Het was den volgenden morgen tegen tien uur, toen bij bankier Harper,
die een kleine zaak had in de Regentstreet, de boekhouder een kaartje
afgaf, dat de bankier eenige seconden bekeek.
Eindelijk spelde hij: Su-Ki-Bit-Wou-Wang.
Een vage voorstelling van een Chinees, die den vorigen avond in een
loge naast hem had gezeten, vloog door zijn hoofd.
Tegelijkertijd kwam een gevoel van jaloerschheid in hem op, daar zijn
geliefde, Miss Raabe, te veel belang in den Mongool had gesteld.
Hij dacht eenige oogenblikken na, of hij den man zou ontvangen of niet
en besloot toen tot het eerste.
„Su-Ki-Bit-Wou-Wang!” stelde de Chinees zich voor in zijn nasaal
Engelsch, toen hij tegenover Harper stond.
„Ik komen uit Peking.”
De bankier fronste de wenkbrauwen en wierp den bezoeker een niet zeer
vriendelijken blik toe.
Het was werkelijk de man, aan wien hij zich in den schouwburg had
moeten ergeren.
„Wat wenscht gij van mij?” vroeg hij op korten toon. „Het is beurstijd
en ik heb het zeer druk.”
„O, dat niets hindert,” sprak de Chinees. „Bij ons in Peking wij doen
alle zaken gedurende de beurs. Wij daar hebben veel tijd!”
„Dat is best mogelijk,” antwoordde Harper. „Wij in Londen hebben zeer
weinig tijd. Zeg mij in korte woorden wat gij wenscht!”
De zoon van het Hemelsche Rijk maakte een buiging en sprak:
„Ik vernemen, dat gij president van de schoone Vereeniging der
bevorderde zedelijkheid en deugd. Ik zou willen verzoeken, als
vreemdeling, in de Vereeniging te worden opgenomen.”
„Dan moet gij u tot den tweeden voorzitter wenden,” antwoordde Harper
onvriendelijk. „Hij moet voor dergelijke dingen zorgen.”
„Hoe heeten de tweede president?”
„Politie-inspecteur Baxter van Scotland Yard.”
„Ik dank u zeer, maar ik niet weten de adres van dezen man. Ik u
verzoeken, mij eenige regels voor dien man mee te geven.”
Harper, die blij was, dat hij den onwelkomen bezoeker zoo gauw mogelijk
weer kwijt raakte, nam een blad papier, schreef het adres en een paar
woorden erop, met verzoek aan Baxter om den Chinees voor het volgende
diner der Vereeniging, dat weer op Donderdag in hotel Cecilia gehouden
zou worden, een uitnoodigingskaart te verstrekken.
Met veel buigingen ging de Chinees heen en Harper begaf zich naar de
beurs.
Hij speculeerde den laatsten tijd op zeer twijfelachtige wijze om te
trachten zijn inkomsten te vermeerderen, daar, ten gevolge van zijn
levenswandel, zijn kas zeer gedund was.
De Chinees was intusschen naar het hoofdbureau van politie gegaan en
verwekte daar groot opzien bij de beambten.
Baxter was juist in het bureau gekomen en daar hij zware hoofdpijn had
wegens te weinig slaap, trachtte hij zijn slechte bui te koelen op zijn
secretaris Marholm.
Deze luisterde doodkalm naar de scheldwoorden van zijn chef en stopte
zijn kort pijpje, alsof hij niets van al het gevloek van Baxter hoorde.
„Wat is er voor nieuws?” vroeg hij de Vloo op barschen toon.
„Dat wilde ik u juist vragen,” antwoordde Marholm. „Gij ziet eruit,
alsof gij heel wat te vertellen hebt.”
„Houdt uw b....!” brulde Baxter. „Ik heb geen zin om flauwe aardigheden
aan te hooren.”
„Dat is ook niet noodig, inspecteur,” antwoordde de secretaris. „Gij
schijnt flink katterig te zijn!”
