Het was slechts een kleine bestuursvergadering, die dezen avond plaats
had in de Vereeniging ter bevordering der goede zeden.
Meneer Harper verscheen even over tienen en vond de heeren al voltallig
bij elkaar.
Zijn gelaat straalde van zelfvoldoening en van het geluk, dat hij de
laatste paar uren aan de zijde der bekoorlijke Miss Raabe had genoten.
Terwijl hij de vergadering leidde, wachtte zij beneden in de leeszaal
van het hotel.
Om de verveling te verdrijven, bladerde zij de daar neergelegde
couranten door.
Plotseling zag ze midden door de zaal Su-Ki-Bit-Wou-Wang aankomen.
„Hallo!” riep zij, „Mr. Jucki, waar wilt ge naar toe?”
De Chinees deed eerst erg verlegen, doch sprak toen, zijn gelaat
plooiend tot een beminnelijk glimlachje:
„O, ik zijn zeer verheugd, u te zien, mooie Miss Raabe, ik wil gaan
naar de „bevordering der goede zeden”
„Och zoo,” lachte zij, „gij bedoelt die Vereeniging!”
Hij knikte: „Yes, naar die Vereeniging!”
Zij klopte hem op de schouders en zei: „Weet wel, lieve Jucki, dat ge
daar niet veel wijzer zult worden. Ze bevorderen daar alleen de zeden
van anderen, aan zichzelf denken ze niet.”
„Dat hindert niets!” antwoordde de Chinees, „ik moet kennen leeren, of
hier bij u in Engeland ook zulke onzedelijkheden als in China. Ik
geloof, wij zijn even fatsoenlijke menschen!”
„Veel fatsoenlijker,” lachte Miss Raabe, „geloof me, ik heb er
ondervinding van. Ik ken de Londensche mannen.”
„Ik niet daaraan twijfel en weet u, ik ook veel liever in uw gezelschap
was dan in dat zedelijk gezelschap.”
„Ik heb een idee,” hernam Miss Raabe, „blijf gij bij mij en laten we
den avond ergens gaan doorbrengen. Ik verveel mij dood in gezelschap
van Harper.”
„O, hij is een zeer nette mensch, niet waar?”
„Gij bedoelt, omdat hij mij verveelt?”
„O ja, ik dat bedoel.”
„Dan vergist gij u,” lachte de schoone, „hij is het absolute tegendeel
van netheid. Gij begrijpt, dat men ook wel graag eens wat anders hoort,
en ik zou blij zijn, in fatsoenlijk gezelschap te verkeeren. Daarom zou
ik u willen verzoeken, den avond met elkaar door te brengen.”
„Allright,” knikte Su-Ki-Bit-Wou-Wang. „Ik gaarne bereid ben daartoe.
Maar wij wat doen?”
„Ik weet wat. Vis-a-vis het hotel is een oestersalon. Net rechts
tegenover het Strand. Daar zal ik op u wachten, als de vergadering is
afgeloopen.”
„Allright,” zei de Chinees.
Het tweetal reikte elkaar de hand, waarna hij zich naar de aan het eind
der gang gelegen kleine zaal begaf, waarin de vergadering plaats had.
Bij zijn binnentreden keken alle aanwezigen hem nieuwsgierig aan.
Baxter had de aanwezigen al meegedeeld, dat hij zou komen, en allen
wachten in spanning zijn komst af.
Een vroolijk lachje kwam op het gelaat der heeren, toen de Chinees
volgens landsgebruik zijn vilten schoenen uittrok, driemaal op zijn
knieën sloeg en eenige grappige buigingen maakte.
„Dat is zijn begroeting”, fluisterden de Engelschen tot elkaar, stonden
daarna op en maakten een stijve buiging.
De Chinees trad naderbij, schudde ieder de hand en noemde zijn naam:
Su-Ki-Bit-Wou-Wang.
Toen hij bij Baxter en Harper was gekomen, wilde hij met hen volgens
Chineesch gebruik gaan neus wrijven, hetwelk deze echter op hoffelijke
wijze afweerden door hem te verklaren, dat zij van zijn toegenegenheid
waren overtuigd, ook al gaf hij hun slechts volgens gebruik de hand.
Men bood daarop Su-Ki-Bit-Wou-Wang een stoel aan en de vergadering werd
voortgezet— —
Gedurende een kleine pauze vroeg de naast den Chinees zittende
Engelschman, hoe het hem in hunne vergadering beviel.
