HOOFDSTUK IX.

Toen Frans het ouderlijke huis in zijn groote opwinding verliet, wist

hij eigenlijk niet recht, wat zijn naaste toekomst-plannen waren. Hij

mocht niet langer samenwonen met zijn vader en moest met Marta een

«nieuw leven» beginnen, dat was ’t eenige waarvan hij zich bewust was,

maar tusschen die beide levens-stadiën lag een overgangstijdperk, dat

besefte hij volkomen, en juist hierin zat voor hem de moeilijkheid.

In zijn overspannen geestes-toestand leek hem dat anders: dat zou wel

terechtkomen, meende hij: als hij maar eerst weg was, weg uit die

drukkende beklemmende atmosfeer bij zijn vader thuis!

Vaag begrijpend, dat hij wat kleeren en geld noodig zou hebben «voor de

eerste tijd», had hij al ’t lijfgoed bij elkaar gescharreld dat voor ’t

grijpen en vinden lag in zijn kamer, en al het geldswaardige en in geld

omzetbare dat hij meedragen kon bijeengepakt. Zoo had hij nog een

zomerpak, een paar schoenen en eenige verschooningen uit zijn kleerkast

in zijn koffertje overgebracht; en afzonderlijk daarbij, vluchtig in

een papiertje gepakt: een brillianten das-speld—een geschenkje van zijn

moeder toen hij achttien jaar was geworden, dat hij niet meer droeg,

omdat hij ’t wat opzichtig vond—verder een oud zilveren horloge—op stal

gezet sinds hij in ’t bezit was van een gouden opvolger—en eindelijk

een kleine verzameling gouden en zilveren munten en penningen, nog uit

zijn jongenstijd—toen een ware schat, nu nog een aardig sommetje

vertegenwoordigend.

De heele pakkerij had enkele minuten geduurd. Het laatste voorwerp, dat

in ’t koffertje ging, was ’t portret van zijn moeder. Dit haalde hij

uit zijn studeerkamertje, waar ’t in een rond lijstje aan de muur hing.

Uit dit vertrek hoefde hij verder niets mee te nemen. Buiten dat

portret was daar niets te vinden, waar zijn hart aan hechtte, behalve

dan zijn boeken. En die mee te nemen, daar was immers geen denken aan!

Bij ’t afnemen van zijn moeders beeltenis dacht hij even aan de inhoud

der laadjes van zijn schrijftafel... och, dat kon alles blijven: wat

gaf hij om het pakje briefjes van Klaartje, en dat kiekje van haar!

Kalverliefde! Zijn moeder zou daar wel voor zorgen, en hij liet de

sleutels zitten. Er was niets van Marta: ze had hem immers nooit

geschreven, en een portret bezat hij niet eens van haar.

’t Afscheid aan ’t oord, waar hij gewoonlijk maar zoo’n klein deel van

zijn tijd doorbracht, waar hij veel minder droomde van zijn liefde dan

in ’t vertrek daarnaast, zijn slaapkamer, kon hem dus niet zwaar

vallen.

En hij was spoedig op straat, koffertje in de linkerhand, zijn paraplu

erop gebonden, zomerjas om, ondanks de vrij warme avond, en zijn

wandelstok in de rechter.

Waarheen nu? Naar een hotel? Daar had hij al heel weinig zin in.

Geroezemoes en drukte vond hij in zijn gemoedstoestand afschuwelijk. En

dan: Amsterdam was per slot van zaken zoo groot niet, en ’t zou

uitlekken, dat de «jonge Meneer Jensen weggeloopen» was. Nee, hij moest

de stad uit, hoe eer hoe liever. Tegenover Marta was dat ook beter. Hij

was bang voor zichzelf: zou hij anders wel sterk genoeg zijn, om haar

nog een tijdlang te vermijden? En dat moest toch. Een eigenaardige

schuchterheid weerhield hem, om haar dadelijk op de hoogte te stellen

van ’t gebeurde, ondanks zijn afspraak en hoezeer zijn hart ook naar

haar trok. Hij moest haar allengs voorbereiden. Eerst schrijven

bijvoorbeeld. En dan uit een andere stad, ja, hij moest naar Leiden,

naar Frederik... Die kon hem wel logeeren. Dat was een idee!

