Vóór de stad Hanover, ver van de hoofdstraten, waar het drukke verkeer
der bevolking een onrustigen en woeligen indruk maakt, staan eenige
huizen, verscholen in tuinen en plantsoen. Men nadert ze, door tusschen
tuinmuren en schuttingen een klein pad te volgen, of van den anderen
kant door een met boomen beplante chaussée. Aan den ingang van het
smalle paadje is een bordje aangeslagen met den naam: "Blumenstrasse."
't Is er zonnig, warm en stil; zóó stil, dat men haast zou gelooven,
dat er niemand in die huizen met neergelaten jaloezieën woonde,
indien niet het tegenbewijs werd geleverd door een melkwagentje,
dat bij een der tuindeuren staat.
De hond, het trekdier en nu te gelijk de wachter er van, heeft zich,
met de roode tong uit den bek, een plaatsje veroverd in de schaduw van
een paar schuttingplanken, waarover bloeiende vliertakken en seringen
hangen. Een zwerm muggen danst en gonst er onder, en een kever bromt
zijn eentonig lied er tusschendoor.
Verder van de stad afgaande, daar waar de straatweg zich om de
tuinen kromt, steken de daken en gevels boven de groene omgeving
uit. Hoe verder men ziet, hoe dichter ze opeen schijnen te staan;
nadert men evenwel, dan bemerkt men zijne vergissing, want bij ieder
huis is een tuin van vrij groote afmeting, die het van het naburige
scheidt, zoodat het schijnt, als verdroegen zij zich onderling niet
goed,--niet beter dan de menschen, die elkander uitmuntend verstaan,
zoolang de een den ander noodig heeft, evenals de huizen in de groote
stad, die dikwijls tegen elkander aanleunen om niet te vallen.
Uit het laatste, met klimop en wilden wingerd begroeide, huis klinken
de tonen van een piano. De vensters staan open en als luisterend buigen
zich de sierlijke ranken naar binnen. Twee witte vlinders dartelen in
de zoele lucht; nu eens schijnen zij rose, dan weer blauw, al naarmate
ze in de zon of in de schaduw op en neer dansen. Of zij naar de tonen
luisteren?--Neen! die zijn reeds eenige minuten lang verstomd.--Of
zij merken, dat men naar hen ziet?--'t is bijna niet aan te nemen,
want 't is moeielijk om van uit het heldere licht naar binnen in de
meer donkere kamer te zien.
Toch zijn zij de oorzaak, dat het lied, dat met zachte stem bij de
piano-forte werd gezongen, plotseling is verstomd, want een paar
kleine, mollige kinderhandjes grijpen van uit de verte naar de twee
spelende vlinders.
"Heb je al weer genoeg van de muziek, kleine dwingeland?" zegt
een vriendelijke vrouwenstem tot een allerliefst tweejarig blond
krullebolletje, dat op moeders schoot op en neer danst en zijn handjes
uitstrekt naar het licht, de bloemen en 't groen.
"Da! Da! Da!" roept de kleine, als de vlinders nu eens binnen,
dan buiten het venster elkander najagen, een oogenblik hoog op,
voorbij den gevel vliegen, om elkander heen dartelen en immer weer
terugkeeren op het plekje voor het geopende venster.
De jonge vrouw volgt evenals het kind met de oogen het spel dier
vlinders; 't is het beeld van haar gedachten, die nu eens hier, dan
weer daar ronddwalen, maar toch telkens weer terugkeeren op één punt:
den kleinen blonden wereldburger op haar schoot.
Een koele luchtstroom, die langs haar lokken strijkt, doet de
wingerdranken voor het venster ombuigen en dan weer nieuwsgierig naar
binnen zien, om te weten, wie daar door de deur in de kamer is gekomen.
"Papa! papa!" roept de kleine.
"Dag, jongen; dag, Frits! Dag Augusta!" zegt een vriendelijke
mannenstem; en als de jonge vrouw met het kind in de omhooggehouden
armen, het hoofd achter over de leuning van haar stoel buigt, kust
haar echtgenoot haar hartelijk op het voorhoofd.