„Wat gaat u dat aan?”
„Met uw verlof, heel veel! Gij schijnt mij als een soort zondebok te
beschouwen. Raas en tier tegen iemand anders, alstublieft. Uw gevloek
maakt op mij geen indruk!”
„Wilt gij mij de les lezen?” vroeg Baxter op scherpen toon.
„De hemel beware mij! Ik denk er niet aan,” antwoordde de Vloo. „Dat
zou vergeefsche moeite zijn.”
„Sir!” stoof Baxter weer op, zijn oogen woest latende rollen.
Als antwoord blies de Vloo hem een dikke rookwolk in het gezicht.
Daar trad een politie-agent binnen en meldde:
„Een Chinees wenscht inspecteur Baxter te spreken.”
Vol verbazing keek Baxter den agent aan.
„Een Chinees? Wat moet die hier doen?”
De agent haalde de schouders op en Marholm mompelde iets.
„Breng den Chinaman hier!” beval de chef.
Eenige oogenblikken later trad de Chinees het bureau binnen, neeg
driemaal en sprak in de bloemrijke taal van zijn land:
„Ik zie de zon opgaan en voel mij gelukkig, den hoogen politiemandarijn
van Londen, de geweldige vuist van het Engelsche Rijk, voor mij te
zien. O, ik mij voelen zeer gelukkig!”
„Wat is dat voor gekkentaal?” sprak de Vloo en keek den vreemdeling vol
belangstelling aan, die op iemand, dien hij kende, scheen te gelijken.
Tevergeefs bedacht hij echter, wie het kon zijn.
Ook Baxter kwam de Chinees bekend voor.
De vele champagne van den vorigen nacht had alle herinnering van het
theater bij hem uitgewischt.
Maar hij sprak:
„Ik moet u reeds meer hebben gezien, Mister—”
„Su-Ki-Bit-Wou-Wang uit Peking!”
„Juist, Sir Stucki-Kit-Sting-Stang,” antwoordde Baxter.
„No, no,” verbeterde de Chinees, „Su-Ki-Bit-Wou-Wang! Geen mensch hier
in Londen mijn naam kan uitspreken.”
„Ja,” lachte de Vloo, „daar is ook groote vaardigheid voor noodig.”
Baxter stelde voor om den naam af te korten en eenvoudig Mister Wang te
zeggen.
Nu overhandigde de Chinees hem den brief van Sir Harper.
„Allright!” antwoordde Baxter, nadat hij hem had gelezen. „Hier hebt
gij een kaart, het zal ons een groote eer zijn, u als onze gast bij ons
te zien.”
De Chinees glimlachte gevleid en antwoordde:
„O, ik hopen, dat daar nog meer zijn zulke schoone dames.”— —
„Dames?”
Baxter kreeg een schrik. Nu herinnerde hij zich plotseling, dat hij den
zoon van het Hemelsche Rijk in den schouwburg had gezien.
„Ja, dames,” knikte de Chinees. „Ik u immers gisteravond zag met dames,
met zeer schoone dames in den schouwburg.”
Baxter werd rood. Hij had den Mongool graag een oorvijg gegeven.
„Gij vergist u, dat waren onze dames niet,” antwoordde hij, om zijn
figuur tegenover de Vloo te redden.
„O, ik begrijpen,” glimlachte de Chinees, „dat waren gekochte dames,
niet echtgenooten. O, ik zoo graag weten wilde, hoe duur zulke dames
zijn!”
„Juist,” sprak Baxter, die begreep, dat Marholm vol inwendig genoegen
zat te luisteren, „nu herinner ik mij eerst, wat gij bedoelt. Het was
mijn zuster en de echtgenoote van een mijner vrienden, die met ons in
de loge zat.”
„Zeer schoone zuster, zeer schoone vrouw! Nu, ik wil niet verder
storen, ik gaarne weerkomen aanstaanden Donderdag. Tot weerziens!”
