"Vier ton!" Onophoudelijk herhaalde Strijkman die twee woorden in
zichzelf, toen hij, weer te huis gekomen, in zijn achterkamertje zat.
"Krates! met vier ton!" altijd door klonken hem die woorden in de
ooren. Hij dacht er dag en nacht over na, hoe hij destijds zoo dom had
kunnen zijn den jongen niet bij zich in huis te nemen, en stelde zich
levendig voor, hoe alles zou gegaan zijn, als hij het wel had gedaan.
"Je bent een ezel geweest," zij hij tot zichzelf; "had je toenmaals
dien Dorus bij je in huis genomen, dan was 't zoo klaar als een klontje
geweest, dat je een goede portie van die vier ton hadt ingepalmd. Ik
zou wel gezorgd hebben, dat ik voogd over dien jongen geworden was,
en dan..."
Strijkman dacht over het _hoe_ niet na; hij was bij al zijn
geslepenheid en geldzucht toch een weinig ontwikkeld man, verblind
door zijn begeerigheid en dom genoeg om geen rekening te houden
met de maatschappelijke verhoudingen en wettelijke bepalingen. 't
Scheen hem genoeg te weten, dat Dorus een rijke erfgenaam was en
minderjarig. Zooveel wist hij van het Burgerlijk Wetboek wel af, dat
elke minderjarige een voogd moet hebben; en naar zijne meening had hij,
indien hij de verpleger van den knaap was geworden, op de voogdijschap
het meest onbetwistbare recht gehad. Niet de minste twijfel kwam bij
hem op, dat de kantonrechter in dit geval met hem wel eens van meening
had kunnen verschillen. Hij geloofde, dat, als Dorus er maar was, de
erfenis zoo al niet dadelijk geheel, dan toch voor een groot gedeelte
onder zijn beheer zou komen; en daarom bleef het hem een voortdurende
kwelling, dat hij indertijd juffrouw Ram's raad niet had opgevolgd en
"Krates" had opgenomen.--Waar zou hij zijn? Zou hij nog leven? Die
twee vragen hielden hem voortdurend bezig. Hij had zich vroeger nooit
om den jongen of diens lot bekommerd of er over nagedacht. Nu evenwel
was de knaap hem geen oogenblik uit de gedachten.
Dorus was na den dag, waarop zijn vader stierf, niet weer in de
Egelantiersdwarsstraat of daaromtrent gezien. Niemand had ooit
meer naar hem gevraagd. Men was hem vergeten, gelijk zooveel andere
ongelukkigen vóór hem. 't Was tien tegen een, dat hij ooit weer te
voorschijn kwam; er sterven gewoonlijk zooveel kinderen tusschen
de 10 en 12 jaren; waarom zou Dorus ook niet... Hij kon immers
in 't water zijn geloopen, overreden of gestorven zijn van gebrek
en... 't Warrelde in Strijkmans brein, wanneer hij al die mogelijkheden
overdacht. Langzaam aan maakte hij zichzelven wijs, dat het niet anders
mogelijk kon zijn, en eindelijk stond het bij hem vast: Dorus was dood!
"Zóóveel geld!" steunde hij, "en geen cent zal ik er van
zien. Ach! ach! wat een jammer! 'k Zou Dorusje op mijn handen hebben
gedragen, als ik zijn voogd was geworden."
't Werd bij Strijkman een zeker soort van manie om er over te tobben;
hij dacht over niets anders meer; hij treurde bepaald over het verlies
van den kleinen bochel.
Nog een paar malen was hij bij den procureur Verhagen geweest, om
nadere inlichtingen in te winnen omtrent de erfenis en te vernemen,
of de oproepingen in de dagbladen ook gevolg hadden gehad, maar
ongetroost was hij weer thuis gekomen, want.... Verhagen was zoo
dicht als een pot en Dorus was en bleef verdwenen. 't Eenige wat hij
van den rechtsgeleerde herhaaldelijk had vernomen, waren de woorden:
"Wij kunnen niets zeggen of doen, vóórdat de jongen zelf gevonden is."
