EEN DETECTIVE-TRUC.

Het was slechts een kleine bestuursvergadering, die dezen avond plaats

had in de Vereeniging ter bevordering der goede zeden.

Meneer Harper verscheen even over tienen en vond de heeren al voltallig

bij elkaar.

Zijn gelaat straalde van zelfvoldoening en van het geluk, dat hij de

laatste paar uren aan de zijde der bekoorlijke Miss Raabe had genoten.

Terwijl hij de vergadering leidde, wachtte zij beneden in de leeszaal

van het hotel.

Om de verveling te verdrijven, bladerde zij de daar neergelegde

couranten door.

Plotseling zag ze midden door de zaal Su-Ki-Bit-Wou-Wang aankomen.

„Hallo!” riep zij, „Mr. Jucki, waar wilt ge naar toe?”

De Chinees deed eerst erg verlegen, doch sprak toen, zijn gelaat

plooiend tot een beminnelijk glimlachje:

„O, ik zijn zeer verheugd, u te zien, mooie Miss Raabe, ik wil gaan

naar de „bevordering der goede zeden”

„Och zoo,” lachte zij, „gij bedoelt die Vereeniging!”

Hij knikte: „Yes, naar die Vereeniging!”

Zij klopte hem op de schouders en zei: „Weet wel, lieve Jucki, dat ge

daar niet veel wijzer zult worden. Ze bevorderen daar alleen de zeden

van anderen, aan zichzelf denken ze niet.”

„Dat hindert niets!” antwoordde de Chinees, „ik moet kennen leeren, of

hier bij u in Engeland ook zulke onzedelijkheden als in China. Ik

geloof, wij zijn even fatsoenlijke menschen!”

„Veel fatsoenlijker,” lachte Miss Raabe, „geloof me, ik heb er

ondervinding van. Ik ken de Londensche mannen.”

„Ik niet daaraan twijfel en weet u, ik ook veel liever in uw gezelschap

was dan in dat zedelijk gezelschap.”

„Ik heb een idee,” hernam Miss Raabe, „blijf gij bij mij en laten we

den avond ergens gaan doorbrengen. Ik verveel mij dood in gezelschap

van Harper.”

„O, hij is een zeer nette mensch, niet waar?”

„Gij bedoelt, omdat hij mij verveelt?”

„O ja, ik dat bedoel.”

„Dan vergist gij u,” lachte de schoone, „hij is het absolute tegendeel

van netheid. Gij begrijpt, dat men ook wel graag eens wat anders hoort,

en ik zou blij zijn, in fatsoenlijk gezelschap te verkeeren. Daarom zou

ik u willen verzoeken, den avond met elkaar door te brengen.”

„Allright,” knikte Su-Ki-Bit-Wou-Wang. „Ik gaarne bereid ben daartoe.

Maar wij wat doen?”

„Ik weet wat. Vis-a-vis het hotel is een oestersalon. Net rechts

tegenover het Strand. Daar zal ik op u wachten, als de vergadering is

afgeloopen.”

„Allright,” zei de Chinees.

Het tweetal reikte elkaar de hand, waarna hij zich naar de aan het eind

der gang gelegen kleine zaal begaf, waarin de vergadering plaats had.

Bij zijn binnentreden keken alle aanwezigen hem nieuwsgierig aan.

Baxter had de aanwezigen al meegedeeld, dat hij zou komen, en allen

wachten in spanning zijn komst af.

Een vroolijk lachje kwam op het gelaat der heeren, toen de Chinees

volgens landsgebruik zijn vilten schoenen uittrok, driemaal op zijn

knieën sloeg en eenige grappige buigingen maakte.

„Dat is zijn begroeting”, fluisterden de Engelschen tot elkaar, stonden

daarna op en maakten een stijve buiging.

De Chinees trad naderbij, schudde ieder de hand en noemde zijn naam:

Su-Ki-Bit-Wou-Wang.

Toen hij bij Baxter en Harper was gekomen, wilde hij met hen volgens

Chineesch gebruik gaan neus wrijven, hetwelk deze echter op hoffelijke

wijze afweerden door hem te verklaren, dat zij van zijn toegenegenheid

waren overtuigd, ook al gaf hij hun slechts volgens gebruik de hand.

Men bood daarop Su-Ki-Bit-Wou-Wang een stoel aan en de vergadering werd

voortgezet— —

Gedurende een kleine pauze vroeg de naast den Chinees zittende

Engelschman, hoe het hem in hunne vergadering beviel.

