PROCES VAN REHABILITATIE.

Het proces in 1431 te Rouaan tegen Jeanne gevoerd, had in de eerste

plaats een politieke strekking. Jeanne moest worden terechtgesteld als

ketterin en afgodendienares, omdat daarmede eens en voor altijd werd te

niet gedaan de waarde van al hare verklaringen omtrent de wettige

aanspraken van Karel VII op den troon van Frankrijk.

Het proces van rehabilitatie in 1456 te Rouaan gevoerd, heeft eveneens

eene politieke strekking en wel juist in tegenovergestelden zin. Het

vonnis van 1431 moet worden vernietigd, en Jeanne moet in eere en

aanzien worden hersteld, omdat men daarmede bewijzen wil, dat zij, die

den dauphin naar Reims gevoerd had, was gekomen met een opdracht van

God, en dat het dus God zelf was geweest, die Karel VII als den wettigen

koning had aangewezen.

Als wij Karel VII in 1450 de eerste voorloopige stappen zien doen om

tot een revisie van het vonnis van 1431 te geraken, kunnen wij hem met

droge oogen volgen en behoeven wij ons geen oogenblik illusie te maken,

dat hij handelt onder den machtigen drang van wroeging en berouw. Hij

veegt de stoep schoon voor zijn eigen deur, hij handelt zuiver uit

welbegrepen eigenbelang, het komt hem minder gewenscht voor, dat zij, op

wier aandringen hij zich te Reims heeft laten kronen, in de annalen van

de Kerk en van de Inquisitie geboekt blijft staan als heks en ketterin.

De eerste pogingen van Karel VII hebben evenwel weinig succes. Het bevel

tot revisie van een kerkelijk proces moet van Rome uitgaan, en Rome of

liever gezegd de toenmalige Paus, Nicolaas V, heeft er weinig ooren

naar. Het feit, dat de eerste pogingen uitgingen van het Fransche Hof,

bracht de politieke kant van de zaak openlijk te veel naar voren. Rome

had er op dat oogenblik te veel belang bij om Engeland, dat natuurlijk

ook Katholiek was, niet te kwetsen.

Na eenig wikken en wegen vindt men een middel. De familie, d. w. z.

de moeder en de beide broers van Jeanne leven nog, en het ligt dus

geheel op hun weg de noodige stappen te doen om, zoo mogelijk, tot een

herziening van het onteerende vonnis te komen en de nagedachtenis van

Jeanne weer te rehabiliteeren.

Het is Paus Calixtus III, Alphonse Borgia, die de zaak eindelijk ernstig

aanpakt en in Juni 1455 zijn toestemming geeft. Er is heel wat beleid en

voorzichtigheid noodig om de zaak goed in elkaar te zetten. Het doel dat

men voor oogen heeft, moet bereikt worden, Jeanne moet gerehabiliteerd

worden, maar aan den anderen kant zijn er machten en personen, die een

werkzaam deel aan het eerste proces genomen hadden en die men ontzien

moet.

Uit de geheele opzet van het proces en uit de wijze waarop het gevoerd

wordt, blijkt wel duidelijk, en dit is van groot belang, dat van te

voren heeft vastgestaan, hoe ver men gaan zal, en dat onder andere het

resultaat zal zijn een bekrachtiging van de straffeloosheid der ware

schuldigen.

De Parijsche Universiteit b.v. moet men te vriend houden en moet er

zonder te veel kleerscheuren afkomen. Er wordt daarom uitgemaakt, dat

de Sorbonne ter goeder trouw was afgegaan op de twaalf artikelen. Van

het feit dat de twaalf artikelen een valsch en bedriegelijk beeld van

de zaak gaven, kan men de Sorbonne geen verwijt maken, en men kan haar

dus buiten het geding laten. Maar zondenbokken heeft men noodig en als

zoodanig worden uitverkoren Cauchon, de leider van het gansche proces en

de promotor Guilleaume d'Estivet, beiden overleden als het tweede proces

aanvangt.

Tegen 12 December 1455 worden de beschuldigers, allen, die iets ten

nadeele van Jeanne wenschen te verklaren, opgeroepen om te Rouaan te

verschijnen. Niemand komt op.

Daarna wordt een aanvang gemaakt met het onderzoek te Domremy,

Vaucouleurs, Poitiers, Chinon, Orléans, enz. enz., alleen niet te Reims

en te Compiègne, en evenals in 1431 wordt een heele reeks van zorgvuldig

uitgekozen getuigen gehoord.

Voor de biographen van Jeanne en in het algemeen voor allen, die

belang stellen in haar geschiedenis, is het proces van rehabilitatie

voornamelijk hierom van belang, dat het door de talrijke en uitvoerige

getuigen-verklaringen, een aanvulling vormt op het eerste proces.