Ruim een half jaar is voorbijgegaan; 't is zomer geweest, en de herfst
is gekomen met zijn onvermijdelijk gevolg van wind en regen. Kil
klettert de regen tegen de beslagen ruiten van het oude vervelooze
huis in de Egelantiersdwarsstraat; 't is guur en winderig buiten,
somber en ongezellig daarbinnen. De pandjeshuishouder zit op zijn hooge
kantoorkruk aan zijn lessenaar, met eenige kleine pandjes en een hoop
briefjes van in- en verkoop vóór zich, als een havik bij zijn prooi.
Terwijl hij daar zoo met alle aandacht de pas ontvangen zaken nog eens
beziet, komt een vrouw met een jongen den winkel binnen en blijft voor
de lage balie staan. Het licht der lamp, die op den lessenaar staat,
wordt gedeeltelijk door het groene gazen scherm onderschept en werpt
een schaduw op de binnengetredene en den naast haar staanden knaap.
Strijkman is zoo verdiept in het beschouwen der voorwerpen, dat hij
niet oogenblikkelijk bemerkt, dat er iemand in den winkel is gekomen en
eerst door een met gedempte stem geuit "goeden avond" opmerkzaam wordt.
"Wat wil u?" vraagt hij, even opziende.
"'k Wou vier gulden hebben op een doekspeld."
"Zoo! Ik zal je helpen.--Hm! vier gulden? Dan moet 't al een mooie
speld zijn." Hij neemt de lamp, draait de pit ietwat op en plaatst
haar op het tafeltje naast zijn lessenaar met de woorden:
"Laat 'k nu eens kijken!"
Als het licht op de vrouw en den jongen valt, deinst Strijkman
onwillekeurig terug; zijn oogen worden onnatuurlijk groot en vestigen
zich op den knaap, die hem onnoozel aanziet.
"Krates!" zegt Strijkman vrij luid, terwijl hij de lamp grijpt en
omhooghoudt, om den jongen beter te kunnen zien.
"Je hoeft mijn jongen niet uit te schelden, hoor! 't Kind doet je
immers niets," bromt de vrouw en ontevreden laat zij er op volgen:
"Ouwe kerel, je moest je schamen; dank God, dat jij geen bochel hebt."
De pandjesbaas herstelt zich en antwoordt: "Word maar niet boos,
juffrouw; ik schrikte van den jongen, omdat..." Hij voleindigt niet;
want met de snelheid des lichts schiet hem nogmaals de gedachte door
het hoofd: "Die jongen lijkt als twee druppels water op Krates."
"Kom! 'k heb geen uren den tijd; wil je nou 't speldje zien of niet?"
"Dadelijk, juffrouw!"
De oude man is van zijn verbazing eenigermate bekomen en neemt
werktuigelijk het aangeboden voorwerp in de hand, beschouwt het
opmerkzaam bij het lamplicht en vraagt: "Vier gulden, zei uwé?" Zijn
oogen vestigen zich, terwijl hij spreekt, voortdurend op den jongen.
"Kun je vijf geven, des te beter!"
"Vijf? 'k Zou je danken; geen rijksdaalder."
"Geef dan maar weer hier; 't is een mooie doekspeld met een echt
steentje."
"Hm! hm! echt, dat is nog de vraag." De pandjesbaas laat het kleine
juweeltje, dat in den doekspeld gevat is, in het licht fonkelen,
brengt het aan de punt van zijn tong, wrijft er mede over zijn mouw,
neemt een loep en bekijkt het nog eens aandachtig. "Hm! 't kon toch wel
een echt steentje wezen." Zijn gedachten verdeelen zich weer tusschen
het speldje en den jongen. "'t Is ordinair goud.--Is dat je zoontje?"
"Ja! en wat zou dat?"
"'n Aardige jongen. Hoe oud?"
"Zestien jaar.--Hoe is 't, geef je nou vijf gulden?"
"Vijf gulden? 't Is te veel, moeder, ik kan 't niet doen.--Hoe
heet hij?"
"Kobus! Maar wat gaat dat jou eigenlijk aan?"
"Och! 'k vraag 't maar zoo, juffrouw; ik houd zooveel van jongelui,
weet u. 'k Zal je drie gulden vijftig geven, geen cent meer."
