BIJ SIGNOR CARLO.

Even buiten de Weteringpoort, op een stukje grond, dat behalve eenige

magere en dun gezaaide grasspieten meer steenen en zand vertoonde,

dan voor den voet des wandelaars aangenaam was, stond een wagen,

van de soort, die men gewoonlijk met den naam van kermiswagen

bestempelt. Heldergroen geschilderd, met schel rood afgezet, aan

elke zijde voorzien van drie kleine raampjes, waarvoor bontgebloemde

meubelsitsen gordijntjes hingen, was het rijtuig in zijn soort

een prachtstuk te noemen en werd dag aan dag door de jeugd uit de

naastbijliggende straten met onverdeelde bewondering aangegaapt. De

groote gele letters met zwarte randen maakten aan het "gedistingeerde

publiek" kenbaar, dat deze wagen het verblijf was van Signor Carlo's

honden- en apentheater. De dubbele deur, aan den achterkant van het

voertuig aangebracht, verleende toegang tot het binnenste van den

wagen, dat met de meest uiteenloopende zaken was gevuld. Rechts,

vlak bij den ingang, bevond zich een klein ijzeren kookfornuis,

waarop in een pan het middagmaal van den directeur en zijn gezin,

bestaande uit uien en aardappelen met een stuk rookspek, stond te

braden en een twijfelachtigen geur verspreidde. Links zag men aan

den wand eenige planken, waarop in bonte wanorde een koffiekan en

kopjes, aarden schotels en een schaaltje met boter stonden. Een paar

ineengerolde tricots, een roodfluweelen manteltje, eenige apenrokjes,

een hondenzweep en een trompet lagen er naast. Tegenover de deur rustte

de blik op een vormeloozen berg van beddegoed, kussens met rood- en

witgestreepte tijken, een paar katoenen en een wollen deken. Stoelen

stonden er niet in, maar in plaats daarvan, aan beide zijden langs de

wanden, vierkante hokken, waarin de viervoetige artisten van Signor

Carlo verblijf hielden.

Het rook er naar menschen, apen, uien, honden en naar vet, ongeveer

alsof ransige haarolie op een gloeiende plaat lag te snerken. Een

benauwde, bedompte hitte vervulde het geheele voertuig, en daarom

waarschijnlijk hadden de eigenaar en zijn vrouw met hun dochtertje en

de twee mannelijke telgen van hun echt buiten op het grasveld of liever

op en bij het trapje, dat naar de deur leidde, een toevluchtsoord

gezocht.

De directrice zat op de bovenste sport, met een rooden doek om het

hoofd geknoopt, een verschoten fluweelen jacquet en een zwarten wollen

rok aan, met een bak op de hoog opgetrokken knieën aardappelen te

schillen. De jongejuffrouw, gewoonlijk bij het publiek door haar vader

voorgesteld als "het wonderkind Miss Betty," balanceerde half in de

deur staande twee ledige flesschen op elkander. Haar magere beentjes

waren in een veel te ruim vleeschkleurig tricot schuilgegaan en een

kruiselings om het bovenlijf geknoopte wollen doek van helderblauwe

kleur, deed haar bleek en sproetachtig gezichtje, omgeven door een

aureool van papillotten, alleronvoordeeligst uitkomen.

"Kijk dan toch uit, Betty!" riep vrij knorrig de jongenheer Carlo

junior, die op de onderste trede van de trap zich oefende in het op

het hoofd staan. "Schei er liever uit, als je die flesschen telkens

laat vallen; je gooit me nog een gat in het hoofd."

"Dat zou jammer wezen," antwoordde zijn broer Paulo, die een eind

verder op den grond zat en bezig was met het scheren van een witten

poedel.

"Stilte! Dat eeuwige gekibbel verveelt me!" riep de heer Carlo zijn

geslacht op tamelijk barschen toon toe. "Zoolang ik aan mijn toilet

bezig ben, wil ik rust hebben."

De directeur stond namelijk aan de eene zijde van den wagen voor een

spiegeltje zich te scheren en bracht zijn vettig glimmende haarlokken

in den bevalligen vorm, dien men gewoonlijk polka-haar noemt. Zijn

kaalgeschoren nek, de gouden ringetjes in de ooren, de scherp gepunte

knevels en de spitse kinbaard, gevoegd bij de hoogroode, verweerde

en door de zon verbrande gelaatskleur, deden in hem, ondanks zijn

schoonklinkenden vreemden naam, den proletariër-saltimbanque op het

eerste gezicht herkennen. De breede nek, de vierkante schouders en

de sterkgespierde armen en beenen wezen er op, dat hij weleer tot

het gild der acrobaten behoord had. Hij had vroeger aan den rekstok

gewerkt, met gewichten en kogels gejongleerd, maar was door een val

voor die kunstverrichtingen ongeschikt geworden en bepaalde zich nu

uitsluitend tot het africhten van honden en apen en tot "productiën"

in het vuur eten, steen verbrijzelen en het jongleeren met messen.