De mise en scène is weer grandioos, en het geheele proces wordt met

buitengewone plechtigheid gevoerd. Men was hiertoe in staat gesteld

door den koning, die alle kosten voor zijn rekening nam. Zelfs de

overhandiging van het eerste verzoekschrift van de familie van Jeanne,

geschiedt zoo officieel mogelijk in de Notre Dame te Parijs. De

aartsbisschop van Reims, de Bisschop van Parijs en meester Jean Bréhal,

Inquisiteur, zijn daar om het verzoekschrift in ontvangst te nemen van

Isabelle Romée, de moeder van Jeanne, (haar vader en Jacquemin, haar

oudste broer, waren van verdriet gestorven) die hun, onder luid snikken,

in rouwkleeren gehuld en in knielende houding, nadert. De talrijke

menigte, die is toegestroomd, doet de gansche kerk weergalmen van hare

zuchten en weeklachten.

Dadelijk, bij de voorloopige verhooren, krijgen wij reeds belangrijke

mededeelingen, o. a. van broeder Toutmouillé, die Jeanne gezien had

den laatsten dag van haar leven en naast Cauchon stond, toen Jeanne

hem geeselde met de woorden: »Bisschop, ik sterf door Uw schuld!« En

vervolgens de verklaringen van Isambart de la Pierre, die officieel

bevestigt den uitval van Cauchon: »Zwijg voor den duivel« en die er bij

was geweest dat Cauchon, toen hij op den laatsten dag de gevangenis

verliet, de Engelschen gerust stelde met de woorden: »Farewell, eet

lekker, het is in orde«.

En dan in het eigenlijke proces, de verklaringen van hen, die Jeanne in

hare kinderjaren gekend hadden, van hen, die met haar gestreden hadden

en eindelijk van hen, die bij het eerste proces waren betrokken geweest.

Hauviette, Mengette en Isabellette, de drie vriendinnetjes van Jeanne,

worden gehoord. Hauviette vertelt ons: »Ze was zoo goed en ik hield

zooveel van haar. Ze was mijn vriendin«. Van Isabellette hooren wij dat

Jeanne armen en ongelukkigen lief had en ze gaarne hielp. Voor hen was

ze zelfs steeds bereid haar bedje af te staan en zelf op den grond bij

den haard te gaan slapen.

Merkwaardig en in het oog loopend is, dat de meeste verklaringen van de

getuigen uit Domremy, een punt gemeen hebben. Luister maar:

Hauviette: »Jeanne was goed, eenvoudig en zacht«.

Mengette: »Het was een goed, eenvoudig en vroom meisje«.

Isabellette: »Zij was zelfs eenvoudig en goed«.

Katharina (van Vaucouleurs): »Zij was een goed, eenvoudig, zacht en zeer

bescheiden meisje«.

Gérardin: »Zij was bescheiden, eenvoudig en vroom«.

Simonin Musnier: »Jeannette was goed, eenvoudig en vroom«.

Perrin de klokkenluider van Domremy: »Jeannette was steeds een goed,

kuisch, eenvoudig meisje«.

En tot slot de pastoor van Domremy: »Jeannette was een goed, eenvoudig

en welopgevoed meisje«.

Is het toeval dat die eenvoud van Jeanne zoo naar voren wordt gebracht

of moeten wij met Anatole France mede gaan en het woord »simple«

eenigszins nemen in den zin van het Hollandsche woord »simpel« en m. a.

w. constateeren, dat het er in het proces van rehabilitatie om te doen

was Jeanne voor te stellen als een meisje dat, laten we het eenigszins

familiaar mogen zeggen »ze niet alle vijf bij elkaar had«, en dat hare

rechters in het eerste proces niet had kunnen volgen en niet begrepen

had? Dit drijven van de rechters in 1456 zou volgens die opvatting nog

bovendien het voordeel gehad hebben, dat het Gods almacht beter deed

uitkomen, die zich van een dergelijk »simpel« persoontje bediend had

om het wettige en door Hem uitverkoren koningshuis in Frankrijk te

herstellen. Ik geloof van neen. Het zou te mal, het zou absurd zijn.

Een dergelijk drijven zou toch ook niet vol te houden zijn geweest en in

botsing zijn gekomen met de verklaringen van de getuigen van de tweede

groep n.l. van hen, die Jeanne in actie hadden gezien, die aan haar

zijde gestreden hadden en die zij door haar helder doorzicht en hare

daden dikwijls in verrukking had gebracht.

Ik geloof eerder dat de getuigen uit Domremy met hunne verklaringen

omtrent den eenvoud van Jeanne, _die trouwens het antwoord bevatten op

de vastgestelde vragen, saamgevat in een en hetzelfde formulier_, moeten

bewijzen, dat zij Jeanne steeds gekend hadden als een dood gewoon, lief,

kalm schepseltje, meteen kinderlijk vroom gemoed, zonder eenige

bijzondere eerzucht of pretentie.

