"KRATES."
't Is geheel donker geworden in de verlaten kamer; alles is er in rust,
zelfs de honden zijn bedaard en liggen met hun kop op de voorpooten te
soezen. Beneden in den winkel staat Strijkman nog met juffrouw Ram over
het geval te praten en vertelt, dat hij de honden naar de Botermarkt
zal laten brengen, om ze daar te verkoopen. "'k Moet toch zien, dat zij
mij voor de achterstallige huur wat opbrengen; en als er wat over is,
kan ik het met een gerust geweten houden voor al wat hij op mijn kamer
bedorven en gebroken heeft," zegt hij meesmuilend, want hij berekent,
dat hij nog met eenig profijt van een onaangenamen huurder afkomt.
"En wat zal er nu van dien krates worden?" vraagt juffrouw Ram.
"Dat weet ik niet. 't Gaat mij ook niet aan, buurvrouw."
"'t Is een gare rot, een jongen, die, zoo klein als hij is, toch slim
is voor drie."
"Ja, goochem is hij."
"Misschien nog goochemer dan jij, Strijkman."
De oude man ziet haar aan met dichtgeknepen oogjes, glimlacht alsof
hij denkt: "dat kon je nog tegenvallen," en antwoordt: "Neem jij hem
bij je in huis, juffrouw Ram; hij kan je al gauw in de hand komen
met boodschappen doen."
"Ik? Geen gedachte. Mijn eigen jongens worden haast groot
genoeg. Waarom neem jij hem niet, Strijkman? Je hebt kind noch kraai;
en heb je me laatst niet gezegd, dat je wel zoo'n soortement bediende
kondt gebruiken? Nou kun je er goedkoop aankomen; voor den kost en
een paar stukjes kleeren ben je klaar. 't Is wel geen mooi gezicht,
zoo'n bult in je kantoortje, maar ..."
"Dat zou me een zorg wezen! Maar ik heb geen lust om een andermans
kind te eten te geven; 'k heb zelf werk, dat ik rondkom."
"Jij? Laat naar je kijken!"
"Hoe zoo?"
"Jij hebt ze, Strijkman,"--juffrouw Ram maakt de beweging van geld
tellen,--"en dik ook, dat weet de heele buurt."
Met een zijdelingschen, min of meer angstigen blik naar het
binnenvertrek antwoordt de pandjesbaas: "Praatjes, allemaal
praatjes!--'k Zou misschien wat over kunnen hebben, wanneer ik minder
voor de panden gaf; want gewoonlijk ..."
"Nou, 't is goed, 'k zal je voor dezen keer gelooven", grinnikt
juffrouw Ram en vervolgt: "Het zou nog zoo gek niet zijn, als je den
jongen naamt. Je hebt er hulp van en je kunt hem heelemaal naar je
hand zetten. Een krates is hij en een rakkerd ook, maar eerlijk er
bij. Hij heeft me een veertien dagen geleden mijn knipje, dat ik hier
in de straat verloren had, teruggebracht, en er was geen cent uit."
"Hoe wist hij, dat het jouw knipje was?"
"Er zat toevallig een briefje in, waar mijn naam op stond".
"Zoo, hm! dus hij kan lezen?"
"Ja, en schrijven ook, wat netjes," antwoordt snel de juffrouw,
die innerlijk een zeker medelijken gevoelt met den stumperd, die
anders naar het _gesticht_ moet, zooals zij het noemt en, evenals
de meeste vrouwen van haar stand, het _gesticht_ [2] als het toppunt
van ellende beschouwt.
Strijkman weifelt een oogenblik; hij denkt na: "Als ik den jongen
neem, laat ik hem alles doen; dan kan ik vrouw Sabel" (een oude
schoonmaakster, die zijn boeltje zoo wat aan kant houdt) "missen;
dat zou een gulden in de week gespaard zijn. Hm, de jongen eet
misschien voor drie ... En dan zoo'n kijk-in-den-pot ... Neen,
'k zal vrouw Sabel maar houden."
"Nou, Strijkman, hoe denk je er over?"
"'k Wil hem niet hebben, juffrouw Ram.--Waar zit die jongen?"
"'k Weet het niet, Strijkman; maar als ik hem ergens zie, zal ik hem
bij je sturen," antwoordt de juffrouw zich verwijderend.
