Miss Raabe wachtte Su-Ki-Bit-Wou-Wang tamelijk onverschillig op.
Tevergeefs keek zij ieder oogenblik door de ruiten op straat om te zien
of hij ook kwam, nu eerst herinnerde zij zich, dat zij nog nooit in
zijn woning was geweest.
Zij besloot vanavond de schade in te halen, en ontwierp een plan om den
Chinees verder in haar netten te vangen, want na den dood van Harper
had zij een nieuwen geldschieter noodig.
Su-Ki-Bit-Wou-Wang kwam ’s avonds echter niet.
Tegen middernacht besloot zij het wachten op te geven en trok zich
terug in haar slaapkamer.
Zooals gewoonlijk nam zij ook nu een slaapmiddel in en sliep weldra
vast.
De schemerlamp wierp haar getemperd licht op de kostbare, zijde dekens,
waaronder de tooneelspeelster rustte, toen opeens de geheime deur der
kleerkast open ging en de donkere gestalte van een man te voorschijn
trad.
Hij schreed de slaapkamer binnen tot aan het bed der slaapster. Het
gelaat van den man was met een zijden masker bedekt, waaruit alleen
twee donkere oogen fonkelden.
De gemaskerde sloop naar het ijzeren kistje, dicht bij het bed en had
weldra van een sleutelbos den passenden sleutel gevonden, waarmede hij
het kistje openmaakte.
Daarin bevonden zich diamanten, edelgesteenten en ringen, alsook meer
dan 10,000 pond in bankpapier.
De kostbaarheden en bankbiljetten waren spoedig in een leeren taschje
gepakt en na zijn visitekaartje in het kistje te hebben gelegd, verliet
de gemaskerde even stil als hij gekomen was de kamer.— —
Den volgenden morgen tegen 11 uur vloog de tooneelspeelster Miss Raabe
als een krankzinnige bij Baxter het bureau binnen met den uitroep: „Ik
ben door Raffles bestolen, heeren!”
Verschrikt sprong Baxter op en riep: „Wat schreeuwt ge toch, Madam,
door wien zijt ge bestolen?”
„Door Raffles!” schreeuwde de miss opnieuw opgewonden. „Meer dan 10,000
pond aan bankbiljetten en evenveel waarde aan diamanten. Lieve
inspecteur, help mij toch uit vriendschap.”
„Pardon,” sprak Baxter, „gij zijt hier in het bureau van den inspecteur
van politie! Laat mijn persoon er dus buiten.”
Hij wilde voor de Vloo zijne betrekkingen tot de wereld verbergen.
„Waar hebt ge Raffles leeren kennen?” vroeg hij aan Miss Raabe.
„Ik heb hem nog nooit gezien,” antwoordde deze schouderophalend.
„Maar hij moest toch weten, dat gij uw geld en sieraden thuis bewaart.
De Groote Onbekende zal geen inbraak plegen zonder zich te
oriënteeren.”
„Misschien is hij onder een anderen naam bij u geweest,” viel de Vloo
in de rede.
„Ik ontvang geen heeren,” antwoordde de tooneelspeelster, „en heb
trouwens maar één vriend, een buitenlander, die in het geheel niet in
aanmerking komt.”
„Een buitenlander is zeer verdacht. Wilt gij ons zijn naam noemen?”
vroeg Baxter.
„Dat heeft geen doel, heeren,” antwoordde de bestolene, „doch wanneer
gij er bijzonder op staat en u zelf wilt overtuigen, het is een Chinees
en hij heet Su-Ki-Bit-Wou-Wang”.
„Zoo, zoo!” meende de Vloo, „als die Chinees Raffles maar niet is.”
„Gij zijt en blijft een idioot, Marholm,” stoof de inspecteur op, en
zich daarna tot Miss Raabe wendend:
„Hoe weet ge, dat het Raffles was, die de inbraak pleegde?”
„Hier is zijn visitekaartje, dat in het kistje lag,” antwoordde zij.
Op dit oogenblik belde de telephoon en Baxter riep:
„Hallo, wie daar?”
„Spreek ik met inspecteur Baxter?”
„Ja, wat wenscht u?”
„Is Miss Raabe ook bij u?”
„Ja, de Lady is hier op het bureau.”
„Wel, groet haar dan van mij.”
„Wie zijt ge dan?”
Toen klonk langzaam en duidelijk door de telephoon:
„John C. Raffles!”
„De duivel hale u!” schreeuwde Baxter, waarop het lachend terugklonk:
„Dat zal gebeuren!”
De telephoon ophangend riep Baxter: „Dat is weer echt zijn brutaliteit.
De kerel belt me op en drijft den spot met ons. Kon ik hem toch
eindelijk eens pakken.”
„Is die man dan werkelijk niet te pakken?” vroeg Miss Raabe.
Baxter haalde de schouders op, doch de Vloo verklaarde:
„Door ons niet, dat is zeker.”