„O”, zei Su-Ki-Bit-Wou-Wang, „als straks komen de kleine meisjes, zal

het zeer aardig worden!”

De Engelschman, een predikant van streng rechtzinnige beginselen, week

ontsteld achteruit en kon zijn ooren bijna niet gelooven. Doch eenige

andere leden hadden de nogal luid gesproken woorden eveneens verstaan

en, als echte Engelschen, wel van een grapje houdend, vroegen zij:

„Wat voor kleine meisjes bedoelt u, Mr. Wang?”

„O,” gaf de Chinees ten antwoord, „ik bedoel de kleine meisjes, bij wie

ik mijne vrienden, de heeren presidenten, in den schouwburg zag

zitten!”

Opeens werd het ijzig stil als in een kerk. Harper en Baxter zaten als

aan den grond genageld.

Alle aanwezigen keken hen aan met een verwijtenden blik, die hen als

het ware doorboorde. Vooral de predikant zette een gezicht, alsof hij

de heilige aartsengel in eigen persoon was, die Gods oordeel

verkondigde.

Hij was dan ook de eerste, die het stilzwijgen verbrak en aan Mr.

Harper vroeg:

„Wat hebt gij op de merkwaardige woorden van dezen geachten gast te

antwoorden, meneer de president?”

Harper was zoo rood als een kreeft van opgewondenheid. Het zweet

druppelde in dikke parelen van zijn voorhoofd. Hij stond op, want hij

begreep, dat hij wat antwoorden moest.

„Mijne heeren,” aldus begon hij, „Mr. Wang heeft gelijk, wanneer hij

zegt, dat hij de presidenten van de Vereeniging ter bevordering der

goede zeden in gezelschap heeft aangetroffen van twee meisjes, die

helaas tot de verworpelingen van de maatschappij zijn te rekenen.”

Een luid „Foei” klonk rondom de tafel, hetwelk Harper met een

handbeweging bezwoer, waarna hij vervolgde:

„Gij vergist u, mijne heeren, wanneer ge meent u over de houding van

uwe presidenten ongerust te moeten maken; wij waren slechts in onze

hoedanigheid van trouwe strijders voor de goede zeden in gezelschap van

die dames.

„We hebben beproefd haar van haar slechten levenswandel terug te

brengen en haar weer het pad des deugd en zedelijkheid te doen

betreden.

„En het is mij gelukt een der zondaressen in een christelijk Tehuis

onder dak te brengen. Zij zal voor liefdezuster worden opgeleid.”

Nu weerklonk een luid „Bravo!”, terwijl de predikant sprak:

„Ik verzoek u uit naam van mijn vrienden aan deze tafel om vergiffenis.

De hemel moge uwen verderen strijd met zegen kronen.”

De president boog en met tranen van ontroering in de oogen ging hij

weer zitten om Baxter onder de tafel ongemerkt de hand te drukken.

Men zou nu gaan confereeren over het verbod van de verkoop van sommige

humoristische bladen.

De predikant had het voorstel gedaan een der schendbladen voor ondeugd

en onzedelijkheid van den Engelschen bodem te verbannen.

Opeens stond Su-Ki-Bit-Wou-Wang op.

„Pardon, heeren,” zei hij, „doch ik vinden deze vergadering zonder

kleine meisjes te oninteressant! Ik zal weer vertrekken. Bij ons in

China zorgen altijd kleine meisjes voor conversatie in

heerengezelschap.”

Opnieuw klonk een onrustbarend luid „Foei!” door de zaal.

Toen greep Harper, die eindelijk gelegenheid vond zich op zijn

aanvaller te wreken, den presidentshamer, gebood daarmee stilte en

riep, op Su-Ki-Bit-Wou-Wang wijzend: „Eruit gij, immoreel en onzedelijk

wezen! Waag het niet u ooit weer in ons midden te vertoonen. Gij zijt

een liederlijk mensch!”

„Liederlijk mensch!” riepen alle Engelschen tegelijk en spuwden op

Engelsche wijze naar Su-Ki-Bit-Wou-Wang op den grond.

Toen hij de zaal had verlaten, zei de predikant met ten hemel gerichte

oogen:

„Laten we opstaan van onze zitplaatsen, beste vrienden, en den hemel

danken, dat hij den duivel, die in de gedaante van dien vuilen Chinees

tot ons kwam, te rechter tijd uit onzen edelen deugdzamen kring heeft

verdreven.”