"Leg toch niet te zeuren, baas: 'k moet vier gulden hebben op een
maand terugkoop."
"'t Kan niet! Ik geef al veel te veel, waarachtig!"
"Geef dan mijn speldje maar weerom, dan verpas ik het; ik kan bij
den goudsmid elk oogenblik acht gulden krijgen."
"Gaan we nou haast heen, moeder?" vraagt de knaap, die tot nog
toe gezwegen heeft, op zoo doffen, onnoozelen toon, dat Strijkman
onwillekeurig den jongen scherp aanziet en aan de vrouw vraagt:
"Is die jongen doof?"
"Doof? Nou, niet zoo'n klein beetje.--Hoe is 't, moet ik nog langer
wachten? Je bent erg taai van avond."
"In Gods naam dan, daar heb je vier gulden op een maand, met terugkoop
voor vier-gulden-vijftig;--'k zal even het briefje schrijven."
Terwijl hij aan het lessenaartje het bewijs van recht tot wederinkoop
schrijft, vraagt de oude man: "Hoe heet je?"
"Weduwe Juttner, Goudsbloemdwarsstraat, boven 't water- en vuurhuis."
"Zoo, ben je weduwe?"
"Al zeven jaar.--Maak toch voort."
"Is dat je eenigst kind?"
"Ja! Kristenenzielen, wat ben jij nieuwsgierig," antwoordt de vrouw
op onwilligen toon.
"Kom! kom! word nu niet knorrig, juffrouw! Ik vraag het maar alleen,
omdat ik een jongen gekend heb, die sprekend op je zoontje geleek;
de stakker had ook zoo'n bochel. 't Arme kind is weggeloopen..."
"'t Is wat te zeggen om zoo'n zoontje te hebben," bromt de vrouw
met een ontevreden blik op den knaap, die vadsig met de handen onder
de kin op de balie leunt. "Hij is van zijn tweede jaar af zoo krom
gegroeid,--er was niets aan te doen,--en hij is er onnoozel bij;
verstand zit er niet in. Ach God, 't is zoo'n stumperd, niet waar
Kobus? Hij weet kwalijk, hoe hij heet."
Die laatste woorden vóóral treffen Strijkman. In één minuut rijpt in
zijn ziel een plan en bijna ontsnapt hem een kreet van blijdschap,
als hij antwoordt: "Och, is hij onnoozel; dat is jammer!"
"'t Is een bezoeking! Wat moet je met zoo'n wurm beginnen? Hij deugt
nergens voor. Je zoudt zoo zeggen, 't is een doodeter. Och, voor een
ander is hij niets, niemendal, maar voor mij is hij erg aanhalig,
dat is waar, hoor.
--Heb je nu mijn briefje?"
"Ziedaar, juffrouw."
"Goeien avond.--Zeg goeien avond, Kobus."
De knaap hoort het niet en verlaat met zijn moeder Strijkmans winkel.
Dien nacht kon de oude pandjesbaas weer geen oog dichtdoen; onrustig
woelde hij in zijn bedstede heen en weer, een paar malen zelfs
stond hij op om water te drinken, want zijn tong was droog en een
zenuwachtige aandoening deed zijn verhemelte branden.
't Was immers als twee druppels water Dorus. De jongen van vrouw
Juttner had juist zoo'n bochel, ongeveer hetzelfde rosachtig-blonde
haar.... En zestien jaren! de ouderdom zelfs kwam uit,--en dan
onnoozel en doof er bij. "'t Kan niet mooier," dacht Strijkman,
terwijl hij rechtop in zijn bed met de hand onder het hoofd zat te
soezen... 't Warrelde in zijn brein; hij overlegde: "Die vrouw schijnt
wel handelbaar te zijn. "Sakkerloot! wat een bestiering, dat die
jongen juist hier moest komen; de echte "krates" is dood;--natuurlijk
is hij dood, anders was hij toch wel door de oproeping in de kranten
te voorschijn gekomen. We kunnen niets doen, voordat de jongen zelf
gevonden is, heeft de procureur gezegd. Wel, 't kan niet mooier:
de jongen _is_ gevonden. Kobus heet hij, doof is hij, Dorus-Kobus,
Kobus-Dorus, 't heeft allemachtig veel van mekaar, hij zal evengoed
op den roep "Dorus!" luisteren. Hè, hè, hè! oude Philip, dat is een
buitenkansje. Met de papieren van den "krates" maken we van Kobus
Juttner--Dorus Makko... Hè, hè, hè, hè! Dan worden we voogd en dan
krijgen we geld, hè, hè, hè, hè!" Hij grinnikte van pleizier en sloeg
met beide handen op zijn deken.