„O”, zei Su-Ki-Bit-Wou-Wang, „als straks komen de kleine meisjes, zal
het zeer aardig worden!”
De Engelschman, een predikant van streng rechtzinnige beginselen, week
ontsteld achteruit en kon zijn ooren bijna niet gelooven. Doch eenige
andere leden hadden de nogal luid gesproken woorden eveneens verstaan
en, als echte Engelschen, wel van een grapje houdend, vroegen zij:
„Wat voor kleine meisjes bedoelt u, Mr. Wang?”
„O,” gaf de Chinees ten antwoord, „ik bedoel de kleine meisjes, bij wie
ik mijne vrienden, de heeren presidenten, in den schouwburg zag
zitten!”
Opeens werd het ijzig stil als in een kerk. Harper en Baxter zaten als
aan den grond genageld.
Alle aanwezigen keken hen aan met een verwijtenden blik, die hen als
het ware doorboorde. Vooral de predikant zette een gezicht, alsof hij
de heilige aartsengel in eigen persoon was, die Gods oordeel
verkondigde.
Hij was dan ook de eerste, die het stilzwijgen verbrak en aan Mr.
Harper vroeg:
„Wat hebt gij op de merkwaardige woorden van dezen geachten gast te
antwoorden, meneer de president?”
Harper was zoo rood als een kreeft van opgewondenheid. Het zweet
druppelde in dikke parelen van zijn voorhoofd. Hij stond op, want hij
begreep, dat hij wat antwoorden moest.
„Mijne heeren,” aldus begon hij, „Mr. Wang heeft gelijk, wanneer hij
zegt, dat hij de presidenten van de Vereeniging ter bevordering der
goede zeden in gezelschap heeft aangetroffen van twee meisjes, die
helaas tot de verworpelingen van de maatschappij zijn te rekenen.”
Een luid „Foei” klonk rondom de tafel, hetwelk Harper met een
handbeweging bezwoer, waarna hij vervolgde:
„Gij vergist u, mijne heeren, wanneer ge meent u over de houding van
uwe presidenten ongerust te moeten maken; wij waren slechts in onze
hoedanigheid van trouwe strijders voor de goede zeden in gezelschap van
die dames.
„We hebben beproefd haar van haar slechten levenswandel terug te
brengen en haar weer het pad des deugd en zedelijkheid te doen
betreden.
„En het is mij gelukt een der zondaressen in een christelijk Tehuis
onder dak te brengen. Zij zal voor liefdezuster worden opgeleid.”
Nu weerklonk een luid „Bravo!”, terwijl de predikant sprak:
„Ik verzoek u uit naam van mijn vrienden aan deze tafel om vergiffenis.
De hemel moge uwen verderen strijd met zegen kronen.”
De president boog en met tranen van ontroering in de oogen ging hij
weer zitten om Baxter onder de tafel ongemerkt de hand te drukken.
Men zou nu gaan confereeren over het verbod van de verkoop van sommige
humoristische bladen.
De predikant had het voorstel gedaan een der schendbladen voor ondeugd
en onzedelijkheid van den Engelschen bodem te verbannen.
Opeens stond Su-Ki-Bit-Wou-Wang op.
„Pardon, heeren,” zei hij, „doch ik vinden deze vergadering zonder
kleine meisjes te oninteressant! Ik zal weer vertrekken. Bij ons in
China zorgen altijd kleine meisjes voor conversatie in
heerengezelschap.”
Opnieuw klonk een onrustbarend luid „Foei!” door de zaal.
Toen greep Harper, die eindelijk gelegenheid vond zich op zijn
aanvaller te wreken, den presidentshamer, gebood daarmee stilte en
riep, op Su-Ki-Bit-Wou-Wang wijzend: „Eruit gij, immoreel en onzedelijk
wezen! Waag het niet u ooit weer in ons midden te vertoonen. Gij zijt
een liederlijk mensch!”
„Liederlijk mensch!” riepen alle Engelschen tegelijk en spuwden op
Engelsche wijze naar Su-Ki-Bit-Wou-Wang op den grond.
Toen hij de zaal had verlaten, zei de predikant met ten hemel gerichte
oogen:
„Laten we opstaan van onze zitplaatsen, beste vrienden, en den hemel
danken, dat hij den duivel, die in de gedaante van dien vuilen Chinees
tot ons kwam, te rechter tijd uit onzen edelen deugdzamen kring heeft
verdreven.”