„Tot weerziens!” sprak Baxter en herademde, toen de onaangename
bezoeker eindelijk het bureau verliet.
Nauwelijks was de deur achter hem gesloten, of de Vloo vertrok zijn
gelaat tot den breedsten glimlach, dien hij te voorschijn kon brengen.
„Waarom grijnst gij zoo?” vroeg zijn chef, die dit lachen kende.
„Waarom zou ik niet grijnzen?” antwoordde Marholm, „ik amuseer mij!”
„Hopelijk niet over mij!” barstte Baxter los. „Ik bedank daarvoor.”
„Gij moet u niet alles dadelijk zoo aantrekken,” sprak de Vloo, „ik had
nooit gedacht, dat gij zoo aantrekkelijk waart!”
De chef rolde met zijn oogen en daar Marholm kalm en behaaglijk bleef
glimlachen, sloeg hij met de vuist op tafel en schreeuwde:
„Wilt gij nu eindelijk eens ernstig kijken?”
„Ik denk er niet aan,” antwoordde de Vloo, „in de dienstvoorschriften
staat nergens, wat voor een gezicht men moet zetten!”
„Vervloekte kerel!” riep Baxter uit en toen hij Marholm nog steeds
vroolijk zag lachen, sprong hij van zijn stoel op en sprak:
„Als gij nu nog doorgaat met uw gegrijns, gooi ik u de deur uit!”
„Gelukkig!” zuchtte de Vloo, „ik verlang onuitsprekelijk naar frissche
lucht! Gij riekt namelijk naar—”
„Wat zegt gij, ik riek?” schreeuwde Baxter, hem in de rede vallend.
„Ja, zeker,” bevestigde de secretaris. „Gij schijnt flink katterig te
zijn! De Chinees schijnt u gisteravond goed opgenomen te hebben.
Gelooft gij zelf iets van die vrouw en zuster?”
„Wat? Of ik daaraan geloof? Gij hoordet immers, dat ik het zelf
vertelde!”
„Dat is immers juist het grappige”, lachte Marholm. „Gelooft gij, wat
gij zelf hebt verteld?”
„Ik geloof altijd, wat ik zelf vertel”, riep de inspecteur vol trots
uit.
Inplaats van te antwoorden, vertrok Marholm weer zijn gelaat tot dien
breeden grijns, die Baxter woedend maakte.
Weer barstte hij los en verbood Marholm te lachen.
Daar de Vloo echter geen aanstalten maakte, om ernstig te kijken, kon
Baxter zich niet meer bedwingen en schreeuwde:
„Ik ontsla u zoolang uit den dienst, totdat gij weer een ernstig gelaat
vertoont.
„Er uit!”
De inspecteur had nauwelijks het laatste woord gesproken, of Marholm
sprong zoo vlug mogelijk van zijn stoel op, greep zijn hoed en snelde
naar de deur.
Daar keerde hij zich nog eens om en vertoonde, voordat hij het bureau
verliet, den chef van politie zijn breedlachenden mond en met een
knipoogje, dat veelbeteekenend was, nam hij afscheid van Baxter.
De deur viel achter hem in het slot en—dat was geen oogenblik te vroeg,
want Baxter had een inktpot opgenomen en hem dien nagegooid.
Ook John Raffles had met een veelzeggend glimlachje het hoofdbureau van
politie verlaten.
Hij nam een cab en reed naar het Drury Lane theater.
Nadat hij den portier een fooi had gegeven, vernam hij van dezen het
adres der actrice Miss Raabe.
Hij gaf den koetsier den naam der straat en het nummer op en bevond
zich een kwartier later voor het kleine huis met één verdieping, waar
een voorname rust heerschte.
Lord Lister behoefde niet lang te wachten. Een aardig kamermeisje vroeg
hem, wat hij wenschte en glimlachte vroolijk bij het zien van den
Chinees.
John Raffles gaf ook haar zijn Chineesch visitekaartje, waarmee zij
verdween.
