ACHTSTE TOONEEL.

Sero, Droomelot, Regent.

REGENT. (is binnengetreden, terwijl zij in gedachten staat, en op de

teenen nader geslopen. Met de armen op den rug, staart hij haar

lachend-driest aan, waar zij in hulpeloozen schrik zich tegen den wand

dringt. Dan als zij met een ruk van de tafel wil springen, vangt hij

haar in de armen, houdt haar woest tegen zich aangedrukt) Lig je zoo

goed, m’n schat?

DROOMELOT. (smeekend) Laat los! Laat los! ’k Heb jou toch niets gedaan!

REGENT. Heb jij me niets gedaan! Ben ik niet dol van af ’t oogenblik

dat ik de warmte van je borsten heb gevoeld! Is niet de adem van jouw

mond... (zij klemt de hand voor de lippen) Weg met je hand, dat ik je

lippen kus!...

DROOMELOT. Ik smeek je: laat me los!

REGENT. Nee, nee, ik draag je zoo door hel en hemel heen! Weg met je

hand—ik bijt ’r in!

DROOMELOT. Ik zal zoo schreeuwen, dat de wachter op de gang...

REGENT. (naar de open deur kijkend, dan lang en hijgend in haar oogen)

Daar dan! (laat haar los) Als jij niet wil, dan wil ik—evenmin! (gaat

naar de deur, sluit die, keert terug. Zij leunt hijgend tegen de

tafel—hij, den stoel grijpend, leunt er achterwaarts tegen, houdt haar

met de loering van z’n oogen vast) Nu zijn we samen ongestoord! ’k Heb

als ’n beedlaar iedren dag wel drie-, wel viermaal door dat gat

gekeken—ik—ik, die nooit ’n vrouw wat vráág!... ’k Ben elken nacht nog

langs je deur gekomen en met ’n halven waanzin in m’n kop heb ’k

aangeklopt—heb ’k aangeklopt—ik, ik! Wil jij dat ’k voor je kniel, dat

ik m’n hoofd buig naar je voetjes, je kleine voetjes, die ’k zou willen

zién... Ik hou van jou, hou van je lippen en je tanden, je mond zooals

geen ander heeft, je zijjen wimpers en je poppe-ooren, je kin, je

hals—je heele lijf! Jij heb—jij heb me gèk gemaakt door ’t altijd

schuilen van je oogen, door ’t schuchter spel van je gezicht—en door—en

door—wat ik niet zeggen kan—wat ìk niet zeggen kan, ik, ik!... Nu vraag

’k voor ’t laatst, voor ’t allerlaatst: màg ik je in mijn armen

grijpen, màg ik je kussen op je mond, je haar—en van jouw lippen weer

m’n dag- en nachtrust zuigen?

DROOMELOT. (met neergeslagen oogen) M’n vader en m’n moeder hebben me

gekust—nooit iemand anders... En dan... En dan...

REGENT. En dan!

DROOMELOT. Hoe kàn ’k iemand kussen, als ’n—als ’n vriend—die van mijn

vader is de ergste vijand.

REGENT. Dat ben ik nièt—als jij ’t niet wìl!

DROOMELOT. (hem aanziend) Heb ik dat in mijn macht?

REGENT. Jij kan me laten kruipen door je lach en door je witte tanden!

Wat sla je nu je wimpers neer? Ben ik zoo leelijk, Droomelot? Heb ik ’n

bochel of ’n horrelvoet?

DROOMELOT. (weer angstig tegen de tafel) Ik kàn niet in jouw oogen

zien!

REGENT. (bedwongen) Kun je dàt niet?

DROOMELOT. Ik kàn ’t niet!

REGENT. Ook niet als ’k goud en paarlen om je jonge schoeren hang? Ook

niet als ’k hèm laat gaan, wat ’k gister en eergister telkens weer

beloofde?... (met geweld haar handen vattend) ’k Heb al die nachten in

’n koorts geleefd en ’t hijgen van je borsten zoo gedroomd, als toen

dien eersten dag, toen jij ze schutte met je kouwe handjes!

DROOMELOT. (worstelt zich los, wijkt tot dicht bij de schouw) Laat

eerst m’n vader vrij...

REGENT. (onstuimig) En als-ie ’t is?

DROOMELOT. (zacht en op schreien af) Dan geef je mij een kus—en ik zal

jou een geven...

REGENT. Een? Een! Ik tel je heele lichaam af! Hij ’s vrij!

DROOMELOT. Wanneer?

REGENT. Vandaag!

DROOMELOT. Nog vóór den avond?

REGENT. Nog voor... Nog voor... Wanneer jij wil!

DROOMELOT. Als je onwaarheid spreekt—en me beliegt!

REGENT. Ik geef m’n woord! M’n woord! Kom dichterbij! Ik heb wat voor

je meegebracht, dat ’k zelf moet om je naakte halsje leggen (toont

parelsnoer).

DROOMELOT. (doodelijk bevreesd) Ik draag alleen m’n moeders beeld!

REGENT. Dan hou je dit en draagt dat van je moeder... Of hebben ze dat

afgenomen?

DROOMELOT. Nee. Nee. Ik heb ’t daar! (met gebaar naar slaapstee).

REGENT. Haal ’t dan hier...

DROOMELOT. Waarom? Waarom? Ik wil niet ruilen!

REGENT. Dat hoeft niet—haal ’t hier! (gaat haar na, verspert haar den

weg).

DROOMELOT. Je zei... Je zei...

REGENT. Ik zei... Ik zei... (dringt haar in de slaapstee).

DROOMELOT. Hulp vader, vader, vadertje!

SERO. (die met ’t hoofd in de handen gebukt heeft gezeten, staat

onrustig op, staart luisterend voor zich uit, zet zich opnieuw en

sorteert).

—DOEK—

Verzamelde Tooneelspelen en opstellen-over-tooneel, deel 1-2 · 第 154 / 167 题