Allen stonden op, sloegen met den predikant de oogen op en gingen

daarna weer zitten.

Nadat men het er, na een kort debat, over eens was geworden, dat het

bedoelde tijdschrift een schendblad van het ergste allooi was, dat

stelselmatig, niet alleen de jeugd, doch ook de ouderen ten verderve

voerde, en daarom moest verboden worden, verklaarde Mr. Harper de

zitting voor gesloten, en, zakelijke bezigheid voorwendend, verliet hij

de vergadering.

Toen hij in de leeszaal kwam, om zijn geliefde af te halen, keek hij

vergeefs rond.

Een voorgevoel zei hem, dat zij misschien dien vervloekten Chinees had

ontmoet en met hem het hotel had verlaten.

Als een woedende stier snelde hij naar haar huis en toen hem niet werd

opengedaan, liep hij voortdurend daarvoor op en neer.— —

Miss Raabe zoowel als Su-Ki-Bit-Wou-Wang hadden ondertusschen samen

gesoupeerd. Tegen twee uur ’s nachts verklaarde zij gaarne naar huis te

willen gaan.

„Ik ben bang,” zei zij, „lieve Jucki!” (Ze waren nu al zeer intiem.)

„Geloof mij, die jaloersche man, Mr. Harper, zal bepaald voor mijn huis

staan om mij op te wachten. Ik ben bang, direct naar huis te gaan.”

„Ik zal dien man wel weg werken,” antwoordde Raffles.

Hij liet zich door den kellner papier en enveloppe brengen en schreef

een paar bladzijden. Daarna liet hij door den kellner een nacht-kruier

ontbieden.

Dezen overhandigde hij den brief, nadat hij op geheimzinnige wijze

verscheiden minuten met hem had gesproken. Na verloop van een kwartier

zei de Groote Onbekende:

„Ik zal u nu naar huis brengen, Miss Raabe, ge kunt volkomen gerust

zijn.”

„Is Harper er niet meer? Dat is mij een raadsel!” meende zij, „ik weet

niet, hoe ge dat hebt klaar gespeeld.”

Su-Ki-Bit-Wou-Wang glimlachte slechts, doch gaf geen antwoord.

Terzelfder tijd trad een nacht-kruier op den bankier toe, die nog

steeds voor het huis op en neer wandelde, en, zijn pet afnemend, zei

hij:

„Is u Mr. Harper?”

„Jawel”, antwoordde deze, „dat ben ik. Wat wenscht ge van mij?”

„Ik moet u een brief overhandigen.”

Hij gaf Mr. Harper het schrijven.

„Van wien komt die brief?” vroeg hij.

„Van den inspecteur van politie Baxter,” antwoordde de kruier.

Zonder verder antwoord af te wachten, verliet hij den bankier en

verdween in het nachtelijk duister.

Harper echter snelde naar een straatlantaarn, scheurde den brief open

en las:

„Dear Sir!

Ik ontving juist een alarmeerend bericht. Een van mijn detectives

deelde mij mede, dat men ontdekt had, dat gij de deposito’s van uw

klanten hebt verduisterd. Neem u in acht!”

De brief was niet onderteekend.

De straat begon opeens te draaien voor Harpers oogen. Hij viel bijna

neer als een dronken man en moest zich aan een straatlantaarn

vasthouden.

Daarna frommelde hij het blad papier ineen, stak het in zijn zak en

snelde weg. Zijn slecht geweten begon geweldig te knagen.

Hij voelde zich als door den duivel bezeten. Als een schaduw vluchtte

hij weg in de duisternis— —

Terzelfder tijd hield een rijtuig voor het huis stil.

De Chinees stapte uit en hielp Miss Raabe uit het rijtuig.

„Gij moet mij in mijn woning begeleiden,” zei zij, „ik ben vreeselijk

bang. Mogelijk loert die man daar op mij.”

„Ik zijn zeer moe,” antwoordde de Chinees, „ik hier zal wachten, totdat

gij woning doorzoekt en dan naar huis rijden. Ik graag in gevaar met

jonge dames mag samen zijn.”

Daar zij om den Chinees persoonlijk weinig gaf, doch slechts op zijn

geld aasde, zei zij hem vluchtig goeden nacht, sloot het huis open en

trad naar binnen.