Reeds de vestibule, waarin Raffles zich bevond, getuigde ervan, dat de
bewoonster van het huis een uitstekenden smaak moest hebben, gepaard
gaande aan grooten rijkdom, of wel, en Raffles wist, dat dit laatste
het geval was, dat zij schatrijke aanbidders had.
Terwijl hij de meubelen en curiositeiten bewonderde, die de vestibule
versierden, kwam het kamermeisje terug en sprak:
„Miss Raabe verzoekt u, binnen te komen.”
Zij geleidde den bezoeker langs een trap naar boven en liet hem binnen
in een boudoir, waaraan een grooten muzieksalon grensde.
Hier heerschte buitengewone weelde, die bijna iets parvenuachtigs had.
Nauwelijks was de Chinees het boudoir binnengegaan, of hij hoorde het
ruischen van een zijden sleep in het muzieksalon en een oogenblik later
trad Miss Raabe in een met kanten bezet ochtendkleed binnen, dat haar
lichaam als een glinsterende elastieke slangenhuid gaf.
Onmiddellijk herkende zij den Chinees uit het Lyceumtheater van den
vorigen avond en, terwijl zij glimlachend haar sneeuwwitte goed
verzorgde tanden liet zien, riep zij uit:
„O, dat is charmant, Mr. Jucki-Bit! Ach kom! Die naam is prachtig, ik
zal u eenvoudig Mr. Jucki noemen— —Mijn lieve Mr. Jucki, ik ben zeer,
zeer verheugd, kennis met u te maken en ik hoop, dat gij voldoende
Engelsch verstaat, om elkaar te kunnen begrijpen.”
„O, zeer zeker, wij elkaar zullen begrijpen,” antwoordde Raffles, „en
als gij niet mijn Engelsch verstaat, zult gij mijn Chineesch wel
begrijpen. In de liefde Engelsch en Chineesch volkomen gelijk zijn. Ik
ben zeer vol geestdrift voor uw schoon gelaat!”
„Zoo?” glimlachte Miss Raabe gevleid, „maar gij hebt gelijk! Mr.
Harper, een goed vriend van mij, zei onlangs, dat mijn gelaat een
ongeschreven gedicht was.”
„Nu, dat betwijfelen ik moet. Men ziet lijnen, waarop een gedicht te
schrijven men zou kunnen!”
„Foei, hoe hatelijk!” riep Miss Raabe uit met een koket lachje.
„Ik weet, dat ik ben hatelijk, maar daarvoor is mijn geld zeer goed,”
antwoordde de Chinees. „Men houden daarom van mij veel en zeggen, dat
ik een zeer net mensen zijn. Gij zult dat ook nog van mij zeggen.”
Miss Raabe keek hem met een smachtenden blik aan en lispelde:
„Als gij heel lief voor mij wilt zijn! Maar gij moet mij niet te lang
laten wachten, anders zeg ik het tegendeel. Voor alles, mijnheer, ben
ik dol op brillanten.”
„Daarmee kan ik van dienst zijn!” antwoordde Raffles, „ik niets ken van
brillanten, maar ik goede cheques heb en daarvoor mijn vriendinnen
brillanten kunnen koopen. Dan kunnen zij mij niet verwijten, wanneer
zij door Engelsche koopmannen bedrogen worden.”
„Gij hebt gelijk.” knikte de schoone. „Hebt gij misschien toevallig
zoo’n cheque bij u?”
„Ik die dragen altijd bij mij. Zouden gij gaarne een willen hebben?”
Miss Raabe antwoordde zuchtend.
„Ja, mijnheer, ik verlang er naar. Maar gij schertst zeker?”
„O neen,” verzekerde de Chinees, „ik schertsen niet over zulke
onderwerpen,” en met de onverschilligheid van iemand, die over
millioenen beschikt, haalde hij zijn chequeboek uit zijn zak en vroeg:
„Hoe groot wenschen gij, vriendin van mijn hart, een cheque?”