Waar zit die jongen?
Boven op de donkere kamer, in een hoek der bedstede hurkt een mismaakt
kind, een jongen van ongeveer elf jaren.
Een kleine, tengere gestalte met een vergroeide ruggegraat, bleek van
tint, met sproetachtige wangen en blauw-geaderd doorzichtig vel aan
de slapen. Een vrij groot hoofd, met dun rosachtig blond haar bedekt,
rust op een korten hals en nijgt ietwat scheef naar de zijde, waar de
ruggegraat het kromst is. Alleen de oogen, groot, bruin en zwaarmoedig,
zijn niet onaangenaam van uitdrukking, en om zijn mond, goed gevormd
en met schitterend witte tanden voorzien, speelt een innemende trek,
iets wat men evenwel eerst bij nadere beschouwing opmerkt. Als allen
de kamer verlaten hebben, is het kind, dat verschrikt door al het
rumoer zich in de bedstede heeft schuilgehouden, voor den dag gekomen
en zit nu op den rand van het bed. In zijn armen houdt hij een hondje,
een mank, ongelukkig dier, met afgesneden ooren en een akelig stompje
staart, dat rusteloos heen en weer gaat.
Met zijn lange, tengere vingers strijkt de knaap over de borstelige
haren van het hondje en brengt zijn mond dicht bij de korte oortjes.
"Ze bennen weg; jij was ook bang voor 't leven. Hu! wat was dat
akelig! Jij blijft bij me, hé, Boppie? Van jou hou ik, omdat jij mank
bent en leelijk; jou schoppen ze ook. Ja, hé! net als mij ... En jij
kunt ook nog niet erg bijten, omdat je nog te klein bent; maar ik
zal je te eten geven, en als je dan groeit en groot bent, dan kun je
van je af bijten. Ze wouen je verdrinken, omdat je mank loopt, maar
ik heb je verstopt ... en nou hou je van mij, hé, Boppie? Jij likt
me, ja! goeie hond, jij zoent den baas, ja! ja! lik me maar. Jij
roept niet: Kriek! of Krates! tegen me. Nu, nu, Boppie, niet zoo
erg. Koest dan, hond! Ze hebben hem weggebracht, hij heeft z'n eigen
dood gedronken; 't is wel m'n vader, maar ik hield niet van hem, hij
kon mij ook niet uitstaan ... 'k Heb niets geen spijt, dat hij dood
is. 't Is wel goed, hé, nou hoef ik je niet eens meer te verstoppen."
"St! stil! niet blaffen, hoor je! dan beginnen de anderen ook. De
oude baas van beneden wil je verkoopen; ik heb gehoord, dat hij
't tegen juffrouw Ram zei. Ha! ha! ha! ha! ik zal hem eens lekker
beetnemen; hij noemt mij ook rakkerd en kriek. Stil! blijf zitten,
koest dan! Ik zal ze er uit laten; die stomme dieren krijgen niet
eens eten vandaag. Koest dan, Boppie!"
Voorzichtig laat de knaap zich van den rand der bedstede glijden en
gaat voelend en tastend naar de deur.
"Gesloten," mompelt hij. "O! maar dat's niet erg, ik weet wel raad,"
en naar de vervelooze latafel gaande--de duisternis hindert hem niet,
hij kent elken hoek van 't vertrek--haalt hij uit de bovenste lade
een ouden, roestigen sleutel te voorschijn en opent daarmede de deur,
terwijl hij grinnikt: "Dat weet de ouwe niet; vader wist het ook niet,
en ik heb hem toch zoo dikwijls gebruikt, als hij me opsloot."
"Komt, jongens!" fluistert de bultenaar, terwijl hij in het duister de
honden losmaakt, die, even hun hals en kop schuddend, een kort blaffen
doen hooren. "Zoo! nu maar vooruit." Hij zet de deur wagenwijd open
en met een paar schoppen van zijn korte, magere beentjes jaagt hij
het zevental honden de kamer uit.
Onder luid geblaf rennen de dieren de trap af en de straat op. In
een oogwenk zijn ze uit het gezicht en is Strijkman, die beneden het
blaffen en 't leven op de trap heeft gehoord, met een lamp in de hand
naar boven gesneld, om te zien wat er voorvalt.