Allen stonden op, sloegen met den predikant de oogen op en gingen
daarna weer zitten.
Nadat men het er, na een kort debat, over eens was geworden, dat het
bedoelde tijdschrift een schendblad van het ergste allooi was, dat
stelselmatig, niet alleen de jeugd, doch ook de ouderen ten verderve
voerde, en daarom moest verboden worden, verklaarde Mr. Harper de
zitting voor gesloten, en, zakelijke bezigheid voorwendend, verliet hij
de vergadering.
Toen hij in de leeszaal kwam, om zijn geliefde af te halen, keek hij
vergeefs rond.
Een voorgevoel zei hem, dat zij misschien dien vervloekten Chinees had
ontmoet en met hem het hotel had verlaten.
Als een woedende stier snelde hij naar haar huis en toen hem niet werd
opengedaan, liep hij voortdurend daarvoor op en neer.— —
Miss Raabe zoowel als Su-Ki-Bit-Wou-Wang hadden ondertusschen samen
gesoupeerd. Tegen twee uur ’s nachts verklaarde zij gaarne naar huis te
willen gaan.
„Ik ben bang,” zei zij, „lieve Jucki!” (Ze waren nu al zeer intiem.)
„Geloof mij, die jaloersche man, Mr. Harper, zal bepaald voor mijn huis
staan om mij op te wachten. Ik ben bang, direct naar huis te gaan.”
„Ik zal dien man wel weg werken,” antwoordde Raffles.
Hij liet zich door den kellner papier en enveloppe brengen en schreef
een paar bladzijden. Daarna liet hij door den kellner een nacht-kruier
ontbieden.
Dezen overhandigde hij den brief, nadat hij op geheimzinnige wijze
verscheiden minuten met hem had gesproken. Na verloop van een kwartier
zei de Groote Onbekende:
„Ik zal u nu naar huis brengen, Miss Raabe, ge kunt volkomen gerust
zijn.”
„Is Harper er niet meer? Dat is mij een raadsel!” meende zij, „ik weet
niet, hoe ge dat hebt klaar gespeeld.”
Su-Ki-Bit-Wou-Wang glimlachte slechts, doch gaf geen antwoord.
Terzelfder tijd trad een nacht-kruier op den bankier toe, die nog
steeds voor het huis op en neer wandelde, en, zijn pet afnemend, zei
hij:
„Is u Mr. Harper?”
„Jawel”, antwoordde deze, „dat ben ik. Wat wenscht ge van mij?”
„Ik moet u een brief overhandigen.”
Hij gaf Mr. Harper het schrijven.
„Van wien komt die brief?” vroeg hij.
„Van den inspecteur van politie Baxter,” antwoordde de kruier.
Zonder verder antwoord af te wachten, verliet hij den bankier en
verdween in het nachtelijk duister.
Harper echter snelde naar een straatlantaarn, scheurde den brief open
en las:
„Dear Sir!
Ik ontving juist een alarmeerend bericht. Een van mijn detectives
deelde mij mede, dat men ontdekt had, dat gij de deposito’s van uw
klanten hebt verduisterd. Neem u in acht!”
De brief was niet onderteekend.
De straat begon opeens te draaien voor Harpers oogen. Hij viel bijna
neer als een dronken man en moest zich aan een straatlantaarn
vasthouden.
Daarna frommelde hij het blad papier ineen, stak het in zijn zak en
snelde weg. Zijn slecht geweten begon geweldig te knagen.
Hij voelde zich als door den duivel bezeten. Als een schaduw vluchtte
hij weg in de duisternis— —
Terzelfder tijd hield een rijtuig voor het huis stil.
De Chinees stapte uit en hielp Miss Raabe uit het rijtuig.
„Gij moet mij in mijn woning begeleiden,” zei zij, „ik ben vreeselijk
bang. Mogelijk loert die man daar op mij.”
„Ik zijn zeer moe,” antwoordde de Chinees, „ik hier zal wachten, totdat
gij woning doorzoekt en dan naar huis rijden. Ik graag in gevaar met
jonge dames mag samen zijn.”
Daar zij om den Chinees persoonlijk weinig gaf, doch slechts op zijn
geld aasde, zei zij hem vluchtig goeden nacht, sloot het huis open en
trad naar binnen.