Miss Raabe keek haar bezoeker verbaasd aan. Een dergelijke
edelmoedigheid was haar vreemd. Zij wist niet, wat zij zou antwoorden.
Maar de Chinees kwam haar te hulp en sprak:
„Ik denken, dat een net brillanten sieraad zullen kosten 1000 pond
sterling?”
De hebzucht ontwaakte in Miss Raabe.
Iemand, die haar zonder slag of stoot 1000 pond sterling wilde geven,
zou ook meer voor haar over hebben.
„Ik merk wel, dat gij nog geen brillanten sieraden hebt gekocht, Mr.
Jucki, anders moest gij weten, dat men voor een dergelijk bedrag geen
mooie steenen koopt.”
„Gij gelijk hebben,” sprak de Chinaman, „ik werkelijk in mijn leven nog
nooit brillanten gekocht hebben.”
Met deze woorden sprak de Groote Onbekende de waarheid, want alle
brillanten, die hij tot dusverre had bezeten, had hij den eigenaar
afgenomen.
„Mooi”, sprak hij, „zeg dan, hoeveel geld men noodig voor brillanten.”
Miss Raabe was dicht naast den Chinees gaan zitten en zijn hand
streelende, sprak zij:
„Mijn lieve, bruine Jucki— —nietwaar, gij zijt immers mijn lieve,
bruine Jucki? Reeds gisteren in den schouwburg stelde ik belang in u en
bewonderde uw mooie zwarte vlecht.”
Zij streek met haar zachte hand over den gitzwarten glanzenden haartooi
van haar nieuwen vriend.
„Ik wilde weten, hoeveel kosten brillanten!”
„Ja, ziet gij, mijn lieve Jucki, ik weet niet, of gij genoeg van mij
houdt. Ik heb een aanbidder, die mij 10,000 pond sterling heeft
beloofd, als ik hem mijn liefde wilde schenken!”
„Beloofd!” riep Raffles uit, „ik niet beloven, maar geven!”
„Hij heeft mij al 7000 pond gegeven, lieve Jucki!”
Zij liet reeds het woordje „Mister” weg, wat de Groote Onbekende met
genoegen opmerkte.
„O, ik u ook kan geven zooveel en nog meer. Ik u geven wil een cheque
op de Bank van Peking van 10,000 pond sterling, als de schoone miss mij
wil schenken haar liefde.”
Zij reikte hem haar hand, die schitterde van de juweelen en sprak:
„Geef mij uw cheque en ik zal zooveel van u houden, dat gij niet naar
China wenscht terug te keeren.”
„Allright, Miss Raabe,” sprak de Chinees, „hier is mijn cheque.”
Hij vulde een formulier in en gaf het haar.
Nauwkeurig las zij het en vroeg:
„Moet ik de cheque naar de Bank van Peking zenden?”
„Gij hem niet moeten zenden. Gij kunnen cheque geven aan Engelsche Bank
en na vier weken geld laten uitbetalen. De Bank zullen zich het geld
van Peking laten komen.”
„Dat is lang,” antwoordde Miss Raabe, „vier weken! dan moet gij ook nog
vier weken wachten voordat ik u mijn liefde schenk.”
„Ik gaarne wachten,” sprak de Chinees, „ik echter hoop, u te mogen
bezoeken.”
„O ja,” lachte Miss Raabe, „dat moogt gij. Ik sta u zelfs toe, mij naar
den schouwburg te vergezellen, soupers voor mij te bestellen, gij moogt
met mij gaan wandelen en kleine rekeningen, die ik hier en daar in
winkels heb, voor mij betalen.”
„Ik met grootste genoegen dat doen zullen”, antwoordde John Raffles.
Op dit oogenblik hoorde men het getoeter van een auto voor het huis en
Miss Raabe snelde naar het raam.