Als hij de deur geopend vindt en de afwezigheid der honden bemerkt,
vloekt hij binnensmonds en zet de lamp op den houten schoorsteenrand.
De jongen is weer in de bedstede gekropen en houdt zich stil.
"Niets, niemendal!" bromt Strijkman. "Hoe komt die deur
open?--Waarachtig! al de honden weg; dat is een gemeene streek;
ik ben bestolen. Wie heeft ..."
Een onderdrukt lachen klinkt uit de bedstede.
"Dat is zeker die satansche bult, die mij dat gebakken heeft." Met
die woorden nadert de pandjesbaas het bed en schuift de gordijnen open.
"'n Avond, baas Strijkman," grinnikt de jongen, die met zijn beenen
tegen het houten beschot trommelt.
"Satanskind! heb jij die honden losgelaten?"
"Jawel, baas Strijkman. Wat liepen ze! Ha! ha! ha!"
"Vervloekte kriek, dat zal ik je inpeperen!"
Met de ellebogen op de knieën en de handen onder het hoofd, ziet de
knaap doodkalm den ouden man in 't gelaat, terwijl hij antwoordt:
"Ze waren toch niet van jou, wel?"
"Wel wis en waarachtig waren ze van mij, voor de huur en..."
"Vader heeft verleden week toch de huur betaald...."
"Hou je mond, krates, en kom van dat bed af."
"Neen."
"Waarom niet?"
"Omdat je "krates" tegen me zegt; ik weet het wel, dat ik een bochel
heb, maar jij hoeft het mij niet te zeggen."
"Hè! hè! hè! Meneer is op zijn teentjes getrapt.--Allo, gauw! kom
er af."
"Neen."
"Wil je niet?--Wacht ik zal je beenen maken." Strijkman grijpt een
hondenzweep, die naast de bedstede hangt, en heft ze dreigend op.
"Sla maar toe, als je durft, maar als je 't doet, bijt ik je," en
evenals een dier blikkert de jongen met de witte tanden;--"ik ben
niet bang voor slaag. Vader sloeg me ook, maar altijd alleen als hij
me krijgen kon. Ha! ha! ha!"
Voordat de pandjesbaas recht weet wat er gebeurt, is de bultenaar van
't bed gesprongen, langs hem heen gegleden en heeft zich verschanst
achter twee kisten, die als hondenhokken dienst hebben gedaan,
terwijl hij nog eens sarrend herhaalt:
"Sla nou maar toe, als je kunt."
"Kom er uit, bochel, ik zal je niets doen; ik wil een paar woorden
met je spreken," zegt Strijkman, met ingehouden drift.
"Leg dan eerst die zweep weg en noem me geen krates of bochel."
"Hoe heet je dan eigenlijk?"
"Dorus."
"Kom er maar gerust uit, Dorus! Ik zal je niets doen."
"Gooi eerst die zweep in den hoek, dáár, ver weg!"
"Nu goed dan. Ben je nu tevreden?" De zweep vliegt in een hoek.
Met een sprong is de knaap tusschen de kisten uit en bij de zweep,
die hij stevig in de handen neemt, terwijl hij brutaal vraagt: "Nou,
wat moet je dan?"
"Bijdehand genoeg," mompelt Strijkman en luid laat hij er op volgen:
"Waar moet je naar toe?"
"Weet ik het!"
"Heb je geen oom of tante?"
"Neen."
"Geen andere familie?"
"Neen."
"Dan moet je naar 't Gesticht?"
"Mij een zorg," bromt Dorus, terwijl hij met de zweep op een der
kisten slaat; "in 't gesticht krijgen ze eten genoeg...."
"Zou je denken?" grinnikt Strijkman.
De jongen ziet den pandjesbaas met zijne groote donkere oogen eensklaps
onderzoekend aan en vraagt, terwijl hij met de zweep op de bedstede
wijst:
"Mag ik _hem_ daar meenemen?"
"Wie?" Onwillekeurig volgen Strijkmans oogen de aangewezen richting.
"Boppie?"
"Wie is dat? Je broertje?"
"'k Heb geen broertje,--nooit gehad," antwoordt de knaap, die aanstonds
daarop even fluit en met de vingers knipt.
Een kort blaffen en 't slaan van Boppie's staartje tegen de beddeplank
doet den ouden man verwonderd vragen:
"Een hond? Dat kun je begrijpen! Ze hebben daar doodeters genoeg."