Frans bedacht zich, dat hij in de zes maanden van zijn kennismaking met

Marta, zijn vriend Frederik Van Elst geen enkele maal geschreven had,

ook niet in antwoord op diens drie zoo echt joviale hartelijke brieven.

In de laatste had hij schertsenderwijs met «vergetelheid» gedreigd, als

Frans hardnekkig bleef «negeeren». En toen Frederik eenige dagen later

te Amsterdam over was geweest als gedelegeerde van ’t Leidsch

studenten-corps had Frans de gelegenheid laten voorbijgaan, om hem eens

te ontmoeten; want toen de Leidsche student zijn oude schoolkameraad ’s

middags op zijn eigen kwartier kwam opzoeken, liet Frans zich

excuseeren: een college dat hij onmogelijk verzuimen kon... Ja, hij

dacht er nu met schaamte aan. Toch moest hij even lachen. ’t Was wel

fijn uitgedrukt, ofschoon... ’t was een heel bizonder «collegium». En,

al wist hij heel goed, dat

tres faciunt collegium

voor dit geval had hij duo volkomen voldoende gevonden, en de tweede

van die beiden was niet de professor geweest, die op bedoelde middag

zijn wetenschap aan zijn jongeren mededeelde...

Toch zou Frederik hem met vreugde inhalen. O, zeker. ’t Was een beste

kerel, die Frits. En hij zou rekening houden met de heel bizondere

omstandigheden. Ja, ja, Frits was de eenige, aan wie hij alles haarfijn

zou kunnen vertellen. O, hij voelde behoefte daaraan. Dat zou hem

opbeuren, nieuwe kracht geven, om voort te gaan op zijn eenmaal

ingeslagen weg. Frits zou hem immers begrijpen, Frits zou ’t

toejuichen, dat hij gevlucht was uit zijn vaders huis, als hij alles

wist. Misschien kende hij Marta wel—althans van naam—want hij studeerde

immers ook in de medicijnen. Hij «zat nu voor zijn doctoraal».

Stellig, naar Frits moest hij. Hij zou hem vragen, eenige dagen bij hem

te mogen logeeren. Dan zou hij verder zien.

Met deze gedachten vervuld wandelde hij door Amsterdams avondstraten:

Leidsche straat, Koningsplein, Heiligen-weg. En voordat hij ’t wist,

herinnerde het gedrang—’t was Zaterdag—hem eraan, dat hij in de smalle

Kalverstraat was aangekomen. Hij keek op zijn horloge: vijf minuten

voor half negen: nog juist tijd, om aan ’t hoofdkantoor een telegram te

bezorgen. Hij moest Frits toch even bericht zenden... En dan dadelijk

naar de trein: de paardetram van de Dam zou hem nog juist vóor ’t

vertrek van de trein aan ’t Centraalstation brengen.

Frans reisde derde klas. Dat was de derde keer in zijn leven, dat hij

anders dan eerste gereisd had; de beide vorige keeren vielen in zijn

jongenstijd, toen hij met een heel gezelschap kameraden van school

eenige wagen-afdeelingen gevuld had. Nu was ’t volkomen vrije keuze.

Hij was immers een nieuw leven begonnen, had gebroken met alle

overbodige weelde, onder ’t volk wou hij zich bewegen, als een werkman!

Hij was immers zelf een werkman, wilde een arbeider zijn, die eerlijk

zijn kost verdient. Nu wel nog niet, maar dan toch spoedig, heel

spoedig. En voorloopig wilde hij zich wennen aan zijn nieuwe

levens-opvattingen.