Raffles wachtte nog een paar minuten, daarna werd op de eerste etage

een raam geopend, Miss Raabe verscheen, wenkte hem met haar zakdoek en

riep:

„Hier is niemand, ik dank u, lieve Jucki, goeden nacht!”

De Chinees sprak door zijn neus een onwelluidend „Goeden nacht”, stapte

in zijn rijtuig en reed weg.

Den volgenden morgen had Raffles het tot Charly Brands verbazing

merkwaardig druk.

Door middel van een advertentie in de courant had hij een stenographe

in dienst genomen en begon deze een comediespel te dicteeren.

Onvermoeid was hij daarmee bezig en rustte niet, voordat hij den

éénacter in twee dagen klaar had.

„Wil je mij het stuk niet voorlezen?” vroeg Charly Brand, die

nieuwsgierig was naar den inhoud.

„Dat is onnoodig, jongen, je zult het gauw genoeg op de planken zien.”

John Raffles kende door zijn club den directeur van den

Garrick-Schouwburg en bracht hem een bezoek.

„Er is me zeer veel aan gelegen,” wendde hij zich tot den directeur,

„dat ge dezen éénacter al over een paar dagen op de planken laat

spelen.

„Ik ben bereid alle aan de uitvoering verbonden kosten voor mijn

rekening te nemen. Het geldt hier een privé-genoegen voor mij

persoonlijk, en om te zien, of ik werkelijk de gave bezit, succesvolle

theaterstukken te schrijven.”

De directeur kende Lord Lister onder den naam Baron von Walkerfield.

Hij bladerde het stuk door, en nadat hij het in een goed kwartier

vluchtig had gelezen, verklaarde hij zich bereid, het stuk door zijn

tooneelspelers in drie dagen te laten instudeeren en de première reeds

over vier dagen te doen plaats hebben.

Eén moeilijkheid was aan de zaak verbonden, en dat was de censuur der

politie.

„Hoe kunnen we dat klaarspelen?” vroeg Raffles.

„Heel eenvoudig, beste baron”, antwoordde de schouwburgdirecteur, „ik

zal een vriendelijk briefje schrijven aan den censor en er voorzichtig

een biljet van 100 pond bij insluiten.”

„Fameus,” lachte Raffles, „dan zijn we klaar, nietwaar?”

„Jawel,” gaf de directeur ten antwoord, „ik heb echter nog één vraag,

namelijk wie zal de rol van den Chinees Su-Ki-Bit-Wou-Wang spelen in

het stuk?”

John Raffles begon opnieuw te lachen en sprak:

„Bijna had ik het voornaamste nog vergeten; die rol speel ik zelf.”

„Gij zelf? Hebt gij den moed als tooneelspeler op te treden?”

„Wel natuurlijk,” knikte de Groote Onbekende. „Ik speel in het gewone

leven nog meer comedie dan op de planken noodig is.

„Ik verzeker u, mijn beste directeur, nog afgezien van het feit, dat ik

de kosten der opvoering betaal, zult ge schitterende zaken maken met

het kleine tooneelspel.

„Ik zou durven wedden, dat geheel Londen hierheen komt om het stuk te

zien.”

„Dat ware te wenschen,” lachte de directeur, „ik heb op ’t oogenblik

juist geen goed stuk. Laten we dus het beste hopen.”

John Raffles nam afscheid en reeds den volgenden morgen begon de

directeur met de voorbereidingen. Hij verklaarde den baron, dat deze

hierbij zijn medewerking moest verleenen.

Eenige uren later ontving Baxter, die, zooals vermeld, het ambt van

censor voor tooneelspelen in Londen uitoefende, d.w.z. hij moest nagaan

of de stukken ook gevaar opleverden voor de goede zeden, een brief van

den directeur van den Garrick-schouwburg, benevens een blauwe

portefeuille, waarin zich het tooneelstuk bevond.

Baxter scheurde den brief open en las:

Beste Inspecteur!

Hierbij een stuk voor de censuur, waarbij zeer veel haast is.

Met vriendelijke groeten,

Uw

GARRICK.

Tegelijkertijd had de inspecteur het bankbiljet van honderd pond

gevonden en stak dit met een inwendig lachje in zijn vestjeszak. Hij

kon het juist goed gebruiken, daar hij door zijne verhouding tot de

vriendin van Miss Raabe, de kleine Trude Hansch, veel geld had

uitgegeven.