Met de verklaringen van oom Durand Laxart komen wij van Domremy tot

Vaucouleurs en de getuigenissen van Bertrand de Poulengy en Jean de

Metz, die ons bijzonderheden geven over de bezoeken aan Robert de

Beaudricourt, den tocht naar en het verblijf te Chinon. Van de commissie

te Poitiers worden slechts enkele leden gehoord.

Daarna volgen de hoofdpersonen van de tweede getuigengroep: Pasquerel,

de wapenbroeders van Jeanne: Dunois, de Gaucourt, d'Alençon, d'Aulon, de

page Louis de Contes en enkele burgers van Orléans. De verklaringen van

hen, die Jeanne op hare tochten vergezelden en aan hare zijde streden,

die haar soms dagen en nachten achtereen geen oogenblik verlieten, zijn

ook daarom van groot gewicht, omdat zij Jeanne, behalve in het gewoel

van den strijd, ook hadden leeren kennen in het meer intieme leven, en

steeds vol bewondering waren geweest voor haar groote ingetogenheid, en

haar buitengewone, ongeveinsde kuischheid.

En eindelijk wordt de rij gesloten door de droevige figuren van hen, die

deelgenomen hadden aan het eerste proces. Het zijn povere verschijningen

van meest hoog bejaarde geestelijken en monniken, die elk op hun manier

een houding zoeken om hun medeplichtigheid aan den dood van Jeanne te

doen vergeten en de schuld van zich af te schuiven. Er is er een, die

zich niets herinnert (zoo slecht nog niet bedacht), anderen die onder

luid snikken en weeklagen in hartverscheurende bewoordingen erkennen hoe

zij getroffen zijn geweest door de oprechte vroomheid van Jeanne in hare

laatste oogenblikken. De inquisiteur van het proces van 1431 wordt wel

gedagvaard en gezocht, maar niet gevonden. De griffiers en notarissen

zijn het ijverigst in het afbreken van Cauchon: hij is dood, hij is de

zondenbok, aan hem de schuld.

Maar een verklaring als die van den griffier Manchon, is behalve

bezwarend voor Cauchon toch ook wel heel interessant. Het is o. a.

daardoor, dat wij te weten zijn gekomen tot welke valsche listen en

lagen men zijn toevlucht heeft durven nemen om het arme slachtoffer er

in te laten loopen en ten val te brengen. Manchon weet uit den mond

van Warwick en Cauchon alle bijzonderheden omtrent de Judasrol door

Loiseleur gespeeld; hij verklapt ons dat er bij de verhooren, behalve de

officieele griffiers nog twee geheime schrijvers in de zaal verborgen

waren, die wanneer het op collationeeren aankwam, bleken uitsluitend

genoteerd te hebben wat bezwarend voor de beklaagde kon zijn. Door zijn

relaas is het ook, dat wij weten, dat sommige rechters met tegenzin

hebben deelgenomen aan het afschuwelijke proces, en dat zij, evenals

degenen, die Jeanne dorsten bijstaan met goeden raad, of iets in haar

voordeel waagden te berde te brengen, steeds door Cauchon's dreigementen

met banvloek of brandstapel, tot de orde geroepen en tot zwijgen

gebracht werden.

De eindzittingen van de rechtbank hadden met groote plechtigheid plaats

in de eerste week van Juli 1456, in het aartsbisschoppelijk paleis

te Rouaan, onder presidium van den aartsbisschop van Reims, Jean

Jouvenel des Ursins, en in tegenwoordigheid van Jean Bréhal, den

inquisiteur-generaal. De broer van Jeanne, Jean d'Arc vertegenwoordigt

de familie.

De voorbereiding van de zaak heeft zes maanden geduurd; thans zijn alle

getuigen gehoord. Petrus Maugier, Rijksprocureur bij de Universiteit

te Parijs en advocaat van de familie, heeft al zijne grieven tegen

het eerste proces uiteengezet, en den 7en Juli wordt de vertooning

gesloten, met de voorlezing van het vonnis, waarbij de rechtbank:

»uitspreekt, decreteert en verklaart, dat de gevoerde processen en

vonnissen, bezoedeld met bedrog, laster, onrechtvaardigheid, tegenspraak

en duidelijke dwaling... zijn geweest, van nul en geener waarde en te

niet worden gedaan«;

verder: »verklarende, dat op gezegde Jeanne en hare bloedverwanten, door

genoemde vonnissen geen enkele smet of vlek van eerloosheid kan rusten«.

* * * * *

In Orléans werd het resultaat van het tweede proces met groote vreugde

vernomen, en de vrienden van Jeanne vierden plechtig de rehabilitatie

van hun Heilige.

Jeanne d'Arc, de maagd van Orléans · 第 39 / 66 题