Raffles wachtte nog een paar minuten, daarna werd op de eerste etage
een raam geopend, Miss Raabe verscheen, wenkte hem met haar zakdoek en
riep:
„Hier is niemand, ik dank u, lieve Jucki, goeden nacht!”
De Chinees sprak door zijn neus een onwelluidend „Goeden nacht”, stapte
in zijn rijtuig en reed weg.
Den volgenden morgen had Raffles het tot Charly Brands verbazing
merkwaardig druk.
Door middel van een advertentie in de courant had hij een stenographe
in dienst genomen en begon deze een comediespel te dicteeren.
Onvermoeid was hij daarmee bezig en rustte niet, voordat hij den
éénacter in twee dagen klaar had.
„Wil je mij het stuk niet voorlezen?” vroeg Charly Brand, die
nieuwsgierig was naar den inhoud.
„Dat is onnoodig, jongen, je zult het gauw genoeg op de planken zien.”
John Raffles kende door zijn club den directeur van den
Garrick-Schouwburg en bracht hem een bezoek.
„Er is me zeer veel aan gelegen,” wendde hij zich tot den directeur,
„dat ge dezen éénacter al over een paar dagen op de planken laat
spelen.
„Ik ben bereid alle aan de uitvoering verbonden kosten voor mijn
rekening te nemen. Het geldt hier een privé-genoegen voor mij
persoonlijk, en om te zien, of ik werkelijk de gave bezit, succesvolle
theaterstukken te schrijven.”
De directeur kende Lord Lister onder den naam Baron von Walkerfield.
Hij bladerde het stuk door, en nadat hij het in een goed kwartier
vluchtig had gelezen, verklaarde hij zich bereid, het stuk door zijn
tooneelspelers in drie dagen te laten instudeeren en de première reeds
over vier dagen te doen plaats hebben.
Eén moeilijkheid was aan de zaak verbonden, en dat was de censuur der
politie.
„Hoe kunnen we dat klaarspelen?” vroeg Raffles.
„Heel eenvoudig, beste baron”, antwoordde de schouwburgdirecteur, „ik
zal een vriendelijk briefje schrijven aan den censor en er voorzichtig
een biljet van 100 pond bij insluiten.”
„Fameus,” lachte Raffles, „dan zijn we klaar, nietwaar?”
„Jawel,” gaf de directeur ten antwoord, „ik heb echter nog één vraag,
namelijk wie zal de rol van den Chinees Su-Ki-Bit-Wou-Wang spelen in
het stuk?”
John Raffles begon opnieuw te lachen en sprak:
„Bijna had ik het voornaamste nog vergeten; die rol speel ik zelf.”
„Gij zelf? Hebt gij den moed als tooneelspeler op te treden?”
„Wel natuurlijk,” knikte de Groote Onbekende. „Ik speel in het gewone
leven nog meer comedie dan op de planken noodig is.
„Ik verzeker u, mijn beste directeur, nog afgezien van het feit, dat ik
de kosten der opvoering betaal, zult ge schitterende zaken maken met
het kleine tooneelspel.
„Ik zou durven wedden, dat geheel Londen hierheen komt om het stuk te
zien.”
„Dat ware te wenschen,” lachte de directeur, „ik heb op ’t oogenblik
juist geen goed stuk. Laten we dus het beste hopen.”
John Raffles nam afscheid en reeds den volgenden morgen begon de
directeur met de voorbereidingen. Hij verklaarde den baron, dat deze
hierbij zijn medewerking moest verleenen.
Eenige uren later ontving Baxter, die, zooals vermeld, het ambt van
censor voor tooneelspelen in Londen uitoefende, d.w.z. hij moest nagaan
of de stukken ook gevaar opleverden voor de goede zeden, een brief van
den directeur van den Garrick-schouwburg, benevens een blauwe
portefeuille, waarin zich het tooneelstuk bevond.
Baxter scheurde den brief open en las:
Beste Inspecteur!
Hierbij een stuk voor de censuur, waarbij zeer veel haast is.
Met vriendelijke groeten,
Uw
GARRICK.
Tegelijkertijd had de inspecteur het bankbiljet van honderd pond
gevonden en stak dit met een inwendig lachje in zijn vestjeszak. Hij
kon het juist goed gebruiken, daar hij door zijne verhouding tot de
vriendin van Miss Raabe, de kleine Trude Hansch, veel geld had
uitgegeven.