Carlo was tot zoover met zijn toilet gereed, strikte zich een

veelkleurige das om, trok een grijs jasje met groene opslagen en dito

kraag aan, knoopte het met een der groote hertshoornen knoopen dicht,

dekte zijn kunstenaarshoofd met een flambard en zag er nu, met zijn

geruite pantalon, zooals hij het noemde "sjiek" uit.

"Allo!" riep hij met zijn min of meer schorre stem Carlo junior toe,

"laat eens een paar van de artisten buiten komen."

"Wie?" klonk het terug.

"Eerst Jack, dan Minca en Tom."

In den wagen blafte een hond; 't was Tom, hij had zijn naam

gehoord. Een oogenblik later sprongen twee keesapen en een zwarte

poedel van het trapje hem te gemoet. De apen gingen op hun achterste

pooten staan en grijnsden, als wilden ze zeggen: wat heeft onze

directeur te bevelen? De poedel kroop bij het zien van het mattenrietje

dat de baas uit handen van zijn zoon ontving, met den staart tusschen

de beenen, op zijn buik tot voor Carlo's voeten en keek hem toen aan

met een blik, waarin een bede om genade opgesloten scheen.

"Allo! hier, Tom! Jij hebt gisteren driemaal je sprong gemist. Weet

jij dat wel, hè?" Het rietje zwiepte door de lucht. "Je moest strieps

hebben.--Rechtop, Minca!--Hier Jack! Moet ik je afstraffen?"

Tom blafte binnensmonds en wuifde met zijn pluimstaart.

"Nou! kom dan maar hier, bij den baas! Je bent anders de kwaadste

ook niet." Tom sprong op, blafte luid, ging met zijn voorpooten tegen

Carlo opstaan en lekte hem het gelaat, dat deze naar hem overboog.

"We zullen eens even repeteeren. Hier, Minca! Op je plaats, Jack." De

twee apen werden een eind verder aan hun kettingen door Carlo's zoon

vastgehouden; hij gaf hun een hoepel in de pooten en Toms evolutiën

begonnen.

"Allo! Hoepla, hoepla! Hooger! Ferm zoo! Mooi zoo, Tom! Nog

eens! Hoepla! hoepla!--Daar heb je het waarachtig weer, net als

gisterenavond! Allo, hier, Tom!" Angstig kwam de hond nader; hij trok

met zijn linker achterpoot. De directeur betastte met zaakkundige hand

het dier, wreef met zijn breeden duim langs den poot, mompelde! "Ik

voel toch niets verkeerds," gaf Tom een klein tikje en riep nogmaals:

"Allo! Hoepla! Vooruit!"

Gewillig rende Tom een paar malen in de rondte, maar toen hij zijn

sprong moest nemen, kreunde hij van pijn en viel over eene zijde vlak

voor den hoepel neer.

"Kom hier!" Carlo ging op den grond zitten, nam den hond op zijn

schoot en onderzocht hem nogmaals, terwijl hij zijn zoon toeriep:

"Zie jij ook eens. Ik begrijp er niets van; er moet iets met hem

niet in den haak zijn, maar wat het is, snap ik niet. 't Zou wat

moois wezen, als we hem niet meer konden gebruiken; 't is de beste

van den heelen troep.--Kijk! nu is hij weer in orde, alsof er niets

is gebeurd; ik vat het niet...."

"Ik wel!" klonk plotseling een stem uit den drom van jongens, die zich

langzaam, aan bij en om den wagen en op het grasveld had verzameld.

"Verwonderd keek Carlo op en vroeg: "Wie zegt dat daar?"

"Hier, baas, deze jongen heeft het geroepen, die met zijn bochel,"

riepen twee of drie jongens te gelijk en duwden Dorus, want hij was

het, vooruit.

"Kom jij eens hier! Wat weet jij wel?" zei de directeur en wenkte

Dorus tot zich.

Met Boppie nog steeds in den arm naderde de knaap vrijmoedig Signor

Carlo en zei, op den poedel wijzend: "Zie je, daar begint 't weer,

dat's kramp op de pezen. Wij hadden ook een hond, die 't gedurig

weeromkreeg, totdat vader het overmaakte met een smeersel."

"Had jou vader er dan verstand van?"

