Het publiek, dat de première ging bijwonen in den Garrick-schouwburg,
amuseerde zich vóór de voorstelling met het berichtje in de avondbladen
betreffende de inbraak bij de tooneelspeelster. Daarna las men het
programma van de voorstelling.
Hoe meer men tuurde op de rollen, die in het nieuwe stuk voorkwamen,
hoe meer het stuk hun verdacht voorkwam, temeer, daar de titel hen al
herinnerde aan de jongste gebeurtenissen en de rollen van bankier,
hertog en inspecteur van politie sterke gelijkenis toonden met de
personen der zedelijkheidsvereeniging.
Verder trof men onder de rollen die van een Chinees,
Su-Ki-Bit-Wou-Wang, verder een tooneelspeelster, een danseres, en ten
laatste als clou, als buitengewone sensatie, stond vermeld de naam:
Raffles.
De tooneelkijkers werden nieuwsgierig naar de loge gericht, waarin de
inspecteur van politie Baxter met eenige andere politiebeambten zat.
Deze had geen vermoeden, dat hij het middelpunt der belangstelling van
het publiek was geworden.
Zenuwachtig wachtten de ongeduldigen tot het belletje klonk, het
gordijn omhoog ging en men een nauwkeurige copie van een der zalen uit
hotel Cecilia op het tooneel zag.
De redevoeringen der zoogenaamde bevorderaars der goede zeden wekten
den algemeenen lachlust op, behalve bij Baxter, die zich nauwkeurig
nagebootst op de planken zag, en zijne verbazing bereikte het toppunt,
toen de bekende Su-Ki-Bit-Wou-Wang ten tooneele verscheen.
Deze speelde zijn rol meesterlijk en het publiek genoot volop, toen hij
uit de vergadering der zedelijke heeren werd verwijderd.
Nu veranderde het tooneel. Dames der demi-monde traden binnen, en men
kreeg tooneeltjes te aanschouwen, die in de Vereeniging ter bevordering
der goede zeden allesbehalve thuis behoorden.
Zoo werd achtereenvolgens al het gebeurde met Harper, Miss Raabe en den
Chinees voor het voetlicht gebracht, tot zelfs de inbraak bij de
tooneelspeelster en de vermakelijke scène op het bureau van den
inspecteur Baxter.
Het publiek riep enthusiast om den schrijver, waarna plotseling het
gordijn vaneen ging, de Chinees verscheen en boog.
Allen stonden verbluft.
Baxter had den schouwburg allang verlaten met zijn beambten.
Toen werd er van de galerij geroepen:
„Masker af! We willen zien hoe gij er uitziet!”
De Chinees gebood met een handgebaar stilte en sprak:
„Ik ben zeer blij, dat het stuk u is bevallen, en voldoe gaarne aan uw
wensch, mij zonder masker te zien. De inspecteur Baxter is toch niet
meer in de zaal! Een oogenblik slechts!”
Even later keerde hij terug als volmaakte heer, met gladgeschoren
gelaat, monocle in het oog en in eleganten rok gekleed.
„Raffles! Raffles!” klonk het van alle kanten.
„En sta mij nu toe, dat ik mij aan u voorstel. Gij zult het
begrijpelijk vinden, dat ik dadelijk daarna vertrek. Mijn naam is......
John C. Raffles......”
Het publiek stormde op het tooneel toe, doch Raffles was al verdwenen.
Het gebeurde ging als een loopend vuurtje door Londen en niet het minst
van allen was Baxter verbaasd, toen hij vernam, hoe de afloop was
geweest na zijn vertrek uit den schouwburg, en dat Raffles had
aangekondigd, dat het einde van het stuk morgen in de couranten te
lezen zou zijn.
En werkelijk bevatten de middagbladen van den volgenden dag in vet
gedrukte letters op de eerste bladzijde het volgende artikel:
„De schuldige aan den moord van den bankier Harper. Raffles’
inbraak uit medelijden. Raffles een weldoener.
De weduwe van den bankier Harper, die zich voor een paar dagen van
het leven beroofde wegens verliezen op de beurs, ontving heden van
Raffles 7000 pond sterling met de mededeeling, dat hij dit
ontstolen had aan een tooneelspeelster, die de beminde van den
bankier was geweest. De bankier zou dit geld aan zijn beminde
hebben cadeau gegeven— —
Tegelijkertijd ontving het kantongerecht te Hampton Road 3000 pond
sterling, zijnde de verduisterde deposito’s, welke door Raffles
werden ter beschikking gesteld.
De weduwe, die met haar twee kinderen in armoede verkeerde, is door
deze daad tegen hongerlijden en ellende beschermd.
Wij koesteren de hoop, dat Raffles onze stad nog dikwijls moge
zegenen met dergelijke inbraken.”
„Hij heeft alweer een standbeeld verdiend”, zei de Vloo, toen hij het
artikel las.
Baxter echter was het een pak van het hart en hij dacht: „Raffles is
toch een fatsoenlijk mensch.”
„Ik ben blij, dat eindelijk van u te hooren”, sprak de Vloo.
Daarna vroeg hij: „Blijft gij voorzitter van de Vereeniging ter
bevordering der goede zeden?”
„Ik heb maling aan de goede zeden”, schreeuwde Baxter, „de duivel moge
ze halen!”
„Hoerah!” riep de Vloo, „ik geloof, dat gij verstandig wordt en dat
hebt gij alleen aan Raffles te danken.”