"Dat spijt mij."
"Dorus! nu moet je mij, mij in 't bijzonder, een groot genoegen doen,"
zegt Tournel, eensklaps het gesprek afbrekend.
"Waarmee? Als ik 't kan, gaarne, dat weet u wel."
"Aanstaanden Maandag over acht dagen hebben wij een groote uitvoering
van Polyhymnia; doe mij het pleizier en speel één nommer, bij voorbeeld
deze _burlesque_."
"Twee, als ge wilt, beste vriend! Maar zal dokter Abels 't goedvinden?"
"Waarom niet? En bovendien, je kunt het hem immers vragen...."
"Dorus!" zegt op eens Augusta, die een oogenblik heeft staan nadenken.
"Wat is er, Augusta?"
"Je bent toch niet boos op me, wel?"
"Zeker niet; maar...."
"Dacht je, dat ik je spel niet mooi vond?"
"Hoe zoo?"
"Omdat ik zoo koel zei: "Ik maak je zeer mijn compliment."
"Hm! dat niet; maar ik had toch liever gehad, dat..."
"Ik wist op 't oogenblik niets anders te zeggen, omdat, omdat--nu,
omdat ik geen woorden had om te zeggen, _hoe_ mooi ik 't vond..."
Met kracht vliegt het onstuimige bloed den jongen kunstenaar naar 't
hoofd en kleurt zijn wangen; het tintelt en glinstert in zijn oogen;
hij wil iets zeggen, maar hij kan niet, 't is hem alsof zijn keel
wordt dichtgeschroefd.
't Meisje staat vriendelijk lachend voor hem en biedt hem haar handje,
zacht vleiend herhalend:
"Je bent toch niet boos op me?"
Snel grijpt Dorus de hem toegestoken vingers en drukt er even zijn
lippen op. Een lichte siddering vaart hem door de leden, als hij
't warme, zachte handje met zijn lippen aanraakt, en zij trekt het
haastig terug, terwijl een vluchtig rood haar gelaat bedekt.