"Nou! En hij kon ze ook nog wel andere kunsten leeren dan jij."

"Ei!"

"Zeker! We hadden er twee, die konden tellen en op de klok kijken."

"Wat was je vader?"

"Hondenkoopman en dresseerder. Maar ik kan het ze ook leeren!"

"Kom eens hier, bochel! en vertel mij eens ..."

"Als je bochel zegt, vertel ik niets!"

Dorus draaide zich knorrig om en wilde heengaan.

"Sakkerloot, jij bent kort aangebonden, maar dat mag ik wel; kom eens

dichter bij, ventje."

Dorus bleef staan en schudde het hoofd.

Carlo gaf zijn zoon, die met de armen over elkander stond te kijken,

een oogje en wenkte bijna onmerkbaar met het hoofd.

Plotseling voelde de knaap zich door een paar krachtige handen

aangegrepen en opgetild en, trots zijn tegenstribbelen, vlak voor

den kunstenmaker neergezet.

"Dat's valsch!" gilde hij.

Een gelach en een hoera van de straatjongens en de overige omstanders

begeleidde zijn kreet. Dorus keek onbevreesd met een hoogroode kleur

en een vreemde tinteling in zijn groote oogen den directeur en zijn

gezin, dat zich nieuwsgierig had vereenigd, aan en zei: "Nu zeg ik

heelemaal niets."

"Daar zit ras in," mompelde Carlo, en terwijl hij het rietje door de

lucht liet zwiepen, vatte hij Dorus bij zijn kraag, met de woorden:

"'k Zal je wel eens even bijlichten!"

"Sla me niet!" riep het kind. "'k Heb je toch niets gedaan; ik hoef

toch niet te spreken, als ik niet wil! Als je 't me vriendelijk

gevraagd hadt, had ik het je al lang gezegd ..."

Een hand werd op den opgeheven arm van den kunstenmaker gelegd; 't

was zijn vrouw, die hem vroeg: "Laat mij eens met den jongen praten;

met slaan kom je niet verder. Zie je niet, hoe bleek en akelig de

stumper er uitziet?"

Carlo liet den jongen los en bromde: "Je kunt het probeeren, Keetje,

maar een beetje rottingolie zou hem anders geen kwaad hebben gedaan."

Vrouw Keetje nam Dorus bij de hand en zei op vriendelijken toon: "Je

hebt zeker nog geen eten gehad van morgen, hé? Je ziet er slapjes uit;

kom maar eens mee in den wagen. Och, kind! wat zie je er uit, wat ben

je smerig!--Kom dan! Mijn man zal je niets doen. Maar jij bent ook een

stijfkop, weet je dat wel?... Zóó, wil je het wel mij zeggen? Dat valt

me mee van je.... Ja, je hondje kun je meenemen.... Heb je drie dagen

rondgeloopen? Och! ... Wel! wel! hebben ze je uit het stroo gejaagd,

en heb je niet gebedeld?.... Ga nu maar eens zitten; brand je niet,

't is heet. Dat is lekker, hé, dat zal je goeddoen. Och, stumperd wat

zijn je schoenen en kousen doornat! Kom hier, ik zal ze uittrekken. Nu,

nu! wees maar niet bleu! Och, God! wat heb je magere beenen.... Zijn

achterpoot? Wrijven? Met speekolie? Ja, goed hoor! Eet nu maar eerst

je bekomst en vertel dan."

Dorus at met smaak, wat vrouw Keetje hem had voorgezet. Terwijl

zij in den wagen eenige oude kleedingstukken opzocht, volgde hij

haar met de oogen, en toen zij weer bij hem kwam en hem, in plaats

van zijn doorweekte kousen en afgedragen schoeisel, een halfsleten

tricot en een paar lage schoenen van het wonderkind aantrok, greep

hij eensklaps hare hand en zei: "Juffrouw, ik zal u alles vertellen,

en ook hoe of je ze op de klok leert kijken."

Onwillekeurig drukte hij zich tegen de vrouw van der kunstenmaker

aan en lachte haar toe; 't was ook sinds langen tijd de eerste maal,

dat iemand een vriendelijk woord tot hem richtte.

Van dien dag af bleef hij deel uitmaken van Signor Carlo's

gezelschap. De acrobaat, die wel is waar onbeschaafd, en ruw, maar

toch niet kwaad was, had den jongen, omdat er ras in zat, zooals hij

zei, bij zich gehouden en al spoedig de ontdekking gedaan, dat Dorus

van hondendressuur op zijn minst evenveel, zoo niet meer wist dan hij

zelf. Tom was, dank zij het smeersel van wijlen Klaas Makko, weer even

rap en vlug als vroeger, terwijl onder Dorus' leiding een der andere

honden in de kunst van het tellen en op de klok kijken werd onderwezen.

