, den opspokenden weemoed

der zeeën van Java; de weemoed, die aanruischt van verre als op

suizende wieken van geheimzinnigheid. Maar zijn natuur was niet om zich

over te geven aan mysterie. Hij ontkende het mysterie. Het was er niet:

er was alleen de zee en de wind, die frisch was. Er was alleen de walm

van die zee, als iets van visch en van bloemen en zeewier; walm, die de

frissche wind uitwoei. Er was alleen het oogenblik van herademing, en

wat hij, onafweerbaar, voor geheimzinnigen weemoed voelde toch sluipen

in zijn, dien avond, wat weeke gemoed, dacht hij te zijn om zijn

huislijken kring, dien hij liever wat nauwer gevoeld had, dichter

sluitende om wat in hem was vader en echtman. Was er van weemoed noch

iets, dan was het dàt. Uit de zee kwam het niet; uit de lucht aan, van

verre, niet. Hij gaf zich niet over aan een allereerste sensatie van

wonderlijkheid.... En hij plantte zich steviger, welfde zijn borst,

richtte-op zijn flinken, militairen kop en snoof, en snoof den walm in

en den wind....

De hoofdoppasser, neêrgehurkt, met zijn gloeivuurtouw in de hand,

gluurde aandachtig op naar zijn heer, als dacht hij: wat doet hij hier

zoo vreemd te staan bij den vuurtoren.... Zoo vreemd, die

Hollanders.... Wat denkt hij nu.... Waarom doet hij zoo.... Juist op

dit uur op deze plek.... De zeegeesten waren nu om.... Er zijn

kaaimannen onder het water, en iedere kaaiman is een geest.... Zie,

daar heeft men aan ze geofferd, pisang en rijst en dèng-dèng en een

hard ei op een vlotje van bamboe; onderaan bij het voetstuk van den

vuurtoren.... Wat doet de Kandjeng Toean nu hier.... Het is hier niet

goed, het is hier niet goed.... tjelaka, tjelaka.... En zijn spiedende

oogen gleden op en neêr langs den breeden rug van zijn heer, die maar

stond en uitzag.... Waar zag hij naar toe...? Wat zag hij aanwaaien in

den wind...? Zoo vreemd, die Hollanders, vreemd....

De rezident, plotseling, keerde zich om en liep terug, en de oppasser,

opschrikkend, volgde hem, blazende aan de punt van zijn vuurtouw. De

rezident liep den zelfden weg terug; nu zat er een heer in de

societeit, die groette, en een paar jongelui in het wit wandelden in de

Lange Laan. De honden blaften.

Toen de rezident den ingang naderde van het rezidentie-erf, zag hij

vóor, aan den anderen ingang, twee witte figuren, een man en een

meisje, die zich echter uitwischten in den nacht onder de waringins.

Hij ging recht naar zijn kantoor; een andere oppasser naderde en hij

gaf hem pet en stok. Dadelijk zette hij zich aan zijn schrijftafel. Hij

kon nog een uur werken, vóor het diner.

De stille kracht · 第 4 / 43 题