Nauwelijks had zij een blik naar buiten geworpen, of zij sprak zeer
ontsteld:
„O mijn hemel, wat moet ik nu doen! Daar komt mijn vriend Mr. Harper en
wanneer hij u en mij hier samenvindt, zou hij u uit jaloezie misschien
doodschieten.”
De Chinees sprong verschrikt op en riep:
„O neen, laat mij niet doodschieten! Ik zeer bang zijn daarvoor!”
Men hoorde reeds de huisdeur open- en dichtgaan en er was niet veel
tijd te verliezen.
Gejaagd sprak Miss Raabe:
„Kom gauw mee, gij moet u verbergen in mijn kleerkast. Ik heb daar een
schuilplaats laten aanbrengen, waar niemand u kan vinden.”
Zij voerde hem door het salon, waaraan haar slaapkamer grensde en
hierdoor naar een kleedkamer, waarin aan den muur een groote kleerkast
met drie deuren stond.
Zij opende echter geen dezer deuren, maar drukte aan een der zijkanten
op een lijst en geruischloos opende zich een smalle deur, die echter
juist breed genoeg was om een mensen van gewonen omvang door te laten.
Daarachter bevond zich een geheel afgescheiden ruimte, waarin zelfs een
zitplaats was aangebracht.
„Hier moet gij wachten, mijn lieve Jucki, totdat ik er u weer uitlaat.”
„De zaak er gevaarlijk uitzien”, meende de Chinees; „maar ik hopen, dat
gij mij niet te lang zullen laten wachten. Is Mr. Harper werkelijk zoo
gevaarlijk een man?”
„Zeer gevaarlijk, mijn lieve Jucki! Haast u nu, ik hoor hem al in het
salon.”
In het volgende oogenblik bevond Raffles zich in de kast en nauwelijks
was de deur achter hem gesloten, of hij hoorde door de dunne houten
deur de woedende stem van Harper:
„Waar zit je eigenlijk?”
„In mijn kleedkamer”, antwoordde Miss Raabe. „Waarom schreeuw je zoo?
Je gedraagt je sinds eenigen tijd niet zeer „gentlemanlike”.”
De bankier was binnengekomen en keek met wantrouwende blikken om zich
heen.
„Ben je alleen?” vroeg hij.
„Natuurlijk! Wat beteekent die gekke vraag?”
„Omdat ik weet, dat je bezoek hadt!”
„Bezoek?” vroeg zij, zacht lachend. „Ik geloof, dat je spoken ziet!”
„Spoken? Dan zeker van vleesch en bloed! Waar is de man, die je heeft
bezocht?”
„Houd nu toch op! Als ik je zeg, dat er niemand bij mij is, dan is dat
zoo!”
John Raffles hoorde, hoe Harper naar de kleerkast ging en die opende.
„Wat zoek je onder mijn kleeren?” vroeg de schoone. „Interesseeren mijn
rokken je? of wil je je er persoonlijk van overtuigen, dat mijn
toiletten, zooals ik je reeds herhaaldelijk vertelde, noodig moeten
worden verbeterd? Je moest mij een paar nieuwe koopen bij Peter
Robinson! Ik heb iedere japon al gedragen en zou graag weer eens nieuwe
costuums willen hebben.”
Harper had de kleeren op zij geschoven en ging nu naar het met zware
zijden damastgordijnen behangen bed, dat hij eveneens doorzocht.
Zij lachte opnieuw hoonend en met een woedende stem sprak hij:
„Ik heb in je salon het bewijs gevonden, dat er iemand bij je is, wil
je nog ontkennen?”
„Bah!” antwoordde zij en haalde minachtend de schouders op.
„Ik ben zeer nieuwsgierig, wat je gevonden hebt.”
„Kijk,” sprak hij en hield haar het visitekaartje van den Chinees voor
de oogen, „ken je dit kaartje?”
„Ach— —dat— — —” antwoordde zij langzaam, „natuurlijk ken ik dat
kaartje. Die malle Chinees kwam vanmorgen, maakte mij zijn opwachting
en ik was blij, toen ik hem weer kwijt was. Je ziet dus, dat ik op nog
meer mannen indruk maak dan op jou!”