Het scheen wel alsof de jongen in de omgeving, waarin hij zich

thans bevond, iets van zijn koppigen aard begon te verliezen. Met

de jongeheeren Carlo verdroeg hij zich vrij wel; deels omdat hij

voor hunne evolutiën en luchtsprongen, hunne vaardigheid in het

op het hoofd staan of op de handen loopen een zekere bewondering

gevoelde, deels omdat zij van hunnen kant voor zijne bekendheid

met de dressuur van het hondengeslacht eerbied hadden en, toen

zij tot de ontdekking kwamen, dat hij vrij goed lezen en schrijven

kon, hem als een soort van geleerde beschouwden. De eenige van het

gezin, waarmede hij het minder goed kon vinden, was miss Betty, het

wonderkind. Hoogstwaarschijnlijk omdat zij, die tot dusverre als

de parel van het gezelschap was beschouwd, vreesde, dat de bochel

een schaduw op haren glans zou werpen. Dikwijls zaten ze elkaar in

het vaarwater, en soms flikkerde plotseling in Dorus' oog een vonk

van toorn, als Betty hem na een kibbelpartij verachtelijk over den

schouder aankeek, terwijl ze onverstaanbaar iets mompelde.

Aan juffrouw Keetje had hij zich volkomen gehecht. De goedige,

vriendelijke vrouw, die, waar het noodig was, in hare ruwe,

onbeschaafde omgeving te rechter tijd door een kalm, bemiddelend woord

of verzoek, als instinctmatig vrede wist te stichten, was voor hem

een geheel nieuwe verschijning. Tot dusverre had Dorus in een wereld

geleefd, die voor hem weinig anders dan scheldwoorden, het uitzicht op

slaag of mishandeling had. Zijne moeder was reeds lang dood en toch

herinnerde hij zich nu de dagen van weleer, toen moeders zachte hand

hem, haar ongelukkig mismaakt kind, tegen de woeste uitvallen van den

vader beschermde. De knaap, die eigenlijk zacht van inborst was en

behoefte had aan een liefderijk woord, was door de omstandigheden

verbitterd geworden, en toen hij nu in vrouw Keetje iemand vond,

die bij machte was de zachtere snaren in zijn gemoed te doen trillen,

gevoelde hij voor haar een zeker ontzag, maar tevens een genegenheid,

die aan liefde grensde.

Hij zou voor haar, zooals men het noemt, door het vuur zijn geloopen;

menigmaal naderde hij haar, wanneer zij alleen waren, en zei, terwijl

hij zijn tengere hand op haren arm legde: "Juffrouw Keetje, laat me

nu eens iets voor u doen, maar... heelemaal apart voor u."

"Gekke jongen," zei vrouw Keetje dan, terwijl zij hem het haar uit

de oogen streek en medelijdend aanzag, "weet je wat je voor me doen

kunt? Vrede houden met Betty."

Dorus beet op zijn lippen, als hij antwoordde: "'k Beloof het u",

en hij deed zijn best om zich in te houden, als het wonderkind,

om hem te plagen, een hoogen rug trok of kromme beenen maakte.

Vrouw Keetje was een dier stille naturen, wier onverstoorbaar goed

humeur, gevoegd bij een aangeboren gezond verstand en een zachte

inborst, ze voorbeschikt maakt, om, in welke klasse of stand der

maatschappij het lot haar ook een plaats moge hebben gegeven, tot

een zegen te zijn, voor hare omgeving. Zij was de dochter van een

dorpskastelein, eenvoudig opgevoed en nooit buiten haar dorp geweest;

ze had in haar vaders herberg kennis gemaakt met den acrobaat, die

't jonge onervaren meisje wist te bekoren. Keetje had nog zoo weinig

van de wereld gezien, dat 't Carlo weinig moeite had gekost haar

argeloos hart te veroveren, en trots vaders en moeders tegenstand,

was zij op jeugdigen leeftijd met hem gehuwd. Al spoedig kwam zij tot

de wetenschap, dat niet enkel rozen op hymens paden groeien; maar al

kwetsten haar ook de doornen, toch hield zij moed en wist door geduld

en kalmte den sterken man, den hercules, die vaak der menigte een

uitroep van bewondering voor zijne lichaamskracht afdwong, zooals men

het noemt, onder den duim te krijgen; maar 't was een bijna onmerkbare

druk, dien zij met oordeel en verstand uitoefende. Niemand zou hebben

kunnen vermoeden, wanneer hij het kleine, tengere vrouwtje zag,

dat zij het nekje was, waarop Signor Carlo's acrobatenhoofd draaide.