Hij nam het voorgeschreven politiestempel, dat het verlof tot de
opvoering bekrachtigde, sloeg de klep der portefeuille op en drukte het
zegel op den omslag van het tooneelstuk, zonder er verder naar om te
zien.
Daarna schelde hij een bode en liet het toegelaten stuk naar den
directeur van den Garrick-schouwburg brengen.
De Vloo had stilzwijgend toegezien en zei nu:
„Weet ge, inspecteur, als ik me niet vergis, hebt ge daar juist weer
toestemming verleend tot het opvoeren van een tooneelstuk, dat ge
heelemaal niet kent. Ge zult u op een goeden keer nog eens gevoelig de
vingers branden.”
Baxter keek zijn secretaris woedend aan en sprak:
„Veroorloof u geen kritiek op mijn handelingen. Daar hebt gij niet het
recht toe. Overigens vergist gij u. Ik ken het tooneelstuk al. Het was
dus niet noodig het nog eens door te zien. Ik zou dus gaarne verschoond
blijven van uwe opmerkingen.”
De Vloo boog zijn hoofd over de voor hem liggende acte en ging verder
met zijn werk, terwijl Baxter een courant nam en begon te lezen.
Midden in zijn lectuur werd hij gestoord. Een detective-sergeant trad
binnen, bleef bij de deur staan en salueerde.
„Wat wenscht gij?” vroeg Baxter.
„Heb een gebeurtenis te melden, meneer de inspecteur,” rapporteerde de
beambte. „De zaak van den bankier Harper is sedert gisteren gesloten,
en heeft groote opgewondenheid te weeg gebracht onder de klanten van
den bankier.”
Baxter schrok hevig. Wat was er met Harper gebeurd? Zou hem iets
overkomen zijn?
„Is bankier Harper niet te vinden?” vroeg hij.
„Neen, meneer de inspecteur,” antwoordde de sergeant. „We hebben in
zijn woning en bij verscheiden bekenden al een onderzoek ingesteld. Het
laatst is de bankier twee dagen geleden in hotel Cecilia gezien. ’s
Avonds 10 uur.”
„Dat klopt,” zei Baxter, „ik was er persoonlijk met hem.”
„Ook aan zijn woning vernamen wij van het dienstmeisje, dat de bankier
sedert twee nachten niet thuis was gekomen en ook mevrouw en de
kinderen het huis sedert eenige dagen hadden verlaten.
„De klanten van den bankier eischen, dat de zaak van politiewege wordt
geopend en de deposito’s teruggegeven.”
Baxter dacht een paar seconden na.
Vergeefs brak hij zich het hoofd, wat er wel met Harper kon gebeurd
zijn. Daarna wendde hij zich tot Marholm:
„Neem een cab en rijd naar Lyttonstreet 16. Daar woont een
tooneelspeelster, Miss Raabe. Vraag aan die dame, of zij iets weet
omtrent het verblijf van den bankier Harper. Maak vlug voort, want
voordat gij met haar antwoord hier zijt, kan ik niets beginnen.”
Zonder een woord te antwoorden, verliet de Vloo de kamer, terwijl de
detective-sergeant in het voorvertrek wachtte.
Baxter echter liep onrustig heen en weer. De affaire scheen hem vreemd
toe. Hij had een onbepaald voorgevoel, dat er iets gebeurd zou zijn,
waar hij ook in betrokken zou worden. Tevergeefs probeerde hij zich te
kalmeeren, door het rooken van een sigaar. Ten slotte begon hij weer te
lezen.
Er kon ongeveer een half uur verloopen zijn, toen Marholm, die zich
zeer gehaast had, daar hij eveneens iets bijzonders vermoedde,
terugkwam met de mededeeling, dat de bankier sedert verscheiden dagen
niet in het huis der tooneelspeelster was geweest.
Nu bleef Baxter niets anders over dan zijn recherche-afdeeling mobiel
te maken en met de beambten naar de zaak van den bankier te rijden,
deze te openen en te doorzoeken.
De ijzeren luiken van het kleine kantoor waren stevig gesloten, toen
Baxter met zijn beambten aankwam.
De portier, dien Baxter liet roepen, beduidde hem, dat de meegebrachte
slotenmaker een deur van de gang naar de zaak gemakkelijker zou kunnen
open maken dan de ijzeren roljalousiën.