Eindelijk sliep Strijkman met het hoofd vol plannen in, en toen hij
den volgenden morgen ontwaakte, meende hij nog, dat hij droomde,
als hij aan het gebeurde van den vorigen avond dacht.
Gedurende een paar dagen overlegde de oude vrek, wat hij doen zou,
en toen zijn plan geheel tot rijpheid was gekomen, zocht hij vrouw
Juttner op.
De weduwe, wier zoontje Strijkmans gedachten zoozéér vervulde, was
een vrouw van min of meer verdachte reputatie. Vroeger te Rotterdam
gehuwd met een sjouwerman, was zij, na diens dood, gedurende eenige
jaren in verschillende gezinnen als schoonmaakster werkzaam geweest,
evenwel zonder ooit ergens lang of vast te blijven.
Hoogstwaarschijnlijk was dit te wijten aan haar weinig ontwikkeld
begrip van het mijn en dijn. Een en ander had haar genoopt Rotterdam te
verlaten en sedert eenige maanden woonde zij in de hoofdstad. Waarvan
zij nu eigenlijk leefde, wist niemand; bedelen deed zij niet,
ofschoon zij, zooals een van haar vroegere buurvrouwen aanmerkte:
"een gezegend kind had, om bliefje-wat-te-geven mee te spelen."
"Met zoo'n kind is je kost gekocht," hadden de bedelaars van beroep,
die in haar straat woonden, dikwijls met een soort van naijver gezegd,
als zij den jongen zagen; maar ofschoon zij slim en sluw genoeg was
om deze aanduiding te begrijpen, was zij er tot nog toe niet toe
overgegaan om haar Kobus tot broodwinning te gebruiken. Misschien
was er in haar ziel, hoe bedorven ook, nog een sprankje gevoel van
eigenwaarde overgebleven; wellicht was het ook alleen de band van
moeder tot kind, die nog niet rekbaar genoeg was geworden om haar te
doen besluiten den ongelukkige te exploiteeren.
Er trilt in elke ziel, hoe laag de snaren daarvan ook gestemd mogen
zijn, altijd nog een enkele, die schooner toon voortbrengen kan,
als zij te rechter tijd bewogen wordt.
't Was een ellendig klein vertrekje, met een bedstede aan het eene
eind en een schoorsteen met een vuurpot er onder aan den anderen
kant. Een oude kist, een gebroken tafel en een paar manke stoelen
maakten met eenig ander huisraad op den bezoeker den indruk, dat
verval, slordigheid en verwaarloozing hier woonden.
Vrouw Juttner zat, bij een eindje kaars, het buisje van haar zoon
Kobus te verstellen, toen de pandjesbaas binnentrad.
Zij schrikte, toen zij hem zag, en voordat hij iets gezegd had,
stond zij op en vroeg met eenigen angst in haar stem:
"Is er wat met het speldje?"
Ieder ander, minder gejaagd en zenuwachtig dan Strijkman op dit
oogenblik was, zou onwillekeurig door dat gezegde op de gedachte
gekomen zijn, dat vrouw Juttner reden had om de wijze, waarop zij aan
het speldje gekomen was, geheim te houden. De oude man was nu echter
te zeer vervuld met zijn plan, dan dat hij door den uitroep der weduwe
achterdocht kreeg, en antwoordde haastig: "Neen! neen! maar ik moet
je eens spreken, juffrouw. Zijn we hier alleen?"
"Kobus ligt in de bedstee en slaapt."
"Hm! en als hij eens wakker werd?"
"Dan hoort de stumperd nog niets."
"Zoo!--En de buren kunnen die niets verstaan, of...?"
