Dorus staat voor den spiegel in de logeerkamer van dokter Abels' villa
"Mon Repos". Hij is ruim zestien jaren oud, en pas uit de ziekte,
die hem vrij hevig heeft aangegrepen, hersteld.
Met de handen op de marmeren penanttafel geleund, ziet hij aandachtig
naar zijn spiegelbeeld.
"'k Ben toch erg leelijk; een leelijke bochel," zegt hij met een
zucht, terwijl hij zich langzaam met de hand over het voorhoofd
strijkt. "Ach! ik wou, dat ik anders was..." Een oogenblik blijft
hij nog in gedachten verzonken naar zijn beeld staren, glimlacht
bitter en wendt zich dan af, terwijl hij in zichzelven herhaalt:
"Ach God! waarom ben ik toch zoo,--'k wou, dat ik anders was."
't Venster van de net gemeubeleerde kamer staat open en de frissche,
gezonde, geurige lucht dringt er in breede stroomen naar binnen.
't Is reeds najaar; de boomen en heesters van den tuin bieden aan
't oog een aangenaam rustpunt door de zachte herfstkleuren, die het
groen schakeeren. De bloemperken zien er nog meestal kleurig en frisch
uit, en 't gras heeft een fluweelachtige tint. Hij nadert het raam
en buigt zich over de vensterbank, als hij beneden de stem van den
tuinman hoort, die luide roept: "Allo vort! Wil-de wel moaken, dâ'
je wegkumt, miseroabele hond; allo! vort dan!"
't Is Boppie, die des tuinmans toorn heeft opgewekt, door in de
bloembedden de aard om te krabben.
Jacob, de huisknecht, staat met de handen op den rug bij de veranda
en fluit schel en aanhoudend, maar tevergeefs!
Boppie amuseert zich kostelijk in de rulle aarde, rolt heen en weder,
blaft en keft, en zet het eerst op een loopen, als Pieter hem een
paar kiezelsteenen uit het pad achternagooit.
"Ik kan oe verzekeren, Joacob, dat ik best die'n hond nekken kos,
als juffer Albertine niet zooveul op hem gesteld woar."
't Is stil in den tuin, geen windje beweegt de bladeren, en duidelijk
verstaat Dorus zelfs de vrij zacht gesproken woorden van Jacob,
als hij tot Pieter zegt:
"De juffrouw is net zoo gek op dat mormeldier als die jongen met zijn
bochel op de juffrouw is."
"Wat meen ie, Joacob?"
"Wel, heb je nog niet gemerkt, dat hij dol op onze Albertientje is?"
"Wat zeg ie doar?" vraagt de tuinman verwonderd terug. "Minsch, minsch,
't is toch niet woar? Hie is nog 'n kiend!"
"Heb jij dan nooit gezien, hoe hij haar aankijkt? 'k Wil er een
daalder onder verwedden, dat hij smoorlijk van haar is."
"Zij-de gek, Joacob, zoo'n kwoajongen, kwoalijk zestien joar old;
't om oe eiges 'n bult te lachen. Kom! de juffer is wel een joar of
vief older, geleuf ik."
"Dat zou ook wat. Ik verzeker je, Pieter, dat hij haar aankijkt met
een paar oogen--hmmm!--en juist altijd, als zij niet naar hem kijkt."
"Wel! wel! Harrejennig!"
"Die jongen is niet van haar af te slaan; als hij 't maar eenigszins
kan, is hij bij haar. Hij loopt haar als een hond na en is zoo verliefd
als een groot mensch."
"Nou ge 't zegt, hed-de geliek, dat hê 'k ook gezien, ze bent altied
soamen. Ha! ha! ha! 'k zal mien eigen nog ziek lachen, als ik bedenke,
dat zoo'nen bult zich wat verbeeldt. Moar ie kunt nooit wèten,
meiskes hebben al roare grillen; 't kan best zîn, dat de juffer
angehoald wil wezen deur...."
Meer hoort Dorus niet, want eensklaps treedt hij terug van 't
venster. Bleek, met starende oogen en vast opééngeklemde lippen,
staat hij een oogenblik midden in de kamer stil. De aderen aan zijn
slapen zwellen op en schemeren blauwachtig door de bleeke huid;
eindelijk opent zijn mond zich voor een diepen zucht. Hij grijpt
werktuiglijk naar een stoel en laat er zich op neervallen. Roerloos,
met de armen slap langs het lijf hangend en 't hoofd voorovergebogen,
blijft hij zitten.
