Mr. Harper bezat in het westen van Londen een eenvoudige, bescheiden
woning.
Mrs. Harper, een magere slanke vrouw, met verwelkte trekken, zat met
haar twee kinderen, een jongen en een meisje van 6 en 8 jaren, aan de
eenvoudig gedekte tafel en wachtte tot de bankier thuis kwam.
Misschien reeds voor den tienden keer vermaande zij de kinderen:
„Weest heel bedaard, als papa komt, hij zal wel vermoeid zijn.”
Zij vermoedde niets van het slechte leven van haar man en meende, dat
zijn voortdurende vermoeidheid het gevolg was van hard werken.
Een half uur later verscheen Harper en nam met een boos gezicht en
nauwelijks groetend aan tafel plaats.
Hij zag niet de bezorgde blikken van zijn vrouw, die naar zijn vermoeid
uiterlijk keek.
De kinderen zaten stil op hun plaats en durfden hun bord bijna niet
aanraken, omdat hun vader dat geluid niet kon verdragen.
Niets smaakte hem.
Hoewel het eten uitstekend was klaargemaakt, had hij overal iets op aan
te merken, en stond eindelijk van tafel op en begaf zich naar zijn
studeerkamer om daar op den divan te gaan slapen.
Een uur later belde hij om koffie. Zijn vrouw bracht hem die zelf en
toen zij het kopje neerzette, riep hij uit:
„Waarom stuur je het dienstmeisje niet? Ik ben blij, als ik je gelaat,
dat er altijd bleek en huilerig uitziet, niet voor mij heb.”
„Ik kan mijn gezicht niet veranderen,” antwoordde zij op bescheiden
toon. „Als ik mij niet zoo bezorgd maakte om jou, zou ik er beter
uitzien.”
„Maak je bezorgd om wien je wilt, alleen niet om mij. Ik wensch je
medelijden niet.”
Zij wilde bescheiden de kamer verlaten, maar bleef bij de deur
aarzelend staan.
„Wat wil je nog?” beet hij haar toe.
„Ik heb wat huishoudgeld noodig,” antwoordde zij op zachten toon, „wees
zoo vriendelijk, mij een paar pond te geven.”
„Wat?” schreeuwde hij, „alweer geld? Eergisteren heb ik je pas 5 pond
gegeven. Zijn die alweer op? Je schijnt aardig huis te houden!”
„Ik moest onzen jongen broekjes en kousen koopen”, antwoordde zij, „en
Erna, ons dochtertje, had eenige schoolboeken noodig.”
„Laat mij met rust,” bromde hij, „de zaken worden met den dag slechter,
de duivel mag weten, hoe dat moet eindigen. Denk je, dat ik geld kan
maken? Kijk zelf maar, hoe je aan geld komt”.
„Daar zie ik geen kans toe. Mijn ouders zijn dood en alles, wat ik
bezat, heb ik jou gegeven.”
„Wil je mij verwijten maken?”
„Dat niet, maar het zou mij aangenaam zijn, als je werkelijk zoo het
land aan mij hebt, dat je mij het geld terug gaaft, opdat ik daarvan
voor de kinderen en mijzelf kon zorgen.”
„Dat zou je wel willen”, lachte hij hoonend, „neen, mijn lieve, dat kan
ik beter gebruiken. Gelukkig, dat ik zoo verstandig ben geweest om het
in mijn zaak te steken.
„En stoor mij nu niet langer, want ik moet brieven schrijven.”
„Je bent hard,” sprak zij. „Ik weet niet, waarvan ik het avondeten voor
de kinderen en mij moet koopen.”
„Ik ook niet,” antwoordde hij kortaf.
Plotseling kleurde een blos de bleeke wangen der vrouw, de zachte
uitdrukking verdween van haar gelaat en met gebalde vuisten riep zij
uit:
„Nu is het genoeg! Ik heb nu lang genoeg gezwegen en mij door jou erger
dan een slavin laten behandelen. Voor mij komt het er niet op aan, dat
ik niets te eten krijg, maar de kinderen mogen geen honger lijden en ik
zeg je dit—ik verlaat deze woning en ga onderdak zoeken met de kinderen
bij onze vroegere keukenmeid.
„Al het verdere tusschen ons zal mijn advocaat regelen.