"Als je zoetjes spreekt, niet. Maar, baas, wat wil je eigenlijk? Ik
heb het speldje nog van mijn overleden man, en dus..."
"Ik praat niet van dat lor," antwoordde Strijkman gejaagd, terwijl
hij den minst gebrekkigen stoel nam en tegenover de vrouw aan tafel
ging zitten. "Ik heb wat voor jou te verdienen!"
"Zoo! Nou dat zal wat wezen! Jij bent de rechte er voor. Ja, je kijkt
naar die flesch, hé? Er is een drupje in geweest. Ik heb last van
kramp op de maag, begrijp je? 't Zal wat moois wezen, wat je hebt."
"Dat zal je meevallen, juffrouw. Wat zou je zeggen, als ik je vertelde,
dat je voor je heele leven bezorgd kunt zijn?"
"Hè?"
"Kun jij je mond houden?"
"Als 't moet, ja; anders niet te best..."
Strijkman dacht een oogenblik na, voor hij verder sprak; het denkbeeld
kwam bij hem op: "Gesteld eens, dat vrouw Juttner niet wil, dan
weet zij...."
"Nou, waar prakkezeer je over? Vertrouw je me niet?'"
"Jawel, maar...."
"Als 't zoo mooi is wat je te zeggen hebt, hou dan je mond maar; 'k wil
mijn vingers niet branden, versta je. 'k Verdien graag geld, maar...."
"Wat zou je zeggen, juffrouw, als ik jou jongen, Kobus, eens een
groote erfenis bezorgde; misschien wel zooveel, dat hij al zijn leven
geborgen was, en jij er bij...?"
"Ben je gek, baas Strijkman? Hoe zou jij..."
"Jij weet nog niet wat ik kan," grinnikte de oude, terwijl hij zijn
magere knokkels wreef.
"Praatjes maken, dat kun je!"
"Hè, hè, hè, hè!.... Kijk me maar niet zoo gluiperig aan; ik loop er
zoo gemakkelijk niet in; uithooren laat ik mij niet, en als ik niets
zeggen _wil_...."
"Hou je je mond, dat begrijp ik wel. Hoor eens baas, ik ken je nog
maar pas; maar ik heb genoeg van je gehoord, om te weten, dat jij
niets doet, of je moet er aan verdienen."
"Hè, hè, hè! dacht je, dat ik niet royaal kon zijn?"
"Kom, zeur nou maar niet: jou royaligheid en de duivel z'n
barmhartigheid is van één soort; kom nou maar in eens voor den dag
met wat je wilt. Wat moet je met Kobus?"
"Hij is onnoozel, hé?"
"Ongelukkig, ja!"
"Zou hij--hm! zou hij zijn naam kunnen vergeten...?"
"Wat bazel je toch?"
"Ik heb het in mijn hand juffrouw, om te maken, dat Kobus een rijke
jongen wordt, en...."
Een oogenblik tintelde een vonk van vreugde in het gelaat der vrouw
en richtte zij haar blik op de bedstede, waar de gebrekkige knaap
sliep; in het volgende zag zij Strijkman wantrouwend aan, terwijl
zij fluisterend zei:
"Daar spin jij toch het meeste zij bij, ouwe duitendief!"
"Natuurlijk, ik wil er ook wat aan verdienen."
"En zeker alles en nog wat.... Wou jij mijn armen wurm gebruiken
om jou rijk te maken, en hem dan misschien later met een kluitje in
't riet sturen? Ik dank je; ik moet er niets van hebben."
"Wees niet gek, mensch; wij zijn alle drie uit den brand, als jij
goochem bent en meedoet...."
"Nou, spreek dan ronduit: wat wil je?"
Nog een oogenblik aarzelde de oude man, voor hij er toe overging
zijn plannen aan de weduwe te vertellen, maar toch behaalde zijn
begeerigheid de overwinning en vertelde hij haar de geschiedenis van
Dorus Makko en de Amerikaansche erfenis, evenwel voorzichtigheidshalve
verzwijgend welke papieren hij in handen had.