Wanneer men echter haar nog altijd frisch en prettig gelaat opmerkzaam

beschouwde, loste eene uitdrukking van kalme vastberadenheid in haar

helder, blauw oog het raadsel op en niemand zou geloofd hebben,

dat de welbesneden mond, die zoo vriendelijk lachen kon, eenmaal

aan Carlo de woorden had toegevoegd: "Kies!--de flesch of mij." Het

was kort na de geboorte van hun eerste kind, dat vrouw Keetje zoo

tot haren man sprak. Hij had gekozen--gelukkig voor hem--niet de

flesch, en van dat oogenblik af liet de forsche man zich leiden

door haar, die verstand genoeg had om daar, waar het noodig was,

een oogje dicht te doen en het spreekwoord: "Langzaam gaat zeker,"

altijd in praktijk te brengen. Zij kende haar man door en door, en

het geheele geheim, waardoor zij hem wist te leiden, bestond daarin,

dat Signor Carlo steeds geloofde zijn eigen zin en wil te volgen,

terwijl hij in werkelijkheid slechts den haren deed. Carlo van zijn

kant gevoelde, zonder het zelf te weten, dat zij boven hem stond,

en het was vermakelijk hem tot anderen te hooren zeggen: "'k Heb een

best wijf, die den boel bij mekaar houdt; voor de kinderen kan het

niet beter, maar er zit niet veel bij: artistenbloed heeft ze niet,

en dat is het eenigste wat me hindert."

Door vrouw Keetje's invloed heerschte er dan ook in het gezin van den

kunstenmaker meer orde en een fatsoenlijker toon, dan men oppervlakkig

zou verwacht hebben.

Hoewel hun bedrijf het meebracht, dat zij als het ware een nomadenleven

leidden en nu hier, dan daar hunne tent opsloegen, vond Dorus in Signor

Carlo's gezin een tehuis, zooals hij vroeger nooit had gekend; hij werd

minder stug en terughoudend en lette er soms zelfs niet op, dat iemand

hem "krates" of "bochel" noemde. Enkele malen slechts vlamde het oude

toornige vuur in zijn oogen op, maar verdoofde meestal oogenblikkelijk

door een vriendelijken blik of een kalm woord van juffrouw Keetje.

Geruimen tijd was het honden- en apentheater, zooals men het noemt,

den boer op geweest; in alle mogelijke plaatsen in ons vaderland waren

voorstellingen gegeven, en nu en dan was Dorus met zijn hondje Bop en

een paar andere honden, die hij in eenige maanden tijds gedresseerd

had, bij wijze van proef, met goed gevolg opgetreden, zoodat Signor

Carlo er schik in kreeg en op zekeren dag, na overleg met de overige

familieleden zei: "Je bent nu ruim zes maanden bij ons, Dorus, en we

mogen je allemaal goed lijden. Wil je graag voorgoed bij ons blijven?"

Dorus knikte van ja, terwijl zijn groote bruine oogen van blijdschap

straalden.

"Goed! maar dan moet je mee den kost verdienen; wij zullen je een

pakje maken; ik zal je een paar loopjes van het vak leeren, en dan

ben jij de hansworst van het gezelschap. Ik heb idee om een nieuwe

productie met de honden en apen te vertoonen; wij zullen ze samen

aan het gedistingeerd publiek presenteeren."

"'k Zal je een mooi kostuum maken," zei juffrouw Keetje; en terwijl

zij hem goed aankeek, vervolgde zij: "Jongens, Dorus, je zult er zelf

schik in hebben, dat je mee helpt verdienen."

Verheugd greep de knaap haar hand, terwijl hij uitriep: "Voor u ook,

juffrouw! Ik zal mijn best doen, dat beloof ik je."--Hij dacht een

oogenblik na en zei: "Juffrouw!"

"Dorus?"

"Kan u er niet van achteren iets in maken, dat mijn bochel nog eens

zoo groot lijkt?"

"Waarom?"

"Omdat de menschen dan nog meer zullen lachen," antwoordde de jongen

losjes weg, maar met een zwaarmoedige uitdrukking op zijn gelaat.

Een week of wat later debuteerde Dorus als hansworst bij Signor Carlo's

troep. Overal waar het honden- en apentheater speelde, oogstte de

hansworst den meesten bijval; zoo'n grappigen bochel had men ook nog

nimmer gezien.

Krates: Een Levensbeeld · 第 10 / 47 题