In korten tijd was de deur open, en de portier, die in de zaak bekend
was, draaide het electrische licht op.
Nauwelijks was de ruimte helder verlicht of de portier liet een kreet
van schrik hooren en lokte alle beambten naar zich toe.
„Wat is er, wat gebeurt er!” riep de inspecteur en trok zijn revolver.
Doch hij behoefde geen antwoord meer op zijn vraag.
Midden in het vertrek, voor de geopende brandkast lag de gezochte
bankier Harper op den grond en staarde met verglaasde oogen naar de
zoldering.
Geronnen bloed uit zijn slapen bedekte de eene helft van zijn hoofd en
den grond. De rechterhand hield nog krampachtig de revolver omklemd,
waarmee de ellendeling zich had doodgeschoten.
Een oogenblik stonden de beambten zwijgend om den doode, doch daarna
zei Baxter tot de Vloo:
„Ga zitten en maak het proces-verbaal op. Waar is de lijkschouwer?”
Deze was juist aangekomen en drong naar voren.
„Is hij dood?” vroeg Baxter, waarop de dokter antwoordde:
„Dat zou ik meenen.”
En Marholm voegde er aan toe:
„Die wordt door geen moraal weer levend gemaakt.”
De gebruikelijke wettelijke formaliteiten werden door de beambten
verricht, waarna Baxter zich met zijn beambten overtuigde, dat, behalve
een paar duizend pond sterling, die de zelfmoordenaar in zijn zak
droeg, zich geen enkel deposito in de brandkast bevond.
Deze bevinding deelde hij aan de voor de deur wachtende klanten van den
bankier mee.
Vloeken en verwenschingen werden geuit, toen het lichaam van den doode
in een ontboden lijkwagen der politie werd weggebracht.
Des avonds stond in de Londensche couranten „De zelfmoord van den
bankier!” kalmweg verteld. Slechts de korte bijvoeging, dat den
volgenden dag verdere ophelderingen zouden volgen, hield de
nieuwsgierigheid der lezers gespannen.
Baxter wenschte liever waar ook dan in Londen te wonen, en deze opinie
werd gedeeld door de andere leden van de Vereeniging ter bevordering
der goede zeden.
Het was een zware slag voor de Vereeniging, door den dood van haar
president veroorzaakt.
Alleen Su-Ki-Bit-Wou-Wang was over het verloop zeer tevreden, en toen
hij bij Miss Raabe kwam, veroorloofde deze zich zelfs grove scherts.
Wel beschouwd had zij tenminste eenige bedroefdheid over den dood van
haren vereerder moeten voorwenden.
Ze zag niet den blik vol afschuw, dien de Chinees haar toewierp.
Reeds den volgenden dag begonnen de couranten op ironischen en
spottenden toon de verhouding van Harper tot de Vereeniging ter
bevordering der goede zeden te critiseeren. Ook de hertog van Norfolk
en de inspecteur van politie kregen hun aandeel.
Baxter wond zich zoodanig op, dat hij niet op het bureau verscheen en
de Vloo weer eens alleen de zaken moest afdoen.
Hij heeft weer moreele Katzenjammer, lachte Marholm vergenoegd in
zichzelf en rookte de eene pijp na de andere.— —
Eerst op den avond van den dag, waarop de courantenstorm was bedaard,
verscheen Baxter weer op het bureau.
Hij vond verscheiden brieven, waaronder de mededeeling van den
directeur van den Garrick-schouwburg, dat over twee dagen de première
zou plaats hebben van den éénacter „Bevordering der goede zeden”.
De uitdrukking „goede zeden” werkte thans op Baxter als een rood doek.
„Goddam,” vloekte hij in zichzelf, doch zoo luid, dat de Vloo het
hoorde, „als ik dat geweten had, zou ik dat stuk niet hebben
toegelaten.”
„Ziet ge wel,” zei de Vloo, „waarom hebt ge niet naar mij geluisterd.
Als het kalf verdronken is, dempt gij den put. Ge hadt liever met uw
vingers van die goede zeden moeten afblijven.”
„Ja, ge hebt gelijk,” zuchtte Baxter, „daaruit komt niets anders voort
dan een reusachtige katterigheid. Men dorscht daar het leege stroo en
praat over dingen die niet bestaan.”