De inspecteur van politie Baxter van Scotland Yard, de almachtige chef
van de Londensche recherche, was zeer ontstemd op zijn bureau gekomen
en ergerde zich, omdat zijn secretaris Marholm, of zooals de Londensche
misdadigers hem noemden, de Vloo, niet aanwezig was.
Zelfs het genot van zijn pijpje kon hem niet in de goede stemming
terugbrengen.
Onmiddellijk drukte Baxter op het knopje van de electrische bel op zijn
schrijftafel, waarop uit het aangrenzende vertrek een der dienstdoende
agenten binnentrad.
„Waar is secretaris Marholm?” snauwde Baxter hem toe.
Het antwoord luidde:
„Secretaris Marholm heeft een brief gezonden, die op de schrijftafel
van den inspecteur ligt”.
Terwijl de politieagent nog wachtte, opende Baxter den brief en las:
„Waarde inspecteur!
De vorige week zijt gij drie dagen ziek geweest en ik moest toen uw
dienst alleen waarnemen. Daar het vandaag ook zulk prachtig weer
is, neem ik de vrijheid, eveneens ziek te zijn en verzoek u mijn
werk er bij te willen doen. Met beste groeten.
Marholm.”
Een oogenblik staarde Baxter onafgewend naar den brief.
Daarop barstte hij los:
„Een dergelijke onbeschaamdheid heb ik nog nooit beleefd. Deze
brutaliteit overtreft alles! Daarenboven ligt er hier een hoop werk
voor hem. Dat zou hij wel willen, dat ik ging zitten om zijn werk te
doen!
„De duivel hale dien kerel, ik zou graag een anderen secretaris willen
hebben, maar helaas — —”
Hij zuchtte woedend.
„Ik kan onder die domme beambten geen enkelen vinden, die in staat is
een acte te schrijven, die leesbaar is en zonder taalfouten.”
„Met woest rollende oogen wendde hij zich tot den bij de deur staanden
politieagent:
„Zend onmiddellijk mijn secretaris naar het bureau!”
„Tot uw dienst, inspecteur!” klonk het terug.
Baxter ging nu aan zijn schrijftafel zitten en begon de ingekomen
stukken te lezen.
De tweede brief, dien hij opende, droeg het gedrukte opschrift:
„Vereeniging ter bevordering der goede zeden.
Geachte heer!
Ondergeteekende, president Sir Edwin Harper, heeft de eer u te
verzoeken, tweede voorzitter te worden van de Vereeniging ter
bevordering der goede zeden in Engeland.
Zooals u waarschijnlijk bekend is, staat onze Vereeniging onder
bescherming van Z. K. H. den hertog van Norfolk.
Onder zijn voorzitterschap heeft aanstaanden Donderdag een
feestmaal plaats ter viering van het tienjarig bestaan, in hotel
Cecilia.
De president is zoo vrij, u tot dezen feestmaaltijd uit te noodigen
en verzoekt u op de bijeenkomst den hertog van Norfolk te willen
mededeelen, dat gij het tweede voorzitterschap aanvaardt.
Een eeretoelage van 500 pond sterling per jaar is aan deze
betrekking verbonden, ten einde de onkosten te dekken, welke de
werkzaamheden medebrengen.
Op voorstel van verschillende onzer leden is de keus op u gevallen
voor het vervullen van deze betrekking en het zou ons verheugen,
een toestemmende beslissing te mogen vernemen.
De president
Edwin Harper.”
De misnoegde uitdrukking was van het gelaat van den inspecteur
verdwenen.
Zijn ijdelheid was door dit aanbod in de hoogste mate gestreeld en
zacht mompelde hij:
„Natuurlijk neem ik dat aan! Ik zou wel dwaas zijn, als ik het afsloeg!
Men moet altijd trachten, relaties te krijgen met menschen, die hooger
staan dan wijzelf en de hertog van Norfolk is, voor zoover ik weet, een
intiem vriend van den koning. Ik zal den president onmiddellijk
antwoorden. — —
„Marholm!”
Hij keek paar de ledige plaats van zijn secretaris en had geheel
vergeten, dat deze niet aanwezig was! Hij keek weer ontstemd en
vloekte:
„Het is eenvoudig ongelooflijk. Altijd als men dien man noodig heeft,
is hij er niet.
„De duivel moge hem halen!
„Er zal mij niets anders overblijven dan den president zelf te
schrijven.”
Hij nam een vel papier, doopte zijn pen in en dacht na.
Na eenige minuten begon hij:
„Hooggeachte heer president!”
Verder kwam hij niet.
„Als ik nu maar wist, of de president dit kan lezen. Het is echter mijn
schuld niet, maar die van mijn leeraren, die het mij niet beter hebben
geleerd.