Wat ging daar om in dat jeugdige brein?
Hij wist het zelf niet. 't Was alsof een koude, harde hand hem uit een
schoonen droom had wakker geschud; alsof, een ruwe stem hem had doen
ontwaken uit een heerlijken slaap. Zonder zelf te weten welk gevoel
hem bezielde, was hij van het oogenblik, dat hij weder in dokter
Abels' huis kwam, gelukkig geweest in de nabijheid van Albertine,
tot wie hij opzag als tot eene heilige. Zonder zich rekenschap te
kunnen geven van zijne gewaarwordingen, had hij den invloed gevoeld
van haar reine maagdelijke schoonheid, de weldadige uitwerking van
haar zachte manieren en vriendelijke belangstelling op zijn geheele
persoonlijkheid ondervonden.
Onwillekeurig had hij geluisterd naar de innerlijke stem, die zwakker
of sterker zich vroeg of laat doet hooren in ieder hart. Zijn
hartstochten evenwel sluimerden nog; 't was alleen het onbekende
gevoel van sympathie, dat hem onweerstaanbaar tot Albertine had
getrokken. Dat gevoel, uit dankbaarheid en bewondering geboren,
was nog onvermengd en zuiver.
Het denkbeeld van verliefd te zijn, was nooit bij hem opgekomen; hij
had alleen met schroomvalligen eerbied opgezien tot zijn weldoenster
en aan 't woord liefde hij geen oogenblik gedacht. Hij was ook nog
zoo jong.
't Is waar, een goedkeurende blik, een vriendelijk aanmoedigend
woord van Albertine maakte hem onuitsprekelijk gelukkig en zijn oogen
lazen als het ware elken wensch van hare lippen, nog vóór zij dien
uitgesproken had.
Hij wilde slechts bij haar zijn, haar zien en hooren spreken; verder
had hij ook niet gedacht of gewenscht. Zijn gedachten wijlden ook
slechts dan bij haar, wanneer zij in zijne nabijheid was,--en dat
hij haar gezelschap zocht, was geheel natuurlijk. 't Was voornamelijk
door Albertines invloed dat hij al meer en meer beschaafd werd, maar
evenmin als hij zelf het wist, vermoedde het meisje er iets van,
dat zij zoo krachtig medewerkte om Dorus' geestes- en gemoedsleven
te ontwikkelen. Zij van haar kant beschouwde hem met medelijdende
belangstelling en verheugde zich even hartelijk in zijn herstel als
in zijn ontwikkeling.
Het belang, dat haar vader in het lot van den knaap stelde, was de
eenige drijfveer geweest, die haar tot hem had gebracht, maar toch was
er iets in Dorus, wat haar, niettegenstaande zijn mismaakt figuur,
tot hem trok. Waren het de zwaarmoedige bruine oogen, die, als zij
tot haar opzagen, zoo kinderlijk vertrouwelijk blikten? Was het de
innemende trek om den mond, of waren het de parelwitte tanden, die
tusschen de welgevormde lippen schitterden? Misschien! maar zeker was
het de vereeniging van een en ander met het geniale, dat, zonder dat
Dorus zelf het wist, op zijn voorhoofd en in zijn oogen te lezen was.
Er ligt in den blik, in de uitdrukking der oogen van sommige menschen
iets vreemds, onverklaarbaars en wonderlijks, dat aantrekt en sympathie
inboezemt, ook dan zelfs, wanneer de uiterlijke lichaamsvorm in
alle opzichten veel te wenschen overlaat. Soms schijnt het genie
bij voorkeur krachtig en breed zijn stempel te hebben gedrukt op een
gelaat, dat zonder dien afdruk onmogelijk, zelfs niet voor een kort
oogenblik, de aandacht van anderen zou kunnen wekken.
Toen Dorus overwerkt en moede, bleek en koortsig op "Mon Repos" kwam,
had Albertine dadelijk opgemerkt hoe groot de verandering was, die hij
reeds had ondergaan. De ruwe, opvliegende knaap was zacht en gedwee
geworden; zijn taal was die van een fatsoenlijk mensch, en al ontvielen
hem nu en dan nog enkele uitdrukkingen, die aan zijn vroeger beroep
of stand herinnerden, toch zou niemand aan hem gezegd hebben, dat
hij voor nog geen jaar geleden als kermisklant in een tent meereisde.