Hij zette zich in een hoek. Naast hem vleide zich een reuzinne-gestalte

neer met breede rokzwaai: een Zandvoortsche vischvrouw. Haar

ontzaggelijke mand, waarin zeer blijkbaar visch gehuist had, zette ze

tusschen haar en hem op de bank neer. Weldra bereikte de uitwaseming

van de mand Frans’ neusgaten. Wat gaf hij er om! Was die vrouw niet een

eerlijke arbeidster, een braaf werkmensch, zooals hij er ook een wezen

zou, al was ’t dan op ander gebied? En de visscher tegenover hem met

zijn groote klompen, die hij telkens verzette, zoodat Frans zijn

«molières» ieder keer voor platdrukken moest behoeden, met zijn

stinkstok, die hem in ’t gelaat mengelingen van tabak- en vischgeur

deed zweven?

Ook een eerlijk broodverdiener. Dat kon hij hem aanzien. ’t Stond te

lezen in zijn stoere lichaamsbouw en in zijn heldere trouwe blauwe

oogen. En de twee Joodsche handelsreizigers, weldra in druk gesprek,

ook al rookend, dat het een aard had; waren dat ook geen nijveren,

duizendmaal eerlijker dan zoo menige mooidoende Christen, die hij in

zijn stand kende? De kerels namen ’t er eens van; ze rookten een

sigaartje na hun vermoeiende dag, en vermaakten zich met een onschuldig

praatje. Frans maakte de verrassende ontdekking, dat hij zich aangenaam

voelde in dat gezelschap. Voor ’t eerst van zijn leven.

Toch sloot hij na een poosje de oogen, en gaf zich aan zijn gedachten

over.

Toen hij te Leiden vlak vóor de woning van Frederik Van Elst stond

bedacht hij voor ’t eerst, dat het wel wat laat was....

Nou ja, Frits had zijn telegram....

«Juffrouw, meneer van Elst thuis?»

«Nee, meneer.»

«Zoo? Heeft meneer mijn telegram niet ontvangen?»

«O is uwes meneer Jensen uit Amsterdam?»

Frans trippelde van ongeduld.

«Ja» zei Frans kortaf.

«O, komt uwes dan binnen. Meneer heit gezeid, u zou maar op meneer

wachte. Meneer is seffens thuis.»

«Zoo,» bromde Frans, ging de gang in, en de trap op.

«U weet de weg?» De juffrouw verdween, om de lamp aan te steken.

Jawel, hij was er kort vóor zijn eerste ontmoeting met Marta nog

geweest: de kamer op de eerste verdieping vóor aan de gracht.

De jonge man trad binnen, keek eens rond. Weinig veranderd: dezelfde

eenvoudige studentekamer met de oude mahonie-houten meubels, de

gaskroon, de ontzaggelijke canapé, met zwart leeren zitting en dito

stoelen, de schrijftafel met de studeerlamp erop; de boekenplanken met

de groene gordijnen en het Minerva-beeld. Daarover een breed rood lint

met insigne. In een hoek het geraamte, zooals bij iedere «medicus»,

onder het sergekleed, en dan de flesschen met griezeligheden op sterk

water. Frans keek er met een bizondere blik naar, deze keer. Hij dacht

aan zijn stormachtige middag op een andere studentekamer.

Hij vleide zich in een der banale zwart-glanzende vouwstoelen bij het

raam, met het onvermijdelijke sluimer-kussentje; keek nog eens rond,

uit pure verveling. Wat ’n ongezellige inrichting, dacht hij. Anders

bij Marta! Wat ’n platen, daar aan die wand! Hoe kon Frits ze dulden!

Vreemd dat hij daar vroeger nooit zoo op gelet had... De eene stelde

een dwepende juffrouw aan een blauw meer voor, de andere daartegenover

een vrijend paartje in een bootje, ook al op een meer bij maanlicht.

