[1] „Wie er, zooals gebruikelijk is, ’n directeur op nawijst, dat hij
op recettes tukt en „de belangen der kunst verwaarloost”, maakt den
voozen indruk een verfijnd kunstkenner te zijn, terwijl-ie in waarheid
den kiezentrekkenden charlatan de concurrentie aandoet die op ’n
boerenkermis, bij ’t gebulk van lachende kinkels en tierende meiden, de
breedbekkige verzekering schort, dat de in haar wortels geknapte, door
bloed-gulp bestoven tand, ’r pijnloos uitscheurde. Het wreed, door
niets gemotiveerd geraas, dat den hollandschen theaterkoopman van
verschillende kunst-dandy’s—wier visie van kunst en maatschappij den
Droomleven-zelfkant verschalkt—bespringt, is volkomen ongeoorloofd. De
Theaterkas is dictator. Alleen zij. Er is bijna geen andere tak van
kunst aan te wijzen, waar het dàdelijk-nijpend verband tot de
bestaansvoorwaarden zich zóózeer openbaart, als bij ’t dobberend
geworstel van een theater-ondernemer, die aan de eene zij slaaf is van
den betalenden publieken smaak, aan de andere door ieder onwijs
kunst-potentaatje geringeloord en à contant benadeeld wordt. De
gezondste les voor de meeste dier heeren, die te over meestal vader van
het een of ander dramatisch product zijn, dat geen plankenland kan
beademen, ware ’n maand administratieve bezigheid in ’n
theaterbureau”....
„Aanteekeningen over Tooneel”, XXste Eeuw, Januari 1906.
[2] Het is wenschelijk dat bij Jan’s laatste woorden in I ’t licht
geleidelijk dooft, het tooneel even duister blijft en de droomhandeling
vervolgens zonder pauzeering worde voortgezet. De bedoeling is een stuk
zònder interruptie. Daar het te betwijfelen valt, of het tegenwoordig
publiek deze proefneming verdraagt, mag men tusschen I en II pauzeeren,
mits de zaak op de programma’s toegelicht worde.
Het geheele spel in II zij onwerkelijk en geschiedend als in de
koortsige verbeelding van het kind.
De Zwaan moet door een kinderstem gezegd worden en bewege zorgvuldig
mede.