Hij nam het voorgeschreven politiestempel, dat het verlof tot de

opvoering bekrachtigde, sloeg de klep der portefeuille op en drukte het

zegel op den omslag van het tooneelstuk, zonder er verder naar om te

zien.

Daarna schelde hij een bode en liet het toegelaten stuk naar den

directeur van den Garrick-schouwburg brengen.

De Vloo had stilzwijgend toegezien en zei nu:

„Weet ge, inspecteur, als ik me niet vergis, hebt ge daar juist weer

toestemming verleend tot het opvoeren van een tooneelstuk, dat ge

heelemaal niet kent. Ge zult u op een goeden keer nog eens gevoelig de

vingers branden.”

Baxter keek zijn secretaris woedend aan en sprak:

„Veroorloof u geen kritiek op mijn handelingen. Daar hebt gij niet het

recht toe. Overigens vergist gij u. Ik ken het tooneelstuk al. Het was

dus niet noodig het nog eens door te zien. Ik zou dus gaarne verschoond

blijven van uwe opmerkingen.”

De Vloo boog zijn hoofd over de voor hem liggende acte en ging verder

met zijn werk, terwijl Baxter een courant nam en begon te lezen.

Midden in zijn lectuur werd hij gestoord. Een detective-sergeant trad

binnen, bleef bij de deur staan en salueerde.

„Wat wenscht gij?” vroeg Baxter.

„Heb een gebeurtenis te melden, meneer de inspecteur,” rapporteerde de

beambte. „De zaak van den bankier Harper is sedert gisteren gesloten,

en heeft groote opgewondenheid te weeg gebracht onder de klanten van

den bankier.”

Baxter schrok hevig. Wat was er met Harper gebeurd? Zou hem iets

overkomen zijn?

„Is bankier Harper niet te vinden?” vroeg hij.

„Neen, meneer de inspecteur,” antwoordde de sergeant. „We hebben in

zijn woning en bij verscheiden bekenden al een onderzoek ingesteld. Het

laatst is de bankier twee dagen geleden in hotel Cecilia gezien. ’s

Avonds 10 uur.”

„Dat klopt,” zei Baxter, „ik was er persoonlijk met hem.”

„Ook aan zijn woning vernamen wij van het dienstmeisje, dat de bankier

sedert twee nachten niet thuis was gekomen en ook mevrouw en de

kinderen het huis sedert eenige dagen hadden verlaten.

„De klanten van den bankier eischen, dat de zaak van politiewege wordt

geopend en de deposito’s teruggegeven.”

Baxter dacht een paar seconden na.

Vergeefs brak hij zich het hoofd, wat er wel met Harper kon gebeurd

zijn. Daarna wendde hij zich tot Marholm:

„Neem een cab en rijd naar Lyttonstreet 16. Daar woont een

tooneelspeelster, Miss Raabe. Vraag aan die dame, of zij iets weet

omtrent het verblijf van den bankier Harper. Maak vlug voort, want

voordat gij met haar antwoord hier zijt, kan ik niets beginnen.”

Zonder een woord te antwoorden, verliet de Vloo de kamer, terwijl de

detective-sergeant in het voorvertrek wachtte.

Baxter echter liep onrustig heen en weer. De affaire scheen hem vreemd

toe. Hij had een onbepaald voorgevoel, dat er iets gebeurd zou zijn,

waar hij ook in betrokken zou worden. Tevergeefs probeerde hij zich te

kalmeeren, door het rooken van een sigaar. Ten slotte begon hij weer te

lezen.

Er kon ongeveer een half uur verloopen zijn, toen Marholm, die zich

zeer gehaast had, daar hij eveneens iets bijzonders vermoedde,

terugkwam met de mededeeling, dat de bankier sedert verscheiden dagen

niet in het huis der tooneelspeelster was geweest.

Nu bleef Baxter niets anders over dan zijn recherche-afdeeling mobiel

te maken en met de beambten naar de zaak van den bankier te rijden,

deze te openen en te doorzoeken.

De ijzeren luiken van het kleine kantoor waren stevig gesloten, toen

Baxter met zijn beambten aankwam.

De portier, dien Baxter liet roepen, beduidde hem, dat de meegebrachte

slotenmaker een deur van de gang naar de zaak gemakkelijker zou kunnen

open maken dan de ijzeren roljalousiën.