Wat ’n huilerige weeë gevoelerigheid van de ouwe doos! Van de

«schilderijen» dwaalde Frans’ blik naar het gebloemde rood-en-groene

behang. Afzichtelijk! En die spiegel met al de kaartjes, programs,

portretten zelfs... Hoe onoogelijk! En dan die staande klok met het

vergulde amortje met boog en pijl, en de stolp daaroverheen, de

vergulde kandelabertjes aan weerskanten. Onuitstaanbaar alledaagsch

plat prozaïsch zot! Geen gezelligheid, geen smaak... nergens een spoor.

«He» zei Frans en stond op met een trek van ergernis op zijn gezicht:

hier kun je ook duidelijk zien, dat de ziel ontbreekt, dacht hij. De

ziel! Dat is de lieve vrouw, die... Arme Frits: een moeder of zuster

had hij niet, en overigens zou ’t nog wel ’t zelfde met hem zijn als

voor een half jaar. Frits dacht heel diepzinnig over de vrouwen, kon er

heel ernstig over «hannesen» hij mocht «de vrouw in abstracto» wel,

maar in werkelijkheid meed hij ze liever. De exemplaren, die je zoo

zag, waren meestal «niet veel zaaks.» Zoo’n enkele, nou ja... Och nee,

hij hield er zich liever niet mee op...

Frans glimlachte, terwijl hij het groene gordijn der boekenkast met een

rukje opzij schoof, en afgetrokken naar de titels der rijen boeken

keek. Och, die Frits hield zich groot... Schuwheid en schuchterheid

altemaal, verborgen onder een schijn van geringschatting; een vertoon

van ruw cynisme... De ware zou voor hem ook nog wel’s komen; dan zou

je’s zien, hoe de man veranderde. Zoo’n kerel, met zoo’n hart als goud,

zoo door-en-door goed en warmvoelend, in zijn binnenste zoo innig

liefde-behoevend... die kòn immers op den duur niet buiten vrouwelijke

invloed leven! Och, hij kende hem zooveel jaren, en nog altijd die

komische ruwheids-aanstellerij. Hoe menig keer had Frans er hem om

uitgelachen. En dan die tegenstrijdigheid nu en dan, je moest zoo’n

brief ’s van hem lezen, zooals de laatste bijvoorbeeld...

Frans nam onwillekeurig een boek in de hand. Een atlas van

huidziekten... gekleurd! Sloeg ’t met een klap weer dicht, zette het

weer weg. Kinderachtig eigenlijk. Marta moest toch ook diezelfde dingen

bestudeeren. En wat was die studie anders dan een vorm van hooge

menschenliefde... Hij nam een ander boek, een heel dik boek ditmaal,

ook met illustraties. Hij bladerde erin. Keek eens naar de

titel—«Geburtshilfe»—en bladerde nog eens. Bleef lezen en was weldra

verdiept; terwijl hij staan bleef bij de kast. Vreemde, nooit gekende

aandoeningen doorhuiverden hem. Hij dacht aan een jonge vrouw en haar

lijden in de eenzaamheid, de ellende harer verlatenheid bij al haar

lichamelijke smart. En hij zag haar vóor zich, zooals hij haar die

middag op haar kamer had gezien, in haar wondere berusting, haar

frissche levensmoed. «O, Marta!» mompelde hij onwillekeurig, en hij

voelde zijn oogen vochtig worden.

Hij las verder, met kloppend hart. Zijn wangen gloeiden, zijn vingers

omklemden de band van ’t boek met krampachtige vastheid. Zoo, staande,

bleef hij lezen, de eene bladzijde na de andere, onweerstaanbaar

geboeid, gekluisterd door ’t onderwerp in zijn koel-bezadigde

uiteenzetting, overmand door ontzag voor ’t mysterie der geboorte.

«Zoo!» klonk opeens een vrij ruwe, maar vroolijk heldere stem. «Ben jij

aan de studie?»

Verschrikt en als verdwaasd keek Frans op. ’t Was Frederik. Haastig

zette hij ’t boek weg.