„Ik betwijfel werkelijk, of iemand het zal kunnen lezen,” mompelde hij
nadenkend. „Ik zal het nog eens probeeren!”
Hij nam een ander velletje en begon opnieuw, zorgvuldig de pen
hanteerend:
„Hooggeachte heer president!”
Daarop vergeleek hij de beide stukken met elkaar en bekeek ze op
eenigen afstand.
Geen der twee vond hij goed genoeg en beide zoo onleesbaar, dat alleen
hij, die het had geschreven, het lezen kon.
Het waren merkwaardig onduidelijke letters, die hem toegrijnsden.
Opnieuw begon hij op Marholm te vloeken, daarop nam hij, om zijn woede
te luchten, de beide velletjes papier, kneep ze in elkaar en slingerde
ze in de papiermand.
Op dit oogenblik werd de deur geopend en de vurig verlangde Marholm
trad met een glimlach op het gelaat de kamer binnen.
„Goeden morgen, inspecteur”, riep hij, „wat is er aan de hand?”
„Voor den duivel, Sir!” schreeuwde Baxter, „wat bezielt je eigenlijk?
Ik ben verbaasd over zooveel brutaliteit, hoe durf je het wagen?”
„Ik ben ziek,” antwoordde de Vloo, steeds vroolijk glimlachend.
„Ziek? Zijt gij ziek? Gij straalt van gezondheid en lacht zoo vroolijk,
alsof gij van het een of andere prettige feestje kwaamt. Welke ziekte
hebt gij? Wilt gij mij dat eens opgeven?”
„Jawel,” antwoordde Marholm lachend, „ik heb rheumatiek!”
„Rheumatiek?” vroeg Baxter. „Al hadt gij dat, dan zou dat nog geen
reden zijn om uit het bureau weg te blijven.”
„Natuurlijk,” antwoordde de secretaris, „ik ben niet in staat om dienst
te doen.”
„Hoor eens,” schreeuwde de inspecteur, „als alle menschen, die
rheumatiek hebben, zoo flink op hun beenen staan als gij, dan zou ik
die kwaal wel willen hebben.”
„Wie zegt u, dat mijn knieën niet knikken?” vroeg de Vloo.
„Waar hebt u pijn?”
„In den arm!”
„In welken? Toch niet in den rechter?”
„Ik had nooit gedacht, dat gij zoo goed zoudt kunnen raden,” lachte
Marholm.
Baxter sloeg met zijn vuist op de schrijftafel.
„Gij wilt mij zenuwachtig maken, man, gij liegt natuurlijk!”
„Volstrekt niet,” klonk het op drogen toon. „Ik kan geen pen
vasthouden. Ik kan mijn eigen naam niet eens zetten!”
„Een mooie toestand!” kermde Baxter, „maar—” zijn gelaat helderde
plotseling op— —
Hij ging naar Marholm toe en hield hem, zooals hij dat gewend was, bij
een van zijn jasknoopen vast.
„Luister eens, Marholm,” sprak hij, terwijl hij den knoop begon rond te
draaien.
„Ja, ik luister,” antwoordde de Vloo, „maar ik verzoek u vriendelijk,
mijn knoop te laten zitten!”
„Gij zijt een slecht mensch,” sprak Baxter, „ik heb u op bedrog
betrapt!”
„Nonsens!” riep de secretaris uit. „Ik zal er niet invliegen. Gij wilt
zeker probeeren, mij beet te nemen.”
„En toch is het waar?”
De Vloo keek ongeloovig en haalde de schouders op.
„Wilt gij mij eens verklaren,” vervolgde de inspecteur, „als gij
rheumatiek in den rechterarm hebt en geen pen kunt hanteeren, wie dan
hedenmorgen dien brief voor u heeft geschreven?”
„Wel, ikzelf natuurlijk,” antwoordde de secretaris.
„Allright,” knikte Baxter, „en gij wilt mij wijsmaken, dat gij
rheumatiek in den rechterarm hebt? Neen, mijn waarde heer! Wie zulke
brieven kan schrijven, lijdt daar niet aan. Neem nu aan de schrijftafel
plaats en schrijf, wat ik u zal dicteeren.”
„Onmogelijk,” antwoordde de secretaris hoofdschuddend. „Toen ik den
brief schreef, had ik nog geen rheumatiek, maar een zeker geprikkel in
de vingertoppen voorspelde mij, dat ik het zou krijgen en dat is
uitgekomen ook!”
„Gij zijt onverbeterlijk!”
Deze woorden warden met groote zelfbeheersching uitgesproken want de
chef van Scotland Yard spande zich in om niet woedend te worden, omdat
hij brandde van verlangen om den brief aan den president te dicteeren.
„Maar,” vervolgde hij. „Misschien staat uw ziekte u toe, een klein
briefje voor mij te beantwoorden. Lees eens, welk schrijven ik
ontving.”