"Dorus! wat kom je laat; we hebben al zoo naar je verlangd, niet
waar, Fritsje?"
"Papa!" kraait de kleine.
"'k Heb het druk gehad, van morgen; knor maar niet op me; ik breng
ook wat mee, dat je genoegen zal doen."
"Wat dan?"
"Een brief van dokter Abels. Hij komt."
Eens glans van genoegen verheldert Augusta's gelaat, als zij haar
kind omhoogheffend zegt: "Je peetoom komt. kleine man! Wat zal hij
een schik in je hebben.--Ik vind het allerliefst van hem, dat hij de
reis maakt alleen om ons.--Geef papa een kusje! Goed gedaan, ventje!"
Intusschen heeft Dorus het zich gemakkelijk gemaakt op een
chaise-longue voor het raam; hij leest dokter Abels' brief, en nu en
dan speelt een glimlach om zijn lippen.
Augusta ziet hem eenige oogenblikken zwijgend aan en zegt dan, het
kind vóór zich op den grond plaatsend:
"Egoïst!"
"Wat blief je?" vraagt haar echtgenoot, verwonderd opziende.
"Kun je mij niet eens voorlezen, wat dokter Abels je schrijft?"
"Kun je luisteren, als Fritsje hier is?"
"Natuurlijk!--Stil, kindje, wees nu maar eens een oogenblik rustig.--'t
Is toch zoo'n wilde baas, Dorus. Ja! goed, speel dan maar met mama's
pantoffel, maar stil zijn, hoor!--Ik luister." Zij buigt zich over
de leuning van den stoel, waarop haar man zit, en als haar glanzig
haar zijn wangen raakt, draait hij even het hoofd om en steelt een
kus van de frissche roode lippen, die zoo verlokkend dicht in zijn
nabijheid komen.
"Gekke man!" meesmuilt Augusta, "lees nu liever."
"'t Begin heb je zeker al gezien, nieuwsgierige vrouw!" en lachend
knikt hij haar toe, als hij lezend vervolgt:....
"uit uw laatsten brief, beste Dorus, heb ik gezien, dat ge zoo
recht gelukkig zijt. Dat Augusta voor u een uitmuntende vrouw zou
zijn, wist ik immers wel vooruit.--De kleine Frits, mijn petekind,
groeit dus goed; dat verheugt mij bijzonder! 't Is schande, dat ik
hem nog niet heb gezien, maar binnenkort hoop ik mijn schade in te
halen. Tegen het begin der volgende maand denk ik u allen weer te
zien; ik heb plan om over Hanover naar Berlijn te gaan en vraag bij
u een dag of wat belet. Ik word oud en een paar dagen rust op reis
zullen wel noodig voor mij zijn. Schrijf mij spoedig eens terug,
of gij mij afwachten kunt...."
"Wat een vraag, manlief!"
"....Verder nieuws, wat uwe belangstelling wekken kan, weet ik niet. Ja
toch, iets is er wel, wat u misschien zal interesseeren, namelijk dit:
ik las onlangs in de krant, dat de pandjeshuishouder Philip Strijkman
in arrest is genomen wegens het opkoopen van gestolen goederen. Boontje
komt om zijn loontje..."
"Ha! ha! ha! ha! ha!"
"Lach je daarom, Dorus?"
"Ja, kind! ik herinner mij op eens zijn verbluft gezicht toen hij
mij weerzag."
"O, zoo!"
"...En nu, beste vrienden, leeft wel. Tot ziens; in gedachten
omhels ik mijn petekind en Augusta, altijd als haar echtgenoot het
permitteert..."
"'t Is toch een vroolijk oud man! Ho! ho! wat is dat,
Fritsje?--Augusta, pas op! hij dribbelt de tuindeur uit."
"Tatateratata! tateratatata!" schettert uit een trompet. Er roffelt
een trom en aanstonds daarop klinkt een vroolijke marsch, geblazen
door een zestal vagebondeerende muzikanten, met oude uniformjassen
aan en petten met verschoten galons er om, op 't hoofd.