„Binnen de 24 uur zal ik je door de wet laten dwingen, mij het mij
toekomende vermogen, dat ik je in bewaring heb gegeven, en waarvan ik
gelukkig een quitantie bezit, terug te betalen.
„Het doet mij leed, dat ik den kinderen hun vader moet ontnemen, maar
beter geen vader dan zulk een ruw, harteloos mensch als jij bent!”
Gedurende de lange jaren van haar huwelijk had de vrouw nooit
tegengesproken.
Als stom van verbazing keek hij haar aan, totdat plotseling een
zinnelooze woede zich van hem meester maakte.
„Wat?” riep hij uit, „jij durft mij trotseeren, mij dreigen? Je wilt je
verzetten tegen mij, je echtgenoot? Doodslaan zal ik je!”
Hij was opgesprongen en had een zwaren, metalen kandelaar gegrepen,
waarmee hij haar een slag op het hoofd wilde geven.
Maar hij had zijn vrouw onderschat.
Hoewel hij een breede, forsche man was en zij maar klein en mager te
noemen was, sprong zij als een kleine, lenige kat naar hem toe, sloeg
hem met haar vuist in het gelaat en stiet hem zoo hevig voor de borst,
dat hij terug wankelde.
„Als mijn kinderen er niet waren,” sprak zij, „zou ik mij kalm door je
dood laten slaan, maar voor mijn kinderen moet ik leven. Mijn zoon zal
mij eenmaal wreken! Ik zal het in de kranten laten publiceeren, wat
voor een karakter de president van de Vereeniging ter bevordering der
goede zeden heeft!”
Op het volgende oogenblik vloog de zware ijzeren kandelaar door de
kamer. Hoewel zij zich bukte, trof hij haar toch aan het hoofd.
Een oogenblik dreigde zij neer te vallen, maar daarop maakte oneindige
woede zich meester van de kleine vrouw.
„Je durft het wagen, de moeder van je kinderen zoo te behandelen?” riep
zij uit.
Zij trok de kast open, waarvoor zij stond en nam er eenige boeken uit.
„Daar!” riep zij, terwijl zij de boeken naar hem toeslingerde. „Daar
zijn je huichelachtige, leugenachtige boeken over deugd en
zedelijkheid, waarmee je de wereld bedriegt!
„De menschen moesten je schrijftafel eens zien, die gevuld is met
gemeene, onzedelijke prullen!
„Foei, jij slechte kerel!
„Maar dit is het allerlaatste! Je zult mij niet terugzien!”
(Zie het titelblad.)
Terwijl zij deze woorden sprak, had zij tientallen van vrome,
stichtelijke boeken, sommige zoo dik als een bijbel, naar zijn hoofd
geslingerd en zoo snel, dat hij zich niet kon verdedigen.
Met een slag vloog de deur achter haar toe en als een overwonnene stond
de president der Vereeniging ter bevordering der goede zeden te midden
van een hoop verscheurde vrome geschriften en werken en knarste op de
tanden van woede.
Hij liep naar zijn schrijftafel en haalde uit een der laden een geladen
revolver.
Met een duivelschen grijns mompelde hij:
„De heks zal eraan gelooven en de kinderen ook. Het is nu toch uit met
mij. Mijn zaken zijn geheel en al in de war, het restant van de gelden
mijner cliënten heb ik Miss Raabe gegeven. Een paar duizend pond heb ik
nog in mijn zak en met dat geld zal ik naar Amerika gaan, na hier eerst
schoon schip te hebben gemaakt. Daar ginds kunnen zij mannen, als mij,
gebruiken.”
Hij verliet het vertrek en begaf zich naar de eetkamer.
Toen hij deze leeg vond, sloop hij zacht, als een roofdier, naar de
slaapkamer en bleef een oogenblik luisterend staan.
Hij hoorde zijn vrouw zacht snikken en de knaap, die tot haar zei:
„Schrei niet, mama, wij zullen gauw weggaan. Ik wil geen vader hebben,
die mijn moeder slaat. Als ik groot ben, zal ik hem terugslaan! En als
wij niets te eten hebben, lief moedertje, zal ik, zooals andere
jongens, kranten verkoopen en laarzen poetsen— — —”
„En ik zal wel dienstmeisje worden en dan zullen wij samen zorgen, dat
u brood hebt,” sprak het zusje.