Enkele malen was Dorus, gedurende zijn verblijf bij Tournel, op
dokter Abels' villa te gast geweest, en elken keer als hij na een
afwezigheid terugkwam, kon men zien welke vorderingen hij in alles
maakte. Er woonde in dat wanschapen lichaam een krachtige geest,
vatbaar voor elken indruk, zoowel ten goede als ten kwade, een
geest, begaafd met een opmerkingsvermogen, zoo volledig en fijn, als
slechts weinigen bezitten, juist en te rechter tijd onderscheidende,
instinctmatig goed en kwaad schiftende, eenvoudig, natuurlijk en waar,
maar gevoelig en prikkelbaar in de hoogste mate. Die prikkelbaarheid,
aan alle artistieke naturen eigen, uitte zich nu eens door een snel
gesproken, scherp en snijdend woord, dan weer door een zenuwachtigen
lach of een traan, die, niet te weerhouden, zijn oog ontsprong. In dat
jeudige gemoed trilde een snaar, die zachtkens bewogen een heerlijken
toon voortbracht, maar een schrille dissonant liet hooren, zoodra
zij ruw werd aangeraakt.
Hoe meer hij werkte, des te meer wilde en kon hij werken; hoe meer de
factoren van zijn geest arbeidden, des te sneller en onvermoeider
spanden zij zich in om alles in zich op te nemen, wat nieuw en
belangrijk was.
Dorus' lichaam evenwel leed er onder. In zijn vollen groei--hij
was langer en magerder geworden--stond de werkzaamheid van geest
en lichaam niet in goede evenredigheid, en daarom was het juist te
rechter tijd, dat dokter Abels hem noodzaakte eenige rust te nemen,
door hem een kamer in zijn villa af te staan en hem het "dolce far
niente" te leeren. Rust, naar lichaam en geest, was alles wat hij
behoefde; hij vond beide op "Mon Repos".
't Was zoo heerlijk kalm daarbuiten en de menschen waren er zoo
vriendelijk. Dokter Abels was voor hem zoo vaderlijk goed en zorgend,
Albertine zoo schoon en lief; en toch was Dorus niet volmaakt gelukkig:
iets ontbrak hem,--zijn viool!
"Drie weken lang mag je geen streek doen," had de dokter
bevolen. "Maar, dokter," zei Dorus, "dat zal ik niet uithouden."
"Zou je denken? Probeer 't maar. Alles kan, als 't moet, als men
't ernstig wil."
"Dat zal hem in de techniek achteruitzetten", bromde Tournel.
Onverbiddelijk bleef de medicus bij zijn besluit. "Muziek hooren moog
je, zooveel als je wilt. Albertine zal je alle dagen wat voorspelen,
maar zelf muziek maken, niet. Zoodra je wat aangesterkt zult zijn,
zal ik je viool weer uit den ban doen.--Leeren moog je ook niet."
"Maar, dokter, wat mag ik dan ?"
"Wandelen, lucht happen, naar de wolken, de bloemen, de vogels kijken,
desnoods in den moestuin werken."
"En lezen, dokter?"
"Hm! van tijd tot tijd, maar alleen wat ik je geef."
"Als ik dat maar uithouden kan; ik word juist ziek, als ik niet spelen
mag. Och toe, dokter, laat mij..."
"Stil! ik weet beter wat nuttig en noodig voor je is."
Dorus boog het hoofd en zweeg.
Hij dacht, dat hij 't nooit zou kunnen volhouden; maar de veranderde
omgeving, de zon, de bloemen, de tuin, de gezellige toon in dokter
Albels' huis deden het hunne er toe om de drie weken, die op raad
van den geneesheer verdubbeld waren, te doen voorbijgaan, voordat
hij het eigenlijk wist.
Tournel en Augusta waren herhaaldelijk op "Mon Repos" geweest, juffrouw
Barbara een paar malen, en allen waren het eens, dat de jongen er veel
beter en gezonder uitzag, minder zenuwachtig en prikkelbaar was. Tot
aller verwondering was Dorus zelfs niet boos geworden, toen juffrouw
Barbara, zonder hem evenwel te willen kwetsen, onnadenkend vroeg:
"Vind je 't hier niet vrij wat plezieriger dan in zoo'n kermistent?"