„Tart mij niet!” schreeuwde hij woedend, „of ik zou mijzelf kunnen
vergeten. Is het werkelijk waar, dat de Chinees niet meer bij je is?”
Weer antwoordde zij minachtend: „Bah!” en vervolgde:
„Ik zou niet weten, waarom ik de aanwezigheid van dien heer, als hij
nog hier was, zou verzwijgen. Ik ben je daarover toch geen rekenschap
verschuldigd!”
„Zoo?” sprak hij.
„Is het kapitaal, dat ik tot heden aan je heb opgeofferd, niet de
moeite waard?”
„Je hebt niets aan mij opgeofferd, want het geld behoort aan je vrouw,”
sprak zij op ijskouden toon.
„Bewijs mij eerst, dat je inderdaad een offer voor mij kunt brengen.”
Hij drukte haar arm zoo hartstochtelijk tegen zich aan, dat zij een
kreet van pijn gaf. Daarop haalde hij een pakket uit zijn borstzak, dat
1000 pond aan bankpapier bevatte en riep uit:
„Zottin, geloof je werkelijk, dat ik geen offer voor je zou kunnen
brengen? Hier, neem dit geld! Je verlangdet 10,000 pond van mij. 7000
heb ik je al gegeven en wel, zooals je weet, het geld van mijn vrouw.
„De rest hoopte ik te winnen door beursspeculaties, maar dat is
mislukt.
„Om echter aan je wenschen te voldoen, heb ik de gelden van mijn
cliënten uit mijn brandkast genomen en voor je meegebracht. Je ziet
dus...”
Zij vlijde zich nu tegen hem aan als een groote witte kat en,
liefkoozend fluisterend, sprak zij:
„Ik wist het wel, dat je liefde grenzeloos is. Nu zal je vanavond de
belooning ervoor krijgen. Ik zal je zoo lief hebben als nog geen enkele
vrouw het heeft gedaan.
„Kom, laat ons nu gaan soupeeren!
„Ik zal al je zorgen verdrijven en het geld, dat je je cliënten hebt
onteigend, zal je wel gauw terug verdienen.”
Zij trok Harper, die nog eens met onderzoekende blikken rondkeek, in
het salon en begaf zich met hem naar een kleine eetkamer aan de
achterzijde van het huis.
Nauwelijks had het tweetal de kamer verlaten, of Raffles opende de kast
van binnen en trad er uit te voorschijn.
Zacht sloop hij door de slaapkamer rond en ontdekte naast het bed een
kleine ijzeren geldkist, die geopend was en waarin brillanten van
groote waarde lagen.
Daarin lag ook, in kleine pakjes verdeeld, een bedrag van bijna 10,000
pond, die Miss Raabe zelf bewaarde, daar zij een hekel aan Banken had.
Later vernam Raffles, dat zij zoo slecht schreef, dat zij zich geneerde
om haar naam onder een cheque te plaatsen en om die reden het geld
thuis bewaarde.
Met onderzoekende blikken bekeek Raffles dit alles en mompelde:
„Het is de moeite waard, met deze kleine een liefdesgeschiedenis te
beginnen; een dergelijke gevaarlijke slang moet onschadelijk worden
gemaakt.”
Een geluid in de eetkamer deed hem haastig in de kast terugkeeren.
Toen hij er weer in zat, ontdekte hij, dat een roset van het
houtsnijwerk verschoven kon worden, zoodat men in de kamer kon kijken.
Harper en zijn geliefde kwamen weer binnen en hij kon duidelijk zien,
hoe de schoone het geld in het kistje borg.
Daarop verlieten zij de kamer weer.
De Groote Onbekende hoorde Harper zeggen:
„Ik zal dus precies om zeven uur bij je zijn en verzoek je, mij niet
lang te laten wachten. Wij zullen naar het Criterium-Theater gaan. En
dan moet ik in elk geval tegen 10 uur een uurtje naar de vergadering.”
