Uw vragende oogen zijn droef. Zij zoeken
mijn gedachte te kennen, zooals de maan de
zee zou peilen.
Ik heb mijn leeven blootgelegd voor uw
oogen van eind tot eind, en niets verborgen
of teruggehouden. Daarom kent gij mij niet?
Was het maar een juweel, dan kon ik het
in honderd stukken breeken en aan een
snoer rijgen voor uw hals.
Was het maar een bloemeke, klein en rond
en lief, dan kon ik het van zijn stengel plukken
voor uw haar.
Maar het is een hart, mijn geliefde. Waar
zijn zijn kusten, waar is zijn boodem?
De grenzen van dit rijk kent gij niet, en
toch zijt ge er kooningin.
Was het maar een kort vermaak, dan kon
het ontbloeyen in een ligte glimlach, en ge
zoudt het in een oogwenk kunnen zien en
verstaan.
Was het maar enkel een verdriet, dan kon
het smelten in klare tranen, en zijn innigst
geheim doen weerglanzen zonder een woord.
Maar het is Liefde, mijn Liefste.
Haar vermaak en verdriet zijn grenzeloos,
en eindeloos haar nooden en weelden.
Zij is u zoo na als uw leeven, en toch kunt
ge haar nooit geheel kennen.