Slechts eenmaal was Dorus weer zenuwachtig en gejaagd geweest,
namelijk op een avond dat Augusta met Albertine zong.
De twee frissche meisjesstemmen klonken harmonisch en liefelijk
in 't eenvoudig schoone duët: _Ich wollt' meine Liebe ergösse
sich_. Eensklaps was Dorus de kamer uitgesneld en in den tuin in
snikken uitgebarsten. Juffrouw Barbara, die hem was nageloopen, had
hem met het hoofd voorover op de tafel in 't prieel vinden liggen en
gezegd: "Ben je gek, Dorus, ga je nu grienen; foei, dat is laf voor
zoo'n grooten jongen!"--en hij had haar toegevoegd: "Jij hebt geen
hart in 't lijf, ouwe heks!" Maar toen hij, een kwartier daarna,
haar wederzag, had hij haar hand gegrepen, die gedrukt en gevraagd:
"Ben je nog boos, juffrouw Barbara?"
"Ja, kwaje jongen!"
"Kom! word maar weer goed. 'k Heb er spijt van, dat ik 't gezegd heb;
ik meen het niet zoo kwaad; ik kon 't alleen maar niet velen, omdat
ik die muziek had gehoord; ze was mij in mijn ziel gegaan, en toen
u dat zei, was 't mij net alsof er iets in mijn binnenste brak."
"Rare jongen, je moest liever geen muzikant worden, als je zoo'n
kruidje-roer-mij-niet bent."
"'t Zal wel beter met mij worden, als u maar dikwijls een schietgebedje
voor mij doet." Dorus trok een vroom gezicht.
"Als je spot, worden we weer kwade vrienden; pas op!"
"Zijn we dan nu weer goede vrienden?" en hij keek haar vleiend lachend,
maar toch ietwat ironisch aan.
"Ja, kwaje jongen!"
"'t Is een wonderlijke jongen," zei 's avonds onder het naar huis gaan
juffrouw Barbara tot Tournel; "je kunt niet kwaad op hem blijven. Als
hij je zoo aankijkt, is hij in 't geheel niet leelijk; je vergeet,
dat hij een bochel heeft, en ik zou hem heusch een zoen hebben
kunnen geven."
"Daar zou je hem zeker erg veel pleizier mee hebben gedaan,"
antwoordde Tournel, terwijl hij zijn wenkbrauwen vertrok en de
onderlip vooruitstak.
"Akeligheid!" bromde de matrone en zei geen woord meer, totdat ze
thuis waren.
Nog zat Dorus in gepeins verzonken in de kamer en keek doelloos voor
zich uit: de woorden van Jacob en de schampere lach van Pieter den
tuinman klonken hem nog in de ooren.
Verliefd? Was dat dan liefde, wat hij voor Albertine gevoelde? Hij
wist het niet. Een gloeiende blos overtoog zijn gelaat, terwijl hij
er over dacht, dat anderen zijn voorkeur voor de dochter van zijn
beschermer hadden opgemerkt, en hij had een gevoel, als zou hij haar
niet meer onder de oogen durven komen. Als Albertine het ook eens had
gedacht en hem innerlijk uitlachte, evenals de tuinman deed!--Neen,
dat kon toch niet! Zij was immers altijd zoo vriendelijk en lief,
zij was vroolijk, opgeruimd en lachte, maar niet om hem, neen,
neen!... Foei, wat een akelig gevoel hadden hem die spottende woorden
bezorgd. Tot nog toe was hij zoo vrij en onbevangen mogelijk geweest in
Albertines nabijheid. Het scheen hem nu toe, alsof hij haar niet meer
zonder te kleuren in het gelaat zou durven zien; alsof haar oogen,
als zij op hem rustten, hem zouden zeggen... Ja, wat zouden zij hem
eigenlijk zeggen? Hij wist het niet, hij gevoelde alleen maar, dat
zijn onbevangenheid voorgoed weg was. In een oogwenk vloog hem al het
bloed naar 't hoofd; hij beefde van drift. Die lompe tuinman! de oude
wijsneuzige Jacob, hij zou ze wel inpeperen, dacht hij. Onwillekeurig
stond hij op, om te zien of zij nog in den tuin stonden. In zijn
oog flikkerde de oude toornige vonk, toen hij Pieter ontdekte, die
doodbedaard de tuinpaden opharkte en een deuntje floot. Werktuigelijk
greep hij naar een looden presse-papier, die naast het raam op eene
étagère stond, maar zijn hand bereikte het voorwerp niet;--hij hoorde
Albertines stem, die den tuinman toeriep:
"Pieter, doe eens gauw het tuinhek open! Gauw! daar is neef Otto!"