Vrouw Juttner's oogen schitterden, terwijl Strijkman vertelde, en
toen hij geëindigd had, stak zij hem over de tafel de hand toe en zei:
"Sla toe, ouwe slimmerd, ik doe mee; maar als er wat van komt, zorg
je dat ik vrijloop, en Kobus ook."
"Wat zou er van komen?"
"Je kunt niet weten: als 't gesnapt wordt, dat wij--jij," verbeterde
zij snel,--"den jongen, mijn Kobus, ondergeschoven hebt, zit er
misschien wat op; en daar zou ik voor passen...."
"Als jij zorgt, dat hij gelooft dat hij Dorus heet, en als hij zelf
zijn mond maar dicht houdt, is er geen kwaad bij."
"Dat's gemakkelijk genoeg: de stumperd ziet bijna nooit wat."
"Des te beter.--Hm! 't zou ook niet kwaad zijn, als je verhuisde;
om de buren, weet je!"
"Misschien."
"Ergens naar toe, waar niemand je kent."
"Dat kost geld...."
"Dan moet je hem wennen aan den naam van Dorus. Kan hij lezen of
schrijven?"
"Wel neen, hij is nooit op school geweest."
"Zoo! dat is goed,--hè hè hè! heel goed." Strijkman wreef zich in
de handen.
"Dan moet hij er verder wat knapper uitzien...."
"Mooie dingen: waar haal ik 't geld er voor vandaan ?"
"Ja, hm, dat's lastig...."
"Niets lastig: jij hebt geld genoeg. Geef me een gulden of twintig
op hand, dan steek ik hem wat beter in zijn plunje, en...."
"Ho! ho! 't geld groeit me niet op den rug."
"En ik heb het niet. Zeg! er is nog een druppeltje in de flesch,
't is lavas.... Wil je ?
"'k Dank je.--Hm! dus ik zou moeten beginnen met een twintig guldens
te wagen."
"Die niet waagt, die niet wint."
"Je hebt gelijk, het kan niet anders, maar het is veel geld.--Och! God,
zooveel geld."
Zuchtend besloot de pandjesbaas zich deze opoffering te getroosten en
haalde uit zijn vest een zeemlederen zakje te voorschijn, waaruit hij
zes rijksdaalders en vijf guldens nam en die aan de weduwe overreikte
met de woorden:
"Daar dan, maar wees er in Gods naam zuinig mee."
Tot laat in den nacht zat het tweetal bijeen en besprak de wijze,
waarop zij zouden samenwerken om Kobus Juttner voor Dorus Makko te
doen doorgaan.
Zelden was een paar meer aan elkander gewaagd dan dit. Vrouw Juttner
dacht kalmer na dan Strijkman en menigmaal gedurende hun gesprek
toonde zij, dat ze voor hem niet onderdeed in sluwheid.
Ze werden 't spoedig eens, hoe zij het zouden aanleggen om aan de
fabel, die zij samen bedachten, allen schijn van waarheid te geven. De
slotsom hunner overleggingen kwam hierop neer, dat Strijkman eerst
alleen en dan met de weduwe en den knaap den procureur Verhagen zou
gaan opzoeken en hem zou trachten wijs te maken, dat Dorus Makko na
den dood zijns vaders geruimen tijd door de stad had gezworven en
eindelijk door vrouw Juttner uit medelijden was opgenomen. De papieren
zouden volgens de meening van den ouden man het verdere wel doen.
Allerlei zwarigheden kwamen hun echter, toen zij het plan bespraken,
voor den geest. Wat zouden zij zeggen, indien een der vroegere buren
van Dorus Makko toevallig den pseudo-Dorus zag en zich herinnerde,
dat "Krates" volstrekt geen idioot was geweest?
"Hij is gevallen en suf geworden," zei Strijkman.
"Dat is te casuweel," antwoordde vrouw Juttner; "ik weet beter:
hersenziekte gehad, zenuwzinkingkoorts of zoo iets; laat dat maar aan
mij over... 't Treft goed, dat ik pas een maand of drie hier in de
stad woon; afijn, ik zal wel zorgen, dat ik er een mouw aan pas.--En
nou wat anders, baas Strijkman. Wat geef je wel aan mij en Kobus,
als alles goed afloopt? Ik hou van spijkers met koppen," zeide de
weduwe ten slotte, terwijl zij met de ellebogen op de tafel steunde
en, met de handen onder de kin, haar overbuur strak aanzag.
