LENI'S VERJAARDAG.

"'t Is zes uur, sta op," fluisterde Nel.

"Wat zeg je?" vroeg Door slaperig.

"'t Is zes uur. We zouden immers bloemen voor Leni plukken. Kom

er uit."

"Nu al?"

"Ja zeker, anders komen we niet klaar."

"Ik ben zoo "onmogelijk" slaperig."

"Dat ben je om zeven uur ook nog," was 't kalme antwoord.

"Je hebt ook nooit medelijden met mij," kwam er grappig klagend uit.

"Als ik klaar ben, ga ik en wacht niet op je." zei Nel. "Stil, Leen

draait zich om; als ze wakker wordt, is alle aardigheid er af."

"Ik kom al," zuchtte Door, haar kousen aantrekkend.

Zacht fluisterend en op de teenen loopend kleedden Nel en Door,

zich aan.

"Begin nu alsjeblieft niet met je sproeiwoede," zei Nel, toen Door

haar waschkom vol schonk, ''dan wordt Leni stellig wakker."

"'k Vang dan anders twee vliegen in één klap," zei Door lachend.

"Hoe zoo?"

"Wel, ik krijg de volle laag en jij bent wel tevreden met de

druppeltjes, die mij voorbij vliegen; op die manier zijn we gauw

klaar."

"Als jij dat druppeltjes verkiest te noemen," zei Nel, "'t is

gewoonlijk een volslagen fontein. Stil, Leni beweegt zich weer,

sta nu toch doodstil."

Wel drie minuten stonden beide meisjes onbeweeglijk, angstig kijkend

naar de kleine jarige.

"Voor standbeeld ben ik niet in de wieg gelegd," zei Door, toen zij

zich weer durfde bewegen, "dat merk ik wel."

"En ik niet," zei Nel.

Plof! Wat was dat? Doors kam gleed uit haar handen. Beide meisjes

stonden als palen; want nu volgde een onrustbarend geschuifel in

het ledikant.

"Ga op den grond liggen," commandeerde Nel en zeeg zelf ook behoedzaam

neer. Het geschuifel hield aan. Door en Nel stikten bijna van 't

lachen. Door lag voorover met haar hoofd onder de tafel, de noodlottige

kam recht voor zich uit houdende. Nel in haar onderlijfje met de beenen

onder haar eigen ledikant. Toen werd de deur zacht opengeduwd en Hans

stond met verbaasde oogen naar het eigenaardige tooneeltje te kijken.

Door wist geen raad van het lachen bij het zien van Hansjes

verwondering. Hij dacht zeker niet anders, of de beide meisjes waren

door een aardschok neergesmeten. Door wenkte met de kam, dat hij weg

moest gaan. Hans scheen haar niet te begrijpen en bleef onbeweeglijk

staan.

"W-e-g," spelde Door met de lippen en wees naar Leni's ledikant.

"Het-ei-is," fluisterde Hans en wilde blijkbaar nog meer zeggen,

maar Door zwaaide zóó wanhopig met de kam, dat Hans ten slotte

bedrukt wegging.

"Ik geloof, dat Leni weer in slaap gevallen is. Houd toch op met je

gelach, je zult alles nog bederven," waarschuwde Nel boos.

"Zag je Hansjes gezicht?" fluisterde Door, zich nu ook oprichtend. Nel

knikte. Tot overmaat van ramp kwam Foxje ook nog in de kamer, maar

Door zette hem er voorzichtig uit en zoo kwamen de beide meisjes toch

eindelijk klaar. Moeder was al beneden en werd in het geheim genomen;

ze beloofde Leni, als ze beneden kwam, naar Kee te sturen, tot alles

voor de jarige klaar was.

"Kom nu maar gauw mee," zei Nel tot Door; "want er zijn heel wat

vaasjes te vullen."

"Gelukkig! Ons cadeau is bezorgd," zei Door, op de nieuwe mand voor

Julia wijzend. "Stopt u die maar goed weg, moes, anders ziet Leni

die nog, voor we thuis zijn."

"Daar zal ik wel voor zorgen, kind! Ja, meisjes, jullie moet

voortmaken. Een verjaardag zonder bloemen en dat nog wel in den zomer,

dat gaat toch niet. 't Is heerlijk, dat jullie een veldbouquet gaat

plukken; want het zou jammer zijn den tuin te plunderen, als het

niet noodig is; alles staat nu zoo mooi en we hebben er zoo lang

pleizier van."

"Ja, moes, we komen gauw terug," zei Door, die den botaniseertrommel

van Dolf nam. Na een half uur hadden de meisjes een prachtigen

ruiker geplukt.

"Ik pluk ook nog wat papavers," zei Nel, "die staan zoo beeldig."