De tuinman liep haastig heen. Een paar seconden later zag hij een
jongmensch door den tuin komen en met veerkrachtigen vluggen tred
naar het huis snellen.
Albertine vloog hem te gemoet, halverwege den tuin, reikte hem haar
beide handen, stond even stil en wandelde toen, arm in arm, met den
nieuwaangekomene naar de veranda. Dorus merkte op, hoe gelukkig zij
er uitzag, hoe haar gelaat straalde, terwijl zij naar hem opkeek. Zij
hield vertrouwelijk haar arm in den zijnen en vouwde de handen over
zijn arm samen. Hij keek haar aan met een paar glanzende oogen en
fluisterde haar iets in 't oor. Zij lachte hem toe.--Wat ze spraken,
kon hij niet hooren, maar hij zag, hoe hij haar onder 't wandelen
een kus gaf op de frissche roode lippen, die zij hem lachend bood.
De tuinman keek het paartje uit de verte na en hield de hand boven
de oogen, om 't zonlicht af te weren. Jacob kwam juist uit het
koetshuis en vertrok zijn breeden mond tot een lach, terwijl hij den
tuinman toewenkte en met den duim over zijn schouder heen, op de twee
jongelieden wees.
Dat alles zag Dorus, terwijl hij voor het raam stond en hij mompelde
in zichzelf: "Wat een knap man, wat een mooi gezicht, wat een flinke
houding; hoe innig keek hij haar aan, en hoe gelukkig zag zij er
uit. Wat zullen die twee elkaar liefhebben!"
't Was hem plotseling duidelijk geworden, dat Albertine haar neef
Otto liefhad. Hij zag het, neen, hij gevoelde het, hoe of waardoor,
dat begreep hijzelf niet, maar hij was er zeker van en.... hij was er
niet ongelukkig door, hij leed er niet door, integendeel het deed hem
goed te weten, dat zij, die hij vereerde, nu niet langer zou kunnen
blootstaan aan de ruwe of spottende opmerkingen van anderen. Hij
gevoelde als het ware een soort van verlichting en toch.... hij wou
liever, dat Otto niet gekomen was.... Zonderlinge tegenstrijdigheid
in zijn binnenste, waarvan hij niets begreep, dan dat zij bestond.
Toen hij 's middags beneden in de kamer kwam tegen 't etensuur,
zaten neef Otto en Albertine vertrouwelijk pratend op de canapé en
dokter Abels in een leunstoel bij hen.
Otto had zijn rechterhand op Albertines schouder geslagen en hield
met de andere hand de hare vast.
Een oogenblik bleef Dorus in de geopende deur staan. "Daar heb je
nu Dorus, onzen logé," zei vroolijk dokter Abels, hem ziende, tot
neef Otto. "Kom eens hier, vriendlief, en maak je compliment aan de
jongelui. 't Is vandaag een feestdag, want mijn dochter heeft zich
geëngageerd met haar neef Otto Van Vliet."
Dorus zweeg en boog even het hoofd.
Otto stond op en reikte hem de hand, terwijl hij vroeg: "Ben je weer
beter? Ik hoorde van Albertine, dat je lang ongesteld waart."
"O ja! meneer," stotterde Dorus, en eensklaps zich tot Albertine
wendend, zei hij, met een lichten blos op de wangen: "Juffrouw, ik
hoop, dat u gelukkig wordt, heel erg gelukkig;" en toen Albertine hem
de hand toestak, drukte hij die zoo hartelijk, dat zij een kleinen
kreet van pijn niet onderdrukken kon.
"En wat zeg je daar nu wel van, Dorus?" vroeg dokter Abels,
achteroverleunend in zijn stoel en met welgevallen het tweetal vóór
hem beschouwend. "Vind je dat niet aardig om zoo'n jong paartje te
zien, he? Misschien kom ik ook nog eens bij jou feliciteeren, als
jij de bruigom bent. Je ziet vandaag weer wat bleeker dan anders;
voel je je niet wel? 'n Beetje geïrriteerd? Heb je hoofdpijn?"
"Neen, dokter."
