Sachel. Rose.
ROSE. (verlegen angstig) .... Of we langer tegen mekaar te keer gaan.
SACHEL. (angstig) Dus géén centen?—Geen driè, geen vièr?
ROSE. Nee, Sachel.
SACHEL. Heb ’k gedacht! Bloedzuigster! (wringt zich de handen). Daar
heb jij maling an, hè, of ’k hulpeloos achterblijf, of ’k op me ouwen
dag in me eentje krepeer.....
ROSE. Daar heb ’k geen maling an—je kon ’n dochter an me krijgen—je wil
niet....
SACHEL. (kwaadaardig) Neè!
ROSE. ....Je kon ’n rùstigen ouwen dag hebben—we zouen alles doen om ’t
je na je zin te maken—nooit heb ik ’n thuis gehad—nooit wat,
wat—warmte—zoo min as jij—jij was blind—ik alleen.—Zou je bij—zou je
bij Rebecca, as-diè je schoondochter werd, gelukkiger zijn? Ik ken je
gewoonten, weet hoe je ’t wil, waar ’t vischservies staat, waar ’t
vleeschservies.... ’k Zal op Vrijdagavond de lampen ansteken.... ’k Zal
op Zaterdag je brieven openscheuren.... Heb je niet zelf gezeid,
honderd maal, dat niemand beter je pijp ken stoppen as ik?.... ’k Zal
’n dòchter voor je zijn, omdat ’k van Rafaël hou—en ook van jou....
SACHEL. ....Hou op met je geklets! Denk je dat ìk bij jòù zou willen
inwonen—eten ’t eten dat door jòùw handen onrein wordt?—nog geen korst
brood—nog geen druppel water! Inwonen, bij jou—kinderen zien kommen,
kinderen zonder God, zonder wet, kinderen, die d’r blinden grootvader
zouen bespotten om z’n geloof!—Inwonen bij jou, om an te hooren,
later—dat kòmt ’r van!—dat kòmt ’r van!—hoe jij hèm verwijt, hij
jou!—anzitten an de Sjabbestafel met jou, met jou, met jòù, ’n christen
vrouw!—Liever lei ’k me ziek—liever beet ’k me tong af—liever kreeg ’k
’n verlamming!
ROSE. (angstig) Dan leit ’t toch niet an òns.... Dan hebben wij geen
schuld.... (een stilte).... Dag, Sachel. (een stilte). Dag, Sachel.
SACHEL. (wild opspringend).... Weg van me huis! Weg van ’t erf, waar me
heele geslacht heeft gelejen! Weg dieveg van me zoon, vloek van me
zoon, ondergang van me zoon! Weg, of, of.... (driftig gebarend,
struikelt hij, valt met ’n knie op den grond).
ROSE. (angstig) Heb je je pijn gedaan? (hij kreunt) Zal ’k je na de
bank terugbrengen?
SACHEL. (smartelijk de knie wrijvend).... Blijf van me af! Ruk uit!
Jouw beklag ken ’k missen! Zal me wel meer gebeuren, as ’k niemand meer
heb. Ruk uit! Ruk uit! (zij sluipt houdingloos naar de poort. Onbewogen
luistert hij, tot-ie meent, dat ze weg is. Dan, het hoofd in de handen
gestut, barst-ie in bedwongen geweeklaag los).
ROSE. (komt zacht op hem toe, legt een hand op z’n schouder. Hij
schrikt op) Sachel....
SACHEL. (kwaadaardig) Ruk uit! Wat doe je hier! Wat mot je nog?
ROSE. (naast hem zittend)...... As ’k hèm niet heb, Sachel, heb ’k niks
meer, niks, niks.... O, jij weet niet wat niks is....
SACHEL. (dof).... Ik? Ik?—Ik zou dat niet weten....
ROSE. Jij ook, jij ook. Maar niet zoo.