Nu trok Harper de deur open, zijn revolver in zijn broekzak
gereedhoudende.
Met een kreet van schrik keken de kinderen hem aan.
„Wat wil je nog?” vroeg zijn vrouw, die onheil vermoedde.
„Wat ik wil? Dat zal je dadelijk zien! Een mooie opvoeding geef jij je
kinderen!”
Nu kwam de kleine jongen met gebalde vuisten voor hem staan en riep:
„Pas op, als u mijn moeder slaat, zal ik u ook slaan!”
Een duivelsche lach als van een krankzinnige kwam van de lippen van den
ellendeling, hij haalde de revolver te voorschijn en hield die tegen
het voorhoofd van den knaap.
„Ik zal je leeren, wat slaan beteekent. Jij zult de eerste zijn, die op
reis naar de eeuwigheid gaat.”
Als verlamd, doodsbleek, staarde zijn vrouw naar dit ontzettende
tooneel. Van schrik kon zij geen geluid geven en zich niet verroeren,
zij kon geen hand uitsteken om haar jongen te redden.
Een gil kwam over de lippen van den knaap, een tweede en derde volgden
en aarzelend liet de ellendeling het wapen zinken.
Nu schreeuwde ook het meisje om hulp en bliksemsnel sprong de knaap als
een hond naar zijn vader toe en beet hem met zijn scherpe tandjes in de
hand, zoodat deze woedend van pijn het wapen liet vallen.
Maar een oogenblik later kreeg de kleine held een vuistslag en viel
bewusteloos neer.
De moordenaar wilde zich nu bukken om het wapen op te nemen, maar er
was nu beweging gekomen in de moeder.
Zij was vlugger dan haar echtgenoot, greep het wapen, richtte het op
haar man en riep:
„Ik tel tot drie en als je dan de kamer niet hebt verlaten, schiet
ik!—Er uit!”
Tandeknarsend en met een blik vol woede en haat wendde Harper zich naar
de deur en mompelde:
„Wacht maar, heks, daarvoor zal je boeten!”
Het volgend oogenblik had hij de kamer verlaten en de deur achter zich
dichtgetrokken.
Zijn vrouw schoof de grendel er voor, snelde naar de waschtafel en
legde een koudwatercompres op het hoofd van haar lieveling.
Na eenige minuten kreeg het kind zijn bewustzijn terug en herinnerde
zich onmiddellijk het voorgevallene.
Hij keek om zich heen en toen hij zag, dat zijn vader de kamer had
verlaten, lachte de kleine held en sprak:
„Ziet u, mama, dat heb ik goed gedaan, nietwaar?”
„Je bent een held, mijn jongen,” antwoordde de moeder met tranen in de
oogen en kuste hem.
„En nu, lieve kinderen, zullen wij ons kleeden en naar de oude Marie
gaan. Zij zal ons wel een paar dagen bij zich willen houden.”
Zij sloot den koffer, waarin zij linnengoed en kleeren voor zichzelf en
de kinderen had gepakt, belde en gaf het dienstmeisje bevel, een
rijtuig te bestellen.
Verbaasd keek het dienstmeisje naar de koffer en vroeg:
„Gaat mevrouw op reis?”
„Ja, voor eenige dagen.”
Eenige minuten later kwam een rijtuig voor en de koetsier bracht den
koffer op zijn schouders naar beneden. De vrouw van den bankier nam
haar kinderen bij de hand en volgde hem.
Voordat zij het huis verliet, gaf zij de revolver, die zij in een doek
had gepakt, aan het dienstmeisje en sprak:
„Geef dit pakje aan mijnheer, hij wil het misschien als aandenken
bewaren.”
Het meisje schudde verbaasd het hoofd en keek het wegrollende rijtuig
na, zoolang zij het kon zien.
Toen zij de kamer van Mr. Harper binnentrad, zag zij daar een
ontzettende wanorde.
De heer des huizes keek ontstemd op, toen het meisje hem kwam storen en
nam zwijgend het pakje uit haar handen.
Met een hoonlach pakte hij de revolver uit en stak deze toen in een der
zakken van zijn jas.