"Dus je voelt je goed, evenals gisteren, normaal? Niet zoo zenuwachtig
meer?"
"Neen, meneer!"
"Best, dan zal 't voor jou vandaag ook een feestdag zijn."
Vragend vestigden zich de groote bruine oogen op des dokters gelaat.
"Je moogt vandaag weer eens spelen, phantaseeren zelfs, ter eere van
mijn aanstaanden schoonzoon. Otto, je zult pleizier in mijn jongen
hofmusicus hebben," lachte dokter Abels.
"'k Ben er zeer verlangend naar; 'k heb er al zooveel van gehoord
door Albertine."
"Altijd weer Albertine," dacht Dorus, terwijl hij, den dokter
aanziende, zei: "Maar mijn viool is niet hier."
"Dat's minder, Dorus; je zult toch kunnen spelen."
"Hoe dan, mijnheer?"
"Op mijn viool; ze is in orde gebracht, en..." hij lachte erg
vriendelijk, "je moogt haar behouden ook. 't Is een echte Cremona;
ik geef ze je als aandenken aan dezen dag... den verlovingsdag van
mijn kind, dat ik zoo graag gelukkig zie."
"Lieve, beste papa!" zeide Albertine.
"Och! dat had je goede moeder nog moeten beleven."
De viool van dokter Abels was een prachtig instrument, en toen Dorus
's avonds, na langen tijd zijn vriendin te hebben ontbeerd, haar in
de armen hield en de snaren geheimzinnig fluisterend tot hem spraken,
speelde hij, phantaseerde hij en liefkoosde hij zijn instrument als
een minnaar zijne geliefde. Hij was naar zijn kamer gegaan, hij wilde
alleen zijn; er lag egoïsme in dien wensch, maar ook poëzie.
Hoe zong die viool, hoe heerlijk golfde de toon uit de bruine, schoone
Cremona. Alles vergat hij om zich heen. 't Was hem alsof hij droomde,
droomde van zijn idealen, idealen, die hij nog niet anders dan in
onbestemde vormen kende; en toen hij eindelijk den strijkstok neerlei,
hoorde hij onder zich in den tuin Otto's stem, die verrukt uitriep:
"Dat is heerlijk, verrukkelijk! Ik gaf er alles om, als ik zoo kon
spelen."
"Mij ook?" vroeg Albertine lachend.
"Neen, jou niet, liefste, jou niet!"
Een paar dagen later vertrok Dorus weder naar Tournels woning, en de
oude muziekmeester zag met vreugd zijn leerling terugkeeren.
Augusta toonde hem een vroolijk gelaat en drukte hem hartelijk de hand,
maar juffrouw Barbara zei:
"Nu begint het spektakel weer; maar als hij 't me te bont maakt,
dan moet hij de deur uit."
"Dat heb je al zoo dikwijls gezegd, Barbara," riep Tournel lachend,
"dat we best weten, hoe je 't meent."
De nieuwe viool was een welkome gast. Tournel werd niet moede den lof
er van te bezingen. "Jongens, jongens! Dorus, je bent zeker onder een
gelukkig gesternte geboren. Een viool met dien toon is alles voor je
waard. 't Is een lot uit de loterij."
Opnieuw begon Dorus nu te leeren en te werken. Het verblijf en de rust
op "Mon Repos" hadden hem goedgedaan; met kracht zette hij zijn studiën
voort, en toen nogmaals een jaar verstreken was, zei de heer Tournel:
"Beste jongen, nu is het tijd, dat je naar het conservatoire gaat;
ik zal er met dokter Abels over spreken."
't Was voor Dorus een groot geluk, dat de dokter nooit iets ten halve
deed en rijk genoeg was om wat hij wilde geheel en ten volle te kunnen
doen. Daardoor werd het hem mogelijk gemaakt op het conservatoire te
Brussel een plaats te vinden.
Tournel zelf bracht hem er heen, en toen zij te zamen vertrokken waren,
schreide Augusta, en juffrouw Barbara zei:
"Huil je, omdat die kromme krates weg is, malle meid?--Ja? Mocht je
hem zoo graag lijden?--En hij plaagde je zoo dikwijls.--O, zoo! vond
je dat wel aardig?--Nu, huil maar niet meer: hij komt terug.--Ja,
't was wel een driftkop, maar toch een erg goedige jongen, en 't
spijt mij ook, dat hij gaat: ik begon nu juist aan hem te wennen."