XXVIII.

Uw vragende oogen zijn droef. Zij zoeken

mijn gedachte te kennen, zooals de maan de

zee zou peilen.

Ik heb mijn leeven blootgelegd voor uw

oogen van eind tot eind, en niets verborgen

of teruggehouden. Daarom kent gij mij niet?

Was het maar een juweel, dan kon ik het

in honderd stukken breeken en aan een

snoer rijgen voor uw hals.

Was het maar een bloemeke, klein en rond

en lief, dan kon ik het van zijn stengel plukken

voor uw haar.

Maar het is een hart, mijn geliefde. Waar

zijn zijn kusten, waar is zijn boodem?

De grenzen van dit rijk kent gij niet, en

toch zijt ge er kooningin.

Was het maar een kort vermaak, dan kon

het ontbloeyen in een ligte glimlach, en ge

zoudt het in een oogwenk kunnen zien en

verstaan.

Was het maar enkel een verdriet, dan kon

het smelten in klare tranen, en zijn innigst

geheim doen weerglanzen zonder een woord.

Maar het is Liefde, mijn Liefste.

Haar vermaak en verdriet zijn grenzeloos,

en eindeloos haar nooden en weelden.

Zij is u zoo na als uw leeven, en toch kunt

ge haar nooit geheel kennen.

De Hoovenier · 第 45 / 106 题