"Dan wil ik er ook niet heen.--Pst! hier Boppie, kom bij den baas."
't Hondje springt, uit de bedstede en nadert den jongen.
"Ba! wat een mormeldier!"
"Vind je, baas?" Dorus neemt het hondje op, en terwijl hij het in zijn
armen en tegen zijn lippen drukt, zegt hij: "Wij blijven bij mekaar,
hé Boppie!" en hij maakt zich gereed om de deur uit te gaan.
Strijkman verspert hem den weg en draait het slot dicht, terwijl
hij vraagt:
"Hoe kom jij aan dien sleutel?"
"Die lag altijd in de latafel, dáár!"
Oogenblikkelijk begeeft de pandjesbaas zich met de lamp in de hand
naar het aangewezen meubelstuk, grabbelt in de laden en haalt er
uit wat slechts eenigszins waarde heeft; eenige papieren, die in de
bovenste lade bij elkander liggen, trekken zijn aandacht. Vluchtig
ziet hij ze door en mompelt: "Trouwakte, geboortebewijs.--Jij heet
Theodorus Johan, hé?"
"Dorus heet ik.--Laat je me nu haast de deur uit?"
"Brieven, een portret in een lijstje.... Hé! 't lijkt wel een broer
van Makko.--Had je nog een oom?"
"Ja! maar wat gaat jou dat aan?"
Voorzichtig legt Strijkman de papieren weer bijeen, omwikkelt ze met
een stukje touw en steekt ze in zijn borstzak, terwijl hij denkt:
"'k Zal ze meenemen; je kunt nooit weten, waar het goed voor is."
De kleedingstukken, die hij uit de latafel heeft gehaald, hangt hij
over den arm en werpt den jongen een overjasje toe, met de woorden:
"Daar, neem dat maar mee; daar heb ik toch niets aan. Dat past alleen
op jou kriek."
"Dief!" schreeuwt Dorus hem, heesch van kwaadheid, toe, en rakelings
vliegt de hondenzweep Strijkmans hoofd voorbij.
Boppie blaft uit alle macht, en de oude man keert zich om, raapt de
zweep op en slaat er Dorus een paar malen mee over den rug, met de
woorden: "Satansche bochel! ik zal je die kuren wel afleeren."
De jongen heeft uit een hoek een flesch gegrepen en schreeuwt:
"Laat me er uit! Laat me er uit! of..."
De pandjesbaas ziet de saamgeknepen lippen van den knaap en een zeker
iets in zijn oogen, dat hem doet denken: de flesch kan gevaarlijk
worden, en daarom opent hij de deur, hem toesnauwend: "Allo! marsch
dan!"
"Dief, dief!" gilt Dorus, terwijl hij zich ijlings uit de voeten
maakt, en rinkelend vallen de scherven der flesch op het portaal voor
Strijkmans voeten.
"En zoo'n jongen zou ik in huis nemen," mompelt Strijkman, terwijl
hij de hondenhokken in oogenschouw neemt en oppervlakkig berekent,
hoeveel brandhout ze hem zullen opleveren.
Met zijn hondje in het jasje gewikkeld onder den arm, rent Dorus de
straat op; waarheen weet hij zelf niet.
't Is donker; 't is koud en nat in de straten, maar hij merkt het
niet. In zijn jeugdig brein warrelen allerlei gedachten dooreen en
draaien zich om één hoofddenkbeeld: "Niet weer terug naar die akelige
kamer en niet naar het Gesticht."
