DE LOGÉTJES.

Vijf minuten later was 't heele gezelschap op weg naar het station,

behalve moeder, die met Fritsje liever thuis bleef, en Door, die als

een wanhopige kamer in, kamer uit rende om haar hoed te zoeken. Met

donderend geraas kwam de trein binnenstuiven.

"Zag je de coupé met de vlaggetjes?" riep Nel opgewonden. "Ik durf

wedden, dat ze daarin zitten. Dat is net iets voor oom Karel."

Nel en Dolf renden er naar toe. Vader en Leni konden zoo

vlug niet. Maar voor ze bij de coupé kwamen, was mijnheer Van

Lichtenvoorde met zijn beide jongetjes al uitgestapt. 't Was een

vroolijke begroeting.

"Zagen jullie onze vlaggetjes wel?" vroeg Hans.

"Nou, òf we," zei Dolf. "Nel zei dadelijk, dat jullie zeker in

die coupé zat. Pas op, houd ze vooral voorzichtig vast. 't Is hier

zoo druk."

"Hoera, daar heb je Door. Zie ze eens loopen," zei Nel.

"Dag oom, dag jongens!"

"Dag Dorus," zei oom Karel, "meisje, meisje, wat heb je geloopen."

"Maar Door, wat heb je nu op?" vroeg Nel.

"Mijn ouden tuinhoed. Ik kon mijn schoolhoed nergens vinden. Ja,

waar dat ding nog eens vandaan mag komen, _ik_ weet het niet," zei

ze met een grappig wanhopig gezicht.

"Kinderen, ga jullie nu vooruit," zei mijnheer Van Brakel, "oom en

ik komen dan langzaam achteraan."

"Zullen we een wedloop houden, wie 't eerst bij de brug is?"

"Uitstekend," vond Nel. "Ik neem Hans; Door, neem jij Bob en Dolf

Leni. Eén, twee, drie; neen Dolf, allen te gelijk beginnen, een beetje

achteruit. Ziezoo, nu staan we allen goed: een, twee, drie!" Daar

gingen ze.

"Gewonnen!" riep Door, nog hijgende en blazende. "Bob, jongen, steek

je vlag op."

"Als die dikke mijnheer ons niet in den weg geloopen had, waren wij

jullie vóór geweest," zei Nel, die met Hansje nummer twee was.

"Dikke heer, of niet, wij hebben het gewonnen. Maar kijk Dolf eens:

die schiet warempel niet hard op. O, ik zie het al, Leni zwoegt onder

haar nieuwe schoenen."

"Als je van zwoegen onder iets wil praten, dan zou ik zeggen, dat

jij zwoegt onder je kostelijk mooie tuinhoedje," lachte Nel. "Je ziet

tenminste zoo rood als een kreeft."

"Eindelijk," zei Leni met een ongelukkig gezichtje, "die nare

schoenen."

"Dat was een treurige wedloop, hè Leen? Jij moet je linker en rechter

feestdag maar zoo gauw mogelijk uittrekken, als je thuis komt, dan

vier je opnieuw feest. Maar kom, we moeten voortmaken. Pa en oom

Karel zullen ons nog inhalen. Geef mij maar een arm, hinkelepinkje."

"Doortje, is de koffer al gekomen?" vroeg Hansje.

"De koffer? Nee, hoor, ten minste ik weet er niets van."

"'t Is een heele groote, wel van dit paaltje tot dat."

"Hij is nog véél grooter," zei Bob gewichtig, "wel zóó." Hij liep

vooruit om aan te toonen, hoe groot wel.

Hans hield zich stil, hij vond, dat Bob den koffer nu wel wat héél

groot maakte. Maar hij vond het toch jammer dit te zeggen.

"Dan ben ik toch werkelijk bang," zei Nel, die best begreep, dat Bob

overdreef, "dat die reuzenkoffer niet bij ons de voordeur in kan en

dus in 't geheel niet in jullie slaapkamertje kan staan. Ma zal hem

dan zeker wel in het schuurtje laten zetten."

"In het schuurtje?" Een paar verschrikte oogen keken Nel aan. "Onze

mooie koffer?"

"Ja, waar de cokes en de turf geborgen wordt."

"Misschien is hij toch wel een beetje kleiner. Zou hij niet een beetje

kleiner zijn, Bobbie?"

Een Jolig Troepje · 第 7 / 28 题