In korten tijd was de deur open, en de portier, die in de zaak bekend

was, draaide het electrische licht op.

Nauwelijks was de ruimte helder verlicht of de portier liet een kreet

van schrik hooren en lokte alle beambten naar zich toe.

„Wat is er, wat gebeurt er!” riep de inspecteur en trok zijn revolver.

Doch hij behoefde geen antwoord meer op zijn vraag.

Midden in het vertrek, voor de geopende brandkast lag de gezochte

bankier Harper op den grond en staarde met verglaasde oogen naar de

zoldering.

Geronnen bloed uit zijn slapen bedekte de eene helft van zijn hoofd en

den grond. De rechterhand hield nog krampachtig de revolver omklemd,

waarmee de ellendeling zich had doodgeschoten.

Een oogenblik stonden de beambten zwijgend om den doode, doch daarna

zei Baxter tot de Vloo:

„Ga zitten en maak het proces-verbaal op. Waar is de lijkschouwer?”

Deze was juist aangekomen en drong naar voren.

„Is hij dood?” vroeg Baxter, waarop de dokter antwoordde:

„Dat zou ik meenen.”

En Marholm voegde er aan toe:

„Die wordt door geen moraal weer levend gemaakt.”

De gebruikelijke wettelijke formaliteiten werden door de beambten

verricht, waarna Baxter zich met zijn beambten overtuigde, dat, behalve

een paar duizend pond sterling, die de zelfmoordenaar in zijn zak

droeg, zich geen enkel deposito in de brandkast bevond.

Deze bevinding deelde hij aan de voor de deur wachtende klanten van den

bankier mee.

Vloeken en verwenschingen werden geuit, toen het lichaam van den doode

in een ontboden lijkwagen der politie werd weggebracht.

Des avonds stond in de Londensche couranten „De zelfmoord van den

bankier!” kalmweg verteld. Slechts de korte bijvoeging, dat den

volgenden dag verdere ophelderingen zouden volgen, hield de

nieuwsgierigheid der lezers gespannen.

Baxter wenschte liever waar ook dan in Londen te wonen, en deze opinie

werd gedeeld door de andere leden van de Vereeniging ter bevordering

der goede zeden.

Het was een zware slag voor de Vereeniging, door den dood van haar

president veroorzaakt.

Alleen Su-Ki-Bit-Wou-Wang was over het verloop zeer tevreden, en toen

hij bij Miss Raabe kwam, veroorloofde deze zich zelfs grove scherts.

Wel beschouwd had zij tenminste eenige bedroefdheid over den dood van

haren vereerder moeten voorwenden.

Ze zag niet den blik vol afschuw, dien de Chinees haar toewierp.

Reeds den volgenden dag begonnen de couranten op ironischen en

spottenden toon de verhouding van Harper tot de Vereeniging ter

bevordering der goede zeden te critiseeren. Ook de hertog van Norfolk

en de inspecteur van politie kregen hun aandeel.

Baxter wond zich zoodanig op, dat hij niet op het bureau verscheen en

de Vloo weer eens alleen de zaken moest afdoen.

Hij heeft weer moreele Katzenjammer, lachte Marholm vergenoegd in

zichzelf en rookte de eene pijp na de andere.— —

Eerst op den avond van den dag, waarop de courantenstorm was bedaard,

verscheen Baxter weer op het bureau.

Hij vond verscheiden brieven, waaronder de mededeeling van den

directeur van den Garrick-schouwburg, dat over twee dagen de première

zou plaats hebben van den éénacter „Bevordering der goede zeden”.

De uitdrukking „goede zeden” werkte thans op Baxter als een rood doek.

„Goddam,” vloekte hij in zichzelf, doch zoo luid, dat de Vloo het

hoorde, „als ik dat geweten had, zou ik dat stuk niet hebben

toegelaten.”

„Ziet ge wel,” zei de Vloo, „waarom hebt ge niet naar mij geluisterd.

Als het kalf verdronken is, dempt gij den put. Ge hadt liever met uw

vingers van die goede zeden moeten afblijven.”

„Ja, ge hebt gelijk,” zuchtte Baxter, „daaruit komt niets anders voort

dan een reusachtige katterigheid. Men dorscht daar het leege stroo en

praat over dingen die niet bestaan.”

Lord Lister No. 0046: Vereeniging ter bevordering der goede zeden · 第 16 / 20 题