Sero, Droomelot, Regent.
REGENT. (is binnengetreden, terwijl zij in gedachten staat, en op de
teenen nader geslopen. Met de armen op den rug, staart hij haar
lachend-driest aan, waar zij in hulpeloozen schrik zich tegen den wand
dringt. Dan als zij met een ruk van de tafel wil springen, vangt hij
haar in de armen, houdt haar woest tegen zich aangedrukt) Lig je zoo
goed, m’n schat?
DROOMELOT. (smeekend) Laat los! Laat los! ’k Heb jou toch niets gedaan!
REGENT. Heb jij me niets gedaan! Ben ik niet dol van af ’t oogenblik
dat ik de warmte van je borsten heb gevoeld! Is niet de adem van jouw
mond... (zij klemt de hand voor de lippen) Weg met je hand, dat ik je
lippen kus!...
DROOMELOT. Ik smeek je: laat me los!
REGENT. Nee, nee, ik draag je zoo door hel en hemel heen! Weg met je
hand—ik bijt ’r in!
DROOMELOT. Ik zal zoo schreeuwen, dat de wachter op de gang...
REGENT. (naar de open deur kijkend, dan lang en hijgend in haar oogen)
Daar dan! (laat haar los) Als jij niet wil, dan wil ik—evenmin! (gaat
naar de deur, sluit die, keert terug. Zij leunt hijgend tegen de
tafel—hij, den stoel grijpend, leunt er achterwaarts tegen, houdt haar
met de loering van z’n oogen vast) Nu zijn we samen ongestoord! ’k Heb
als ’n beedlaar iedren dag wel drie-, wel viermaal door dat gat
gekeken—ik—ik, die nooit ’n vrouw wat vráág!... ’k Ben elken nacht nog
langs je deur gekomen en met ’n halven waanzin in m’n kop heb ’k
aangeklopt—heb ’k aangeklopt—ik, ik! Wil jij dat ’k voor je kniel, dat
ik m’n hoofd buig naar je voetjes, je kleine voetjes, die ’k zou willen
zién... Ik hou van jou, hou van je lippen en je tanden, je mond zooals
geen ander heeft, je zijjen wimpers en je poppe-ooren, je kin, je
hals—je heele lijf! Jij heb—jij heb me gèk gemaakt door ’t altijd
schuilen van je oogen, door ’t schuchter spel van je gezicht—en door—en
door—wat ik niet zeggen kan—wat ìk niet zeggen kan, ik, ik!... Nu vraag
’k voor ’t laatst, voor ’t allerlaatst: màg ik je in mijn armen
grijpen, màg ik je kussen op je mond, je haar—en van jouw lippen weer
m’n dag- en nachtrust zuigen?
DROOMELOT. (met neergeslagen oogen) M’n vader en m’n moeder hebben me
gekust—nooit iemand anders... En dan... En dan...
REGENT. En dan!
DROOMELOT. Hoe kàn ’k iemand kussen, als ’n—als ’n vriend—die van mijn
vader is de ergste vijand.
REGENT. Dat ben ik nièt—als jij ’t niet wìl!
DROOMELOT. (hem aanziend) Heb ik dat in mijn macht?
REGENT. Jij kan me laten kruipen door je lach en door je witte tanden!
Wat sla je nu je wimpers neer? Ben ik zoo leelijk, Droomelot? Heb ik ’n
bochel of ’n horrelvoet?
DROOMELOT. (weer angstig tegen de tafel) Ik kàn niet in jouw oogen
zien!
REGENT. (bedwongen) Kun je dàt niet?
DROOMELOT. Ik kàn ’t niet!
REGENT. Ook niet als ’k goud en paarlen om je jonge schoeren hang? Ook
niet als ’k hèm laat gaan, wat ’k gister en eergister telkens weer
beloofde?... (met geweld haar handen vattend) ’k Heb al die nachten in
’n koorts geleefd en ’t hijgen van je borsten zoo gedroomd, als toen
dien eersten dag, toen jij ze schutte met je kouwe handjes!
DROOMELOT. (worstelt zich los, wijkt tot dicht bij de schouw) Laat
eerst m’n vader vrij...
REGENT. (onstuimig) En als-ie ’t is?
DROOMELOT. (zacht en op schreien af) Dan geef je mij een kus—en ik zal
jou een geven...
REGENT. Een? Een! Ik tel je heele lichaam af! Hij ’s vrij!
DROOMELOT. Wanneer?
REGENT. Vandaag!
DROOMELOT. Nog vóór den avond?
REGENT. Nog voor... Nog voor... Wanneer jij wil!
DROOMELOT. Als je onwaarheid spreekt—en me beliegt!
REGENT. Ik geef m’n woord! M’n woord! Kom dichterbij! Ik heb wat voor
je meegebracht, dat ’k zelf moet om je naakte halsje leggen (toont
parelsnoer).
DROOMELOT. (doodelijk bevreesd) Ik draag alleen m’n moeders beeld!
REGENT. Dan hou je dit en draagt dat van je moeder... Of hebben ze dat
afgenomen?
DROOMELOT. Nee. Nee. Ik heb ’t daar! (met gebaar naar slaapstee).
REGENT. Haal ’t dan hier...
DROOMELOT. Waarom? Waarom? Ik wil niet ruilen!
REGENT. Dat hoeft niet—haal ’t hier! (gaat haar na, verspert haar den
weg).
DROOMELOT. Je zei... Je zei...
REGENT. Ik zei... Ik zei... (dringt haar in de slaapstee).
DROOMELOT. Hulp vader, vader, vadertje!
SERO. (die met ’t hoofd in de handen gebukt heeft gezeten, staat
onrustig op, staart luisterend voor zich uit, zet zich opnieuw en
sorteert).
—DOEK—