"Hier, Fritsje! hier blijven!" Augusta snelt den kleine achterna,
die, aangelokt door de tonen van de blaasinstrumenten, naar buiten
is geloopen.
Met het jonkske op den arm blijft zij staan luisteren bij het tuinhek,
waarnaast de zes muzikanten een plekje schaduw gevonden hebben en in
het zweet huns aanschijns blazen en trommelen, om een bescheiden loon
te verdienen.
Dorus is haar gevolgd en merkt met verrukking op, hoe de kleine Frits
zijn hoofdje op de maat der muziek heen en weer beweegt en met de
armpjes zwaait, als dirigeerde hij een orkest. Als hij genaderd is
en naast Augusta staat, ziet hij de muzikanten scherp aan, en voor
hij er zelf aan heeft gedacht, ontsnapt de naam "Löbell!" luide zijn
lippen. Verwonderd kijkt de trommelslager van den troep op en staart
Dorus onderzoekend aan. De andere musici staken hun spel en blijven
doodstil en verbluft zwijgen, als de trommel op eens een harden slag,
met beide stokken te gelijk, krijgt en zij de wonderlijke woorden
vernemen:
"Kottorie, das ist ja der Boeckeloroem! Potz Blitz, wie kommt der
hier?"
Lachend antwoordt Dorus: "Goed gezien, Löbell! Ik ben het. Ziedaar,
laten je vrienden zich hiervoor eens te goed doen in de herberg,
en kom jij eens even bij ons in den tuin."
Een oogenblik later zit de oude Löbell op de tuinbank en Dorus
tegenover hem op een stoel. Glimlachend luistert hij naar 't geen
de grijze muzikant hem vertelt; en Augusta lacht hartelijk mede,
als Löbell eindelijk zegt:
"Schwerenoth, noch einmal, ich hèv 't damals wol gezegd: der
Boeckeloroem, da wird noch mal was rechtes draus. Noen! hèv ich nicht
gelijk gehad?..."
"En blaas je geen trompet meer, Löbell?"
"'t Gaat nicht mehr; ich hèv 't asthma; die broest ist kapoet, der
blasebalg taugt nicht mehr; daroem bin ich weer nach meine Heimath
gezogen oend trommele mir noen mein bischen brot zoesammen."
"Arme kerel!"
"Noe! 's ist mir doch noch besser gegangen wie oenserm frühern
Prinzipal Carlo."
"Hoe zoo?"
"Wel, wissen sie dass nicht: die hèvt zich voor een paar Jahren den
nek gebrochen bij 't opschlaan von die tent. Es war da in die laatste
Jahren auch nichts mehr los, nachdem joeffrouw Keetje todt war, lief
die boel durch mekanderen.... Aber noe bitte, Herr....? Ich durf wol
nicht mehr so famieljaar Doroes zeggen?"
"Zeg jij maar gerust Dorus, Löbell!"
"Herr Doroes dann! ist das je vrouw?"
"Juist!"
Plotseling staat de oude trompetter op, slaat zijn stramme beenen
met de hielen tegen elkaar en zegt, de hand met militair saluut aan
de muts brengend:
"Alle achtung! Oend vor dem kleinen, dicken prachtkerl da, ein
donnerendes hoch! dreimal hoch!"
"Boeckeloroem!--Boeckeloroem!--Ach! entschuldige, ich meine Herr
Doroes, jij hèvt een paradies gevonden. Aber," hij bukt zich en ziet
naar iets, wat aan zijn voeten krabbelt, "zoo'n blinde lahme Köter
von ein hoend möchte ich er doch nicht in hebben" Maar 't oude hondje
goed bekijkend, roept hij eensklaps luid: "Nein! schwerenoth! ich
hèv nichts gezegd, hoor!--'s Ist ja der Boppie. Noe! die hèvt zich
sein Gnadenbrot wol verdiend."