«Och,» antwoordde hij een beetje verlegen «ik heb uit verveling maar

een van je boeken opgenomen.»

«Je scheen er nogal in verdiept. Wel, wel, je hebt je dus niet te erg

verveeld.» De vrienden schudden elkaar de hand.

De gastheer nam zijn late gast nauwkeurig op, keek hem strak aan.

«Ga daar zitten. Je hebt me zeker niet kwalijk genomen, dat ik je zoo

ontvangen heb?»

Frans schudde lachend het hoofd, zette zich bij de tafel. Frederik

bleef staan.

«Zeg’s, is er wat bizonders met jou? Zeker wel... Maar je zult

misschien moê en dorstig zijn. Wat gebruiken? Een glas wijn, bier of

wat anders?»

«Och nee, dank je... Of... jawel, geef me maar wat wijn en water... Je

hebt mijn telegram dus behoorlijk ontvangen?»

«Nou ja, natuurlijk... Zoo erg behoorlijk anders niet.»

De jonge medicus scharrelde in zijn buffet, bracht het noodige te

voorschijn, en zette het op de tafel. Onderwijl wierp hij een steelsche

blik naar zijn vriend.

«Zoo,» zei Frans «wat laat, he? Och, maar kerel, ’t is ook zoo’n

bizonder geval.»

«Zal wel.»

«Ja, dat is ’t: ik was je anders niet zoo lastig gevallen.»

«Och, dat nou niet. Je bent welkom, natuurlijk. Wij zijn zulke ouwe

vrinden.. Maar zeg, wat is er nou eigenlijk? Je ziet er zoo vreemd uit,

zoo miserabel, zou ik haast zeggen.»

Frans nam een teug wijn en water, lette er niet op, dat de ander niet

meedronk.

«Een beroerd geval ook, Frits: eenig in mijn leven.»

«Verliefd?»

Frederik ging eindelijk ook zitten, stak een sigaar op, keek Frans weer

strak aan. Deze haalde de schouders op, lachte bitterzoetjes:

«Dacht ik ’t niet? Je schrijft zoo zes maanden lang niet, negeert me

dood-gewoon. En dan ineens zoo’n nachtelijke overval... Maar vóor we

verder gaan: blijf je hier logeeren, ik bedoel hier bij mij?»

«Ja, liefst wel. Als ’t kan ten minste...»

«Alles kan. Ik zal ’t even de juffrouw zeggen; ik zal zien, dat ik ’t

’m lever.»

Frederik ging even de kamer uit, vond ’t wat laat om te schellen. Toen

hij terugkwam, zat zijn gast met de eene hand onder het hoofd.

«In orde, hoor. Ik snap ’t best: je bent liever niet onder vreemden,

he?»

«Nee.»

«Kom, vertel nou ’s op. Lucht je hart! Is ’t heel naar?»

«O, kerel...»

De jonge medicus zette zich tot luisteren.

Daar kwam ’t heele verhaal van zijn vriends wedervaren op de afgeloopen

dag, bij stukken en brokken, hartstochtelijk en onsamenhangend; in

korte, vaak afgebroken zinnen, naïef-oprecht en soms teeder als de

biecht van een heel jong meisje, nu en dan wild als de klacht van een

ijlende koortslijder.

De ander luisterde aandachtig, knikte alleen af en toe, of gaf een

enkel «hm» van instemming of begrijpen, met een kleine

wenkbrauw-rijzing of lipvertrekking.

«Daar, nou weet je alles,» eindigde Frans zijn verhaal En hij keek

Frits in ’t leuke ronde kale blozende gezicht.

De laatste bleef nog enkele sekonden zwijgen, kneep even de kleine

oogen met de witte wenkbrauwen bijna dicht, en liet daarna de huid van

zijn vrij hoog voorhoofd met de witte wenkbrauwen en het kort gehouden

witte rattekop-haar een schuifbeweging naar boven maken. Toen gingen de

wenkbrauwen nòg iets op, de snorlooze lippen drukten zich heel vast

op-een.