"Ja, dat doen ze, maar ze zijn zoo gauw verlept," vond Door.

"Ziezoo, we hebben genoeg, laten we maar vlug opstappen, want het

valt niet mee, alles te moeten rangschikken."

"Is Leni al beneden?" was 't eerste wat Nel vroeg, toen ze thuis

kwamen.

"Neen, ze schijnt nogal te kunnen slapen, niettegenstaande ze gisteren

het tegendeel beweerde," zei mevrouw Van Brakel. "Hè, kinderen,

kinderen, wat een schat van bloemen brengen jullie mee."

Alle vaasjes en glazen werden voor den dag gehaald en met bloemen

gevuld, wat aan de kamer een echt feestelijk aanzien gaf.

"Foxje, kom eens hier, oude jonge, je vrouw jarig en jij geen strik

om? Dat is ongehoord." En Nel bond Fox een blauw lint om den hals

en maakte aan een kant een flinken strik. Zoo heel pleizierig vond

Foxje dit nu niet, maar voor een jarige moet je wat over hebben,

had hij dikwijls gehoord en dus droeg hij zijn lot gelaten, zooals

een gehoorzaam en liefhebbend hondje past. En terwijl Nel bezig was

met Fox, bond Door Julia een rood lint om. Blauw was meer haar kleur,

vond Door, maar met het oog op de rood gevoerde mand was het beter

de halsversiering ook in die kleur te nemen.

"Daar komt Leni aan!" riep Nel. "Waar is Dolf en waar zijn de

tweelingen en vader? We moeten toch allen in de kamer zijn, voor

Leni binnenkomt."

"Dolf is achter in den tuin, met Bob, Hans en Fritsje."

"Jongens, op 't appèl!" riep Door.

"'t Is vandaag feest, zooals 't nooit is geweest," zong vader en kwam

met Leni binnen. Leni wist van verlegenheid niet, hoe ze kijken zou,

toen allen haar in de kamer opwachtten.

Verrukt keek ze naar de bloemen.

"Ja, ja, daarvoor hebben Nel en Door gezorgd. Wat zeg je daar wel

van?" zei moeder.

"Beeldig," vond Leni.

"Een spel voor den tuin," zei moeder en zette een groote kist op

de tafel.

"Een croquetspel," juichte Leni, "heerlijk!" En ze vloog op moeder

en vader toe om beiden te bedanken.

"Wat je Julia geeft, geef je Leni, hebben wij gedacht," zei Door.

"Een ledikant voor je Snoes," voegde Nel er bij en zette ter

verduidelijking de poes in de nieuwe mand.

"Hoe leuk!" riep Leni. "Och, zie haar eigenwijs gezicht eens."

"Julia onderzoekt, of ze een springveeren of een paardeharen matrasje

heeft," zei Dolf, toen de poes de mand van alle kanten besnuffelde.

"Maar hoe staan onze logé's zoo stil te kijken?" vroeg mijnheer

Van Brakel.

"Er is geen kuikentje uitgekomen," zei Bob.

"Geen kuikentje uitgekomen, ventje?" vroeg moeder verwonderd.

Door proestte het uit.

"Neen," zei Hansje, die dit gelukkig niet zag. "Het heeft al dien

tijd in den koffer gelegen onder onze blousjes. En Fritsje durfden

wij er niet opzetten, omdat we bang waren, dat het kuikentje dan dood

zou gaan."

"Ik begrijp toch niet recht, wat je bedoelt," zei vader, die moeite

deed ernstig te kijken; "vertel mij eens, wàt lag in den koffer,

kereltje?"

"Dit ei," zei Hans. Maar nu kon mijnheer Van Brakel zich niet langer

bedwingen. Hij schaterde het uit en allen in de kamer schoten in een

hartelijk gelach.

"'t Is een kalkei; o jongens, jongens, jullie bent eenig, eenig!"

Toen allen zoo vroolijk waren en het zich zoo in 't geheel niet

aantrokken, dat er geen kuiken uit het ei gekomen was, zelfs Leni niet,

toen moesten Hans en Bob toch wel meelachen.

"Kijk eens, dit màg jullie Leni geven," zei moeder en gaf Bob een

doos met flikjes. "Daar kan ze dan eens uit presenteeren vanmiddag,

als paatje er is."

Dat was goed.

"Fisjeleer," zei Fritsje, terwijl hij Leni een fleschje met eau de

cologne vereerde. Natuurlijk moest ieder even van de eau de cologne

ruiken en daar Fritsjes zakdoek nergens te vinden was, kreeg hij een

beetje op de punt van zijn schort.

"Nu heb ik hier ook nog een paar oude kennisjes," zei vader, de

portretten van de tweelingen en Julia gevende.