Hij overhandigde Marholm den brief en terwijl deze las, stak hij een
sigaar op. Zoodoende kon hij het vroolijke lachje niet zien, dat bij
het lezen van den brief om den mond van de Vloo speelde.
Marholm legde den brief neer en trok zijn overjas uit.
Toen Baxter dat zag, kwam een zucht van verlichting over zijn lippen.
„Als gij werkelijk rheumatiek hebt, mijn beste Marholm,” sprak hij op
vaderlijk bezorgden toon, „dan verzoek ik je om, nadat je dezen brief
hebt geschreven, weer naar huis te gaan. Gij kunt dan morgen wel
inhalen, wat er vandaag te doen was.
„Ik weet uit eigen ervaring, hoe men onder die ziekte kan lijden.
„Dus, zooals afgesproken, gij zult den brief voor mij schrijven,
nietwaar?”
„Als gij het wilt aannemen, ben ik er gaarne toe bereid.”
Marholm sprak op een eigenaardigen, ironischen toon, maar Baxter merkte
het niet. Hij zette zijn borst vooruit en begon te dicteeren:
„Hooggeachte heer president!
Uw aanbod om het tweede voorzitterschap der Vereeniging ter
bevordering der goede zeden aan te nemen, is mij een buitengewone
eer.
Ik ben gaarne bereid erop in te gaan. Niet alleen ter wille van het
aangename gezelschap en de relatie met mannen uit de hoogste
kringen, welke deze positie meebrengt, maar vóór alles, omdat ik
zelf sinds jaren een ijverig voorstander ben van deugd en
zedelijkheid.”
— —„Au!”— —riep Marholm op luiden toon, zoodat zijn chef verbaasd
opkeek.
„Wat is er?” vroeg Baxter verschrikt.
„Mijn rheumatiek werd veel erger, inspecteur en ik heb op deugd en
zedelijkheid een groote inktvlek laten vallen. Nu moet ik den brief nog
eens schrijven!”
„Wees toch voorzichtig,” sprak de inspecteur. „Gooi geen vlekken op
deugd en zedelijkheid. Hebt gij nog zoo’n pijn, wacht dan liever even—
—Maar—waarom lacht gij eigenlijk?”
„Dat doe ik om mijn pijn te verbijten,” antwoordde Marholm.
„Wacht dus een oogenblik, inspecteur, totdat ik den brief
overgeschreven heb.”
Na eenige minuten, terwijl Baxter nieuwsgierig toekeek, of de brief
niet weer door inktvlekken bezoedeld werd, had de secretaris den
laatsten zin geschreven, waarna hij op het verdere wachtte.
Zijn chef kuchte en begon verder te dicteeren:
„Met alle kracht doe ik mijn best om de onzedelijkheid in Londen uit te
roeien!”— — —
„Ha, ha, ha, ha, ha,” klonk het van Marholms lippen, zoodat Baxter
verbaasd uitriep:
„Mijn hemel, wat hebt gij toch!”
„Ha, ha, ha, ha”, lachte Marholm, „o, inspecteur, die vervloekte
rheumatiek......”
„Maak mij toch niet zoo verschrikt! Roep dan liever: Au!”
„Dat gaat niet!” antwoordde de Vloo. „Als ik „au!” roep, dan maak ik
weer kladden!”
„Nu—verder!” sprak Baxter, hoofdschuddend.
„Ik zal Donderdag gedurende het diner in hotel Cecilia de eer
hebben, persoonlijk met u kennis te maken en verblijf hoogachtend
Baxter,
Inspecteur van politie, chef van het hoofdbureau Scotland Yard.”
Met een tevreden glimlach nam Baxter nu den brief van de schrijftafel,
las hem nog eens door, sloot hem in een couvert en sprak:
„Schrijf nu het adres.”
„Ja, mijnheer de voorzitter,” knikte de Vloo.
„Wat?” vroeg Baxter. „Hoe noemt gij mij?”
„Wel, gij zijt nu immers: Voorzitter der Vereeniging voor deugd en
zedelijkheid?”
„Zeer zeker,” antwoordde Baxter, „maar nog buiten dienst!”
„Juist!” lachte de Vloo, „dat had ik bijna vergeten! Met den dienst
hebben deugd en zedelijkheid niets te maken!”
„Gij kunt wel heengaan!”
Met deze woorden draaide Baxter hem den rug toe en met een vlugheid,
die volstrekt geen rheumatiek deed vermoeden, nam Marholm zijn jas van
den kapstok en ging heen.
Eenigen tijd later verliet ook de tweede voorzitter der Vereeniging ter
bevordering der goede zeden het hoofdbureau van politie, om den brief
persoonlijk op de post te bezorgen.