«Ezel!» klonk het kortaf en strak.

Het bedrukte gezicht van Frans met de vragende uitdrukking in mond en

oogen, vormde een typisch tegenbeeld met de iet of wat clown-achtige

tronie van zijn vriend.

«Ja, een voorbeeldelooze ezel, een stomme «feutus», of eigenlijk een

zeekwal—want die heeft geen hersens—en laat zich door het eerste het

beste stroominkje in ’t water maar losweeken en meedrijven.»

Frits was opgestaan en liep met zijn sigaar tusschen de tanden geklemd,

scheef in zijn mond, door de kamer.

«Zoo» zei de ander, toen hij begon te bekomen van zijn verbazing.

«Jij bent...»

«Zwijg... Kom je om raad bij me, of hoe heb ik ’t met je?»

«Ja, goed» mokte Frans.

«Luister dan. Je gaat nou naar bed en morgen as de bl.... naar je vader

terug. En heel in de vorm je excuus maken.»

«Onmogelijk!»

«Wat wou je dan? Heb ik nou geen gelijk, als ik je hersen-capaciteit

gelijk nul stel? Zeker naar Marta?»

«Och, natuurlijk niet!»

«Op je zelf gaan wonen, ergens in Amsterdam?»

«Of in ’t buitenland.»

«Je hebt zeker geld genoeg.»

«Nou ja, een half jaar zal ik ’t wel kunnen uithouden.»

«En dan?»

«Dan kan ik werken...»

«Ha, ha, ha, jij werken! Wat? Schrijven zeker?»

«Waarom niet?»

«O ja, dat’s waar, ik heb wel eens een stukje van je gezien in onze

Minerva en je Amsterdamsche Studenten-almanak. Niet zonder talent. Hm,

jawel.»

«Ik kan me oefenen. Aan een redactie van een blad...»

«ja, ja, zeker, aan zoo’n blad kun je in ons land na een jaar of tien,

vijftien soms een behoorlijk inkomen verdienen. En in ’t buitenland sta

je verkeerd met je taal. In ons land is schrijverskunst al heel laag

aangeslagen: de staat doet er niets voor... Kijk ’s naar zoo’n

Rijksmuseum. En de andere kunsten. En het publiek? Dat maalt immers wat

om «vaderlandsche» letteren.»

«Ik verlang geen rijkdom. En later heb ik toch mijn erfdeel.»

«Je zeurt, vriend Frans. Je vertelt me, dat je ’t een half jaar kunt

volhouden. Daarna begint je ellende; want ik voorspel je, je kunt niet

van je pen leven, behoorlijk tenminste niet. Zeker niet getrouwd. En

dan... Nee, laat me uitspreken. En dan trouw je toch, natuurlijk. En ’t

slot van de geschiedenis is, dat je... dat Marta jou onderhoudt.»

Frits was vlak vóor zijn vriend blijven staan, keek hem strak in de

oogen.

«Dat zou ik nooit dulden, dat snap je toch ook wel.»

«Dulden, dulden... maar als je eenmaal samenbent... Nee, baasje: doe

wat ik je geraden heb. En zie de kat uit de boom. Haast heb je immers

niet...»

«Onmogelijk,» mompelde de ander, die ondanks zijn verzet de logica van

Frits ongemakkelijk vond.

«Je moet het zelf weten.»

«Ik kan niet langer thuis zijn.»

«Nou ja, slaap er maar ’s over. Je bent moe en overspannen: je moet

naar bed. Slaap nu maar een gat in de dag morgen. En dan kun je nog

zien. Goeie nacht, hoor. Ik ga naar kooi. Zal ik jou je

slaapgelegenheid wijzen?»

Frans liet zich leiden, mak als een lammetje. Hij had nog nooit te

voren zoo goed—zoo onprettig—gevoeld, dat Frits met zijn twee jaar

meerderheid in leeftijd, ook verstandelijk zijn meerdere was.