Werktuigelijk loopt hij voort; even werktuigelijk blijft hij nu en dan
voor een helder verlichten winkel staan kijken, om dan weer opnieuw
zijn wandeling voort te zetten. Bijna zonder het zelf te weten is
hij de Kalverstraat genaderd. De woelige drukte, het vroolijke licht,
dat uit de winkels en magazijnen straalt, trekt hem onweerstaanbaar
aan. Hij drentelt langzaam verder. Voor een oogenblik vergeet hij
zijn toestand, kijkt in de koffiehuizen en drukt zijn neus tegen de
vensterruiten van een bakkerswinkel. Hij heeft honger gekregen, en
het gezicht van het uitgestalde brood maakt zijn eetlust meer en meer
gaande. Half onwillekeurig voelt hij in zijn broekzak. Een eindje
touw, een pijpensteel en een knikker zijn de eenige voorwerpen,
die hij ontmoet. Nog een begeerigen blik in den winkel en hij
gaat verder. "Hè! 'k wou, dat ik zoo'n broodje had," zucht hij in
stilte en gaat, als om niet meer het tergende gezicht van voor hem
onbereikbare weelde te moeten verduren, een zijstraat in, 't Spui op
en naar het Koningsplein. Zijn rug doet hem pijn, de striemen van
Strijkmans zweepslagen gloeien en branden. Hij wrijft met de hand
over de pijnlijke plaats en mompelt: "Wacht maar; als ik groot ben,
zal ik het hem betaald zetten! Zoo'n leelijke dief! Hé, Boppie,
't is toch een dief, want het was toch goed van vader! Nou, koest
dan, hondje. Kijk!" hij raapt een paar koude aardappels op, die bij
een stoep liggen, "dat is voor jou, hond!" En op de vlakke hand houdt
hij ze het hondje voor, dat ze gulzig ophapt. "Dat is lekker, hé? Ja,
smul jij maar, ga je gang maar. Had de baas nu ook maar wat. O! wat
doet mijn rug zeer." Hij gaat op een stoep zitten en staart nadenkend
de voorbijgangers en de heen en weer rijdende vigilantes en wagens aan.
"Loop jij ook met lucifers?" vraagt plotseling een opgeschoten jongen
met een brutaal, van de pokken geschonden gezicht, die naast hem
op de stoep is komen zitten, terwijl hij hem een bakje met doosjes
waslichtjes toont.
"Neen."
"Zoo! 't is je ook geraden: er is hier al konkerrensie genoeg;
er is geen droog zout meer aan te verdienen. 'k Geef ze nou al
voor een halven cent winst over, omdat de anderen het ook doen
... Waslucifers,--waslucifers! allemaal zonder vergif.--Waslucifers,
heeren! ... Loop jij met een marmotje?"
"Neen."
"Wat heb je daar dan?"
"Een hondje."
"Verdien je daar centen mee?"
"Neen."
"Loop je dan niet om centen?"
"Neen."
"Heb jij je tong doorgeslikt? Kom, spreek eens een spreek! Wat doe
jij voor den kost?"
"Niets. Ik wou, dat ik wat doen kon."
"Waar woon je?"
"Nergens."
"Heb je dan geen vader of moeder?"
"Allebei dood."
"Heb je dan geen ooms of tantes, of iemand waar je bij woont ?"
"Neen. 'k Weet niet eens, waar ik van nacht slapen zal."
"Dan ben jij een zwerver." De jongen wacht even, ziet Dorus opmerkzaam
aan en zegt dan: "Zeg! je hebt een bochel."
"Dat weet ik wel."
"Daar kun je geld mee verdienen."
"Hoe zoo?"
"Laat hem kijken voor een cent. Ha! ha! ha! ... Waslucifers,
heeren! Allemaal goed, vijf centen 'n doos!"--De jongen staat op en
gaat haastig een paar aankomende heeren te gemoet.
"Zeg, jongen! hei! ho! kom eens hier!" roept Dorus den jongen achterna,
terwijl hij hem een pakje doosjes toont, dat onder het spreken uit
zijn bakje is gevallen. "Je hebt een pakje doosjes verloren." Hij
staat op, loopt hem te gemoet en zegt: "Daar heb je ze terug."
"Dat is mooi van je," antwoordt de knaap, terwijl hij ze weer
opbergt. Daar heb je twee centen."
"Dank je, houd ze maar."
"Neen, neem ze maar gerust. Je zult toch wel een broodje lusten?" Dorus
aarzelt. "Pak aan dan!--Als jij de lucifers verloren hadt, had ik ze
gehouden; 'k had ze verpast, hoor!"
Dorus steekt de centen in den zak.
"Ik woon in den Duivelshoek," vervolgt de jongen, "in een gang;
in 't huis naast ons, onder de trap, is een hok; daar ligt hooi in
van den baas uit het _Kraaiende Haantje_, daar kun je van nacht in
slapen. Je slaapt er wat goed in; maar als de baas het merkt, krijg
je een pak ransel."
"Ik ben niet bang voor slaag."