"Dat zullen we later zien, juffrouw!"
"Neen, neen! vaderlief, zóó zijn we niet geschapen; eerst zeggen,
hoeveel."
"Hm, hm! hoeveel dacht je?"
"Wat dacht jij?"
"Nou, ik wil 't royaal behandelen; je zult van elke honderd gulden
er twintig hebben."
"Och, kom! dacht jij dat? Jongens, jongens! dat's te scheutig,
Strijkman, dat neem ik niet aan."
"Niet?" vroeg de pandjesbaas verwonderd.
"Waarachtig niet, dat doe ik niet."
"Wat dacht jij dan, juffrouw?"
"We zullen eerlijk deelen, jij de helft en ik de helft,
annemekannememeesamen, [3] hoor!"
"Hè? Je dolt met me."
"Waarempel niet; en als je niet gauw toehapt, dan zeg ik: jij één
derde part en ik twee derde parten, want wij zijn met ons beiden."
"Dat kun je begrijpen. De helft, ik denk er niet aan..."
"Hè, hè, hè! jij kunt zonder mijn jongen niets krijgen, sliep uit!"
"Vervloekte feeks," bromde Strijkman tusschen de tanden; "als ik niet
meedoe, krijg je niemendal."
"Nou, hoe denk je er over, ouwe heer: de helft of een derde? Gauw
antwoord!
"En als ik niet wil, blijf jij er nuchter van."
"Och kom, denk je? Dan zal de procureur Verhagen er nog wel een
aardigheidje voor overhebben om..."
"Hou je mond, vrouw Juttner," riep Strijkman verschrikt uit; "'t is
goed, om de helft dan..."
"'k Dacht wel, dat je toe zoudt happen, ouwe zondaar!"
Strijkman beet zich op de lippen en vertrok. Toen hij weer op straat
stond, mompelde hij: "Ze is waarachtig nog goochemer dan ik; maar
wacht maar, als ik de duiten eerst heb, dan..."
Toen vrouw Juttner alleen was, bleef ze nog een oogenblik in de vlam
der kaars staren en overdacht al wat zij gezegd en gehoord had.
"Een gare rot," zei ze binnensmonds; "maar ik ben ook niet van
gisteren, 'k hou hem in de gaten, en afschuiven moet hij in ieder
geval, al komt er niets van de zaak; 'k houd hem toch aan 't lijntje;"
en terwijl zij de kaars opnam, ging zij naar de bedstede, waar haar
zoon sliep.
De mismaakte knaap lag met zijn mond open te snorken. Zijn wezenlooze
trekken schenen daardoor nog slapper en onaangenamer; 't weinige
rosachtige haar kleefde vochtig aan zijn voorhoofd en slapen, en de
rimpelige hals was nog meer in de schouders gezonken dan anders.
Met het licht in de hand stond vrouw Juttner voor het armoedige bed;
zij fronste de wenkbrauwen en haar mond vertrok zich minachtend;
"'t Is toch een leelijk kind, als je hem zoo ziet," zei ze. "Was hij
toch maar doodgegaan, toen hij kwam."
Zij raakte met vinger en duim zijn mond aan om dien te sluiten. De
slapende jongen keerde zich om, sloeg half de oogleden open zei in
zijn slaap: "Moeder."
"'t Is toch een ongelukkige, akelige stumperd, en wurm!" Zij trok
de rafelende deken wat hooger om zijn schouders. "Moeder" fluisterde
hij nogmaals.
"Hij is toch erg op mij gesteld. Arm schaap!" Zij schoof een
stuk karpet, dat opgerold onder 't getornde hoofdkussen lag, wat
dieper. "Geld zul je hebben; geld, veel geld, Kobus."
Toen haalde zij onder de bedstede vandaan een stroozak en een paar
andere stukken karpetgoed, legde een er van onder haar hoofd, dekte
zich met het tweede toe, blies het licht uit en sliep weldra op den
grond uitgestrekt in.