Na een tien-urige rust, waarin zijn jeugdig frisch gestel alle schade

ingehaald had, nam Frans afscheid van zijn gastheer. Hij liet deze in

het onzekere aangaande zijn eerste plannen.

Weer te Amsterdam besloot hij even bij Marta aan te gaan. ’t Was toch

beter, haar alles te vertellen. Zeker, natuurlijk: hij moest haar zelf

alles meedeelen. En zij was immers verstandig, zou hem sterken in zijn

voornemens.

Hij gaf zijn koffertje af in een klein hotel, waar hij een kamer nam,

en stapte op de tram, die hem naar de straat zou brengen, waar Marta

woonde.

Ze was niet thuis: uit de stad, zei de huisjuffrouw, die hem nauwelijks

te woord wilde staan. Waarheen wist ze niet.

Frans begreep gauw, dat Marta haar kind was gaan opzoeken. Wat zou hij

daar zelf graag heengaan, haar daar gadeslaan in haar omgang met dat

kind! ’t Was een onmogelijkheid, voor ’t oogenblik ten minste; want

blijkbaar hield zij ’t voor iedereen geheim, waar ze de kleine jongen

in de kost gedaan had.

Mistroostig bracht Frans eenige uren in zijn hotel door met het lezen

van kranten. ’s Avonds om een uur of acht zond hij een kruier met een

briefje, waarin hij haar een ontmoeting bij Kras voorstelde.

Een half uur vóor de afgesproken tijd stapte Frans de welbekende ingang

van Krasnapolski binnen. Een gegons van stemmen en voetgeschuifel,

getik van vorken en lepels, geklik en gestoot van flesschen glazen en

borden klonk door de groote ruimte der eetzaal met het hooge glazen dak

en de weelderige plant-versieringen. De lucht was nog bezwangerd met

een eigenaardig weezoet-zurig mengsel van etensgeuren en uitwasemingen

van wijn, bier en andere dranken. Kelners met helder-witte voorschoten

liepen af en aan met hun bladen, flesschen en glazen, handig sturend

door de rijen gedekte en ongedekte tafeltjes en de daartusschen

wemelende menschendrukte. Aan enkele tafeltjes zat men nog te eten of

onder een glas wijn na te praten, aan de meeste werd slechts gedronken

of een gelegenheids-lekkernijtje verorberd. Eerzame «kleine

luiden»—man, vrouw en eenig kroost, deden zich te goed aan de beroemde

pannekoeken van Kras, vader ernstig beschermend, moeder goedig

vollemaan-achtig, kinderen stralend van uitgaans-vreugde.

Frans keek met afgetrokken blik naar al dit leven om hem heen, terwijl

hij aan een tafeltje dicht bij de ingang plaats nam. Hij dacht aan de

keeren, dat hij met Marta daar in diezelfde zaal gegeten had: daar

schuin aan de overkant dicht bij de doorgang naar de zoogenaamde

«Wintertuin» achterin.

Zondagavond was hij er nog nooit geweest. ’t Was er wat erg «balsemiek»

roezemoezig: zou hij wel blijven, als Marta kwam, of dan ergens anders

heengaan?

Telkens keek hij naar voren. Marta was erg stipt, ze zou wel niet lang

meer uitblijven. He, nog tien minuten: ging zijn horloge niet goed?

Wonderlijk: hij verbeeldde zich, daar al zoo’n heele poos te zijn!

Daar zag hij een dame zonder geleide, met lichte bloeze, stroohoedje...

of hoorde die vent bij haar, met die hooge hoed en dat zotte

zondagsgezicht? Och ja, hoe kon hij zoo dom zijn! Maar er drongen ook

zooveel menschen tegelijk naar binnen op dat oogenblik, en hij keek

door de glazen deur, die telkens open en toe zwaaide. Onwillekeurig

moest hij lachen: dat Marta! Hoofd en bovenlijf deden aan haar

denken—in de verte!—maar die gang, die voeten!