„Ach ja,” antwoordde zij, „ik heb er mij al op verheugd. Er moet een
mooie klucht worden gegeven. Ik blijf natuurlijk in den schouwburg!”
Zij glimlachte spottend, wat hij niet opmerkte.
Hierna verlieten zij de kamer en Raffles wachtte geduldig op de dingen,
die zouden komen.
Ongeveer tien minuten later werd de geheime deur door de geliefde van
den bankier geopend.
Zij keek hem schalksch aan met haar zwarte oogen en met een overmoedig
lachje riep zij:
„Ik heb den ouden gek naar huis gestuurd. Hij had geen honger en nu
moet gij met mij soupeeren, mijn lieve Jucki”.
Zij sloeg haar arm om Raffles’ hals en trok hem met zich mee.
„Zeer schoone hand, zeer schoone arm,” fluisterde de Chinees,
schijnbaar vol verrukking. „Ik houden van schoone vrouwenarmen.”
„Allright!” lachte zij, „als je heel lief bent, laat ik je na het
souper mijn geheelen arm zien.”
„Zeer groote kostbaarheid voor mij zal dat zijn!”
„Je bent een vleier,” antwoordde zij, „maar kom nu. Ik heb honger. Nu
zullen wij ongestoord zijn!”
Terwijl zij den bouillon dronk, die door het kamermeisje was gebracht,
sprak zij:
„Hij is namelijk getrouwd, mijn vriend, dien ik wegstuurde. Hij heeft
een oude, gierige vrouw en als hij niet stipt om 2 uur aan tafel
verschijnt, maakt zij hem het leven tot een hel.
„Ben jij ook getrouwd, lieve Jucki? Ik vind getrouwde vrouwen
afschuwelijk!”
„Ik ook,” antwoordde de Chinees. „Ik vinden een vrouw heel akelig. Wij
in China meer vrouwen hebben.”
„Zoo,” antwoordde zij op scherpen toon, „maar als je mijn vriend wilt
worden, mag je geen tweede vrouw hebben. Ik wil je alleen liefhebben,
ik verzeker je, dat jij de eenige man bent, dien ik liefheb!”
„Gij mij maken zeer gelukkig,” fluisterde de Chinees. „Maar gij zijn
een kleine slang. Alle vrouwen kleine slangen zijn, zoolang men ze niet
opsluit. Wij in China onze vrouwen opgesloten houden.”
„Hier in Londen bestaat dat niet,” legde zij hem uit, waarop hij
antwoordde:
„Zeer dom is dat!”
Nadat zij hadden gesoupeerd, sprak zij:
„Lieve Jucki, nu moet je gaan. Morgenochtend tusschen 11 en 1 kun je
terugkomen. Dan is „hij” altijd naar de beurs en zoodra ik het geld heb
van de Bank mag je bij mij komen wonen. Ik bekommer mij dan niet meer
om den ouden kaffer.”
„Allright, Lady,” antwoordde hij opstaande, „ik nu zal gaan en
terugkomen.”
Zij gaf hem glimlachend een hand ten afscheid, die hij voorzichtig
kuste. Ter verontschuldiging sprak hij:
„Wij Chineezen het kussen niet verstaan.”
„Ik zal het je leeren!” sprak zij, terwijl zij hem tot de voordeur
vergezelde— — —
Zeer voldaan over zijn bezoek keerde John Raffles naar huis terug en
sprak tot Charly Brand, die hem vroeg, waar hij was geweest:
„Ik heb de Vereeniging ter bevordering van ondeugd en onzedelijkheid
bestudeerd.
„Ik was op het hoofdbureau van politie en heb bij een demi-mondaine
gesoupeerd.
„Ik verzeker je, mijn lieve Charly, het wordt een prachtig zaakje, dat
ik op touw heb gezet! Daaruit zou een uitstekend comediestuk te maken
zijn!”