"Och, paatje, hoe aardig," zei Leni verrukt. "Wanneer hebt u dat

gedaan? Bob en Hans hebben me er niets van verteld."

"Ja, dat _die_ geheimen kunnen bewaren, hebben we gemerkt," zei vader,

"maar Julia doet voor hen niet onder."

"Mag ik nu de jarige in den tuin verzoeken?" zei Dolf.

"In den tuin?" vroeg Nel.

"Ja, komt allen maar mee, achter in den tuin."

"Kijk toch eens, Dolf heeft warempel het kippenhok geverfd," riep

Leni opgetogen.

"Hoe leuk!"

"Dat noem ik nog eens een verrassing," zei vader. "Ik wist werkelijk

niet, dat ik zoo'n knappen zoon had."

"Wanneer heb je dat gedaan?" vroeg Door.

"Gisterenavond en vanmorgen. Ik was om zes uur al in den tuin," zei

Dolf, blij, dat allen het zoo aardig vonden. "Maar nu moet je er ook

eens even in gaan," zei hij tot Leni; "ik heb de kippenfamilie zoo

met elkaar zien fluisteren, het zou mij niet verwonderen, als zij

ook een verrassing voor je hadden."

Lachend ging Leni in het hok. "Kom eens hier," riep ze en stond te

dansen voor de nesten van Toetie en Snoetie. "Komt toch eens allen

hier!"

"Maar kindje, dat is toch wel wat veel gevergd," zei vader; "het

heele gezelschap in het kippenhok! Laat ons liever eens zien,

welke verrassing je kippenfamilie jou bereid heeft: wij branden

van verlangen."

"Toe, Leen, kom er uit," zei Door, "je maakt ons zoo "onmogelijk"

nieuwsgierig."

"Kijk eens," zei Leni, "dit rose suiker ei heeft Toet gelegd. Het

staat er op, leest u maar."

"Van Toetie op uw verjaardag."

"Wel verbazend, dat is kranig," zei vader.

"En dit witte van Snoetie."

"Zulke kippen moesten we meer hebben."

"En dit," zei Leni, en liet een chocolade-ei zien, "van...?"

"Asschepoes," raadde Nel gierend.

"Van den haan. Zijn visitekaartje heeft hij er bij gelegd. Kijk,

Haantje-Kukelekaantje staat er op en aan den anderen kant:

"Lief jarig pleegmoedertje,

In 't kraaien ben ik wel een baas,

In 't eier leggen niet, helaas!

Maar op het feest van pleegmama

Legde ik toch een ei van chocola

Uit dankbaarheid, omdat zij elken morgen

Zoo trouw voor mij en mijn kippen komt zorgen."

"Dolf, Dolf, hoe onmogelijk leuk."

Ieder moest het hanenei natuurlijk bekijken, 't Was dan ook wel een

groote bijzonderheid; zelfs vader, die al zoo oud was, beweerde,

er nog nooit een gezien te hebben.

"Jij krijgt straks het kapje, hoor Snoet," zei Leni tegen Fritsje. Dat

leek Frits wel goed toe en Hans en Bob werd het kapje van de

suikereieren beloofd.

"Waar is Kee? Die moet ze ook zien," riep Leni.

"Daar komt ze juist aan."

"Asjeblieft," zei Kee, nog voor Leni iets kon zeggen, "omdat jij

mij gisteren zoo geholpen hebt," en meteen duwde ze Leni een klein,

beeldig poppenkoffiemolentje in de hand.

"Och moes, maatje, zie eens, van Kee!"

"Kindje! Maar 't is al te erg vandaag, je wordt veel te veel verwend."

Toen Leni de eieren aan Kee liet zien van Snoet, Toet en

Haantje-Kukelekaantje, sloeg Kee de armen van verbazing in de

hoogte. "Heb ik van mijn leven, heb ik van mijn leven! Nu begrijp

ik, waarom hij vanmorgen zoo aanhoudend kraaide, 't Is dan ook

geen kleinigheid, een chocolade-ei. Dat doen de kippen hem niet na,

ofschoon Snoet en Toet ook bijzonder knap zijn. Maar, liefje, ik moet

nu weer naar mijn boontjes," zei Kee en holde weg.

"Hoor Fox eens, met wien heeft die het toch zoo aan den stok?" zei

mijnheer Van Brakel. "Hij keft ons de ooren doof. Daar zit toch soms

geen vreemde poes onder die struik?"

"O wee!" riep Door, "ik begrijp het al. Als Fox hem maar geen kwaad

doet. Leni, kom eens gauw hier. Kijk eens onder die struik."

Een Jolig Troepje · 第 27 / 28 题