Daar was ze dan toch werkelijk: hij kon haar duidelijk waarnemen, ze

was alleen in de gang.

De glazen deur werd opengestooten en vlug, rank en bevallig stapte het

kleine vrouwtje de groote zaal in. Frans deed, of hij haar niet zag:

hij woû ’s opletten, of ze hem dadelijk zou opmerken. En hij verborg

zich achter een krant, tersluiks erlangs kijkend, om haar niet uit het

oog te verliezen, als ze hem voorbij mocht loopen. Wat zag ze er lief

uit! Wat keken haar levendige oogen helder en opgeruimd, wat stond die

lichtpaarse bloeze met die donkerbruine voetvrije rok haar keurig!

Met vlugge stapjes liep Marta de doorloop in, die langs Frans’ tafel

leidde, week hier en daar uit, met harmonisch lijfbeweeg. Ze zag hem

niet! Of deed ze zoo, de schalk? Reeds was ze een paar pas voorbij zijn

plaats.

Hij sprong op, stapte haar achterna, had haar weldra ingehaald.

«Marta!» riep hij halfluid, om de menschen, stootte haar even aan. En

zij, alsof ze schrok:

«Wel Frans!» Ze keken elkaar aan, en bij de ontmoeting hunner blikken

blonk er een hartelijke lach in beider oogen.

Een oogenblik later zaten ze samen aan een tafeltje in ’t achterste

zaalgedeelte, in ’t oude hoekje, dat gelukkig vrij was. Wat waren ze

blij elkaar terug te zien, en veilig eenzaam, ondanks ’t zondagsche

geroezemoes der Kras-bezoekers om hen heen!

’t Was zulk een genot, elkaar weer te zien! Beiden zagen er goed uit,

en voelden ’t jonge leven moedig en hoopvol in zich bruisen. Frans

dacht niet meer aan bezwaren. Hij vertelde ’t gebeurde. De manier was

heel anders dan bij zijn vriend Frits.

Marta’s hart popelde: o, ze begreep ’t heel goed, hij kon nu niet meer

terug. Haar verlangen, haar dorsten naar geluk na die jaren van

harts-verweezing, overstemde alle verstandelijkheid.

Ze spraken beiden zacht, bijna fluisterend. Zij knikte telkens, met

stralende oogen hem aanziende. Of ze zei: «Ja.. zeker.» En toen Frans

uitgesproken had, greep hij haar hand, naast het tafeltje, bijna

eronder.

«Ik kan niet langer zonder jou leven, Marta,» zei hij zacht.

Een kelner kwam op hen af. Frans liet Marta’s hand los, bestelde

haastig wat.

«Twee koffie... Jij ook immers, Marta?»

Zij knikte.

«Hoe is t met.... waar je geweest ben vandaag?»

Marta kleurde.

«O best... Hij maakt ’t heel goed.... Ik had behoefte hem te zien

na.... onze verklaring.»

Frans keek haar zwijgend aan.

«Ik woû hem in ons geluk laten deelen, Frans. Ja, lach jij maar. Ik heb

dat op mijn manier wel gedaan gekregen....»

«We moeten zoo spoedig mogelijk weg,» zei de jonge man.

«Alle drie....»

Marta knikte, zielsgelukkig.

«Ik zal werken, hard werken. En we zullen er wel komen.»

O ja zeker: daar was ze niet bang voor. Haar praktische kijk op ’t

leven deed haar twijfelen aan de groote verwachtingen van haar vriend.

Hij zou in de eerste tijd niet veel verdienen.... Maar wat zou dat nòg!

Zij had genoeg, al was ’t niet veel. Gaf hij haar niet zijn steun, zijn

bescherming als man, zijn edele toewijding aan hun beider belangen, aan

de hare en die van haar ongelukkig kind? Opende hij haar niet een

toekomst van geluk?

Ze was vrouw en ze was jong....

Om het recht der liefde · 第 10 / 21 题