EERSTE TOONEEL.

Rose. Rafaël.

RAFAËL (binnentredend). Waar is vader? Waar is tante?

ROSE. Ze zijn nog niet terug uit de kerk. We zijn alleen—Goddank!

RAFAËL. Huil je?

ROSE. Raak me niet an! Raak me niet an!

RAFAËL. Hebben ze je....? Wat is ’r? Kom, huil zoo niet!

ROSE. O, dat ik naar jou geluisterd heb!

RAFAËL. Is ’r iets gebeurd? Wat dan?

ROSE. Laat me met rust! Ik walg van je! Ik haat je! Ik haat jullie

allemaal! O, o, dat ’k sterven kon, dat God me zoo dadelijk liet

doodblijven!

RAFAËL. Heeft vader je iets gezegd? Heeft tante.....

ROSE (zich hysterisch opwindend). Nee! Nee! Raak me niet an! Ik wìl

door jou niet gezoend worden!

RAFAËL. Màlle meid! Ben ik niet je man, jij m’n vróúw?

ROSE. Ik je vrouw! Ik! Ik! Hahaha! ’t Is om te schateren! Ik, je

tijdverdrijf....

RAFAËL. Rose!

ROSE. Ik, wat ben ìk! Ik die niks op de wereld heb—ik die me moet laten

trappen door je vader—door je tante—door elken jood die hier komt!

RAFAËL. Jóód?—Jood?—Waarom zeg jij jood?

ROSE. Jood, jood! Wat kan ’t me schelen! ’k Ben hier ’n vreemde! ’n

Vreemde voor je vader! ’n Vreemde voor je tante! ’n Vreemde voor den

eersten den besten jood!—’k Ben máár de Sjabbesmeid—ik mag de lampen

opsteken—ik mag an ’t vuur kommen—ik met m’n vréémde handen—ik, hun

mèid, hun mèid! En jij—jij ben als de àndren—je ben ’n jood zooals zij!

RAFAËL (neemt haar hand). Wat verneder je jezelf.... Ik weet niet wàt

de oorzaak is, dat je zoo opgewonden ben, zoo buiten jezelf, zoo ruw,

zoo grof... Maar, ik weet wèl, Rose, dat je dàt woord nièt meer moet

zeggen. ’t Herinnert me an zoo’n boel. Nee, laat me je hand houen. Zóó

zitten we met de óúwe vertrouwelijkheid.—Toen ’k ’n kind was—met andere

jongens wou spelen—scholden ze voor jood—smàùs. ’k Wist niet waarom.

Zij ook niet. Ze deeën ’t uit gewoonte. Maar ’t dee pijn. Want als kind

vroeg je jezelf: is er iets bijzonders aan me? Heb ik iets gedaan? Ben

ik anders dan zij? Wat is ’n jood? Wat?... (begint met haar zilveren

kruisje te spelen) Soms smeten ze met steenen, riepen: jullie hebben

Jezus gekruizigd! Ik klaagde. Moeder zei dan: je moet er om lachen—je

moet er aan wènnen.—Eens op school—’k had niet opgelet—trok de meester

me uit de bank, gaf me ’n klap, zei: in den hoek staan, jood! Ik stònd

’n uur in den hoek, ik, de eenige jood van die school en door m’n zotte

tranen zag ’k de jongens die lachten—den meester, de banken...... En ’n

wrok kwam in me. ’k Had dien man kunnen rànselen. Wáárom was ik ’n

geteekende? Wáárom zeien ze jood?...—Zóó begon ’t. Zoo hoorde ik ’t in

m’n jeugd. Zoo blééf ’t.—Moeder stierf. Den dag dat ze begraven werd,

gingen we achter de kist, vader, ik, m’n ooms, de vrienden. Op ’n hoek

van ’n straat stond ’n slager—’k weet z’n gezicht nog—die lachte.—„Daar

gaat ’n dooie jodin”, hoorde ’k ’m zeggen.—Vader werd blind. Den

eersten dag dat ’k ’m leidde, liep hij tegen een man aan en die

schimpte: „kijk waar je loopt, jood!”.... Wil je meer? Is ’t genoeg.

Hoor je dat ’t woord me niet heelemaal vreemd is?

ROSE. Rafaël....

RAFAËL. Als kind dee ’t pijn, had ’k ’t gevoel alsof ik ’n merkteeken

droeg, alsof jood-zijn ’n slecht ding is. Ik leerde, keek om me heen.

En òveral zag ’k de wrijving—de vijandschap van de rassen—de

vijandschap van de ongelukkige godsdienstjes. Als man, lieve vrouw, heb

’k dat gevoel van verbittering verloren, is er iets in me open gegaan,

dat me meelijden, innig meelijden heeft gegeven met wie jood-schimpen

kàn. Doe ’t niet meer. Nóóit meer. Hoor je, nóóit meer! Zie ons hier

zitten—jij—’t is om te lachen!—’n christin—ik—hahaha!—’n jood! Hoe

kunnen wij twee, als we elkander in de oogen zien—an zulke dingen

denken....

ROSE. Je heb gelijk—Jij ben beter dan ik, wijzer dan ik. Maar ’k was

zoo wanhopig, zoo op! En nog, nog! Hebben ze je niks gezegd?

RAFAËL. Gezegd?

ROSE. Gisteravond zat ’k dáár, bij de deur. Aaron was hier, praatte met

je vader, met je tante....

RAFAËL. Over z’n dochter Rebecca, die drieduizend gulden inbrengt—ik

weet het, hahaha!

ROSE. Je weet ’t.... O, ze halen je van me af.... Ik ben bang voor je

vader, durf ’m niet anzien. Alles hoort-ie in m’n stem.... Wat moet ’r

van me worden! Als ze ’t begrijpen zetten ze me op straat. Zij hebben

rechten. Voor mij ’n ander. En dan? En dan? Ik wou dat ’k niet geboren

was. Dat hoort God!

RAFAËL. Nou heb ’k je aangehoord. Zie je—ik glimlach. ’k Glimlach omdat

je bàng ben voor ’n meisje dat ’k niet ken, misschien èèns heb

gesproken.

ROSE. Zoo gaat ’t altijd bij....

RAFAËL.... Bij ons.

ROSE. Bij jullie. Heeft Meijer z’n dochter niet—gekoppeld an den zoon

van Markus? Hadden die twee mekaar ooit gezien? Hebben de vaders ’t

niet in orde gebracht? Rafaël belieg me niet!....

RAFAËL. Ben ’k zoo week, zoo karakterloos dat je spoken ziet waar ze

niet zijn, dat je maar één oogenblik kan denken, dat ik.... ìk.... ìk!

Hahaha!—Ik verkocht!—Ik die begìn te leven! Ik hokkend met zóó’n vrouw!

Ik bruidcenten tellend! Ik, ingezegend! Ik die geen jóód meer ben! Ik

m’n nek buigen!.... En gaan we niet hier vandaan?

ROSE. Is dat waar?

RAFAËL. Eergister heb ’k m’n vader gezegd, dat ’k niet langer blijf.

ROSE. Meen je ’t? Méén je ’t? En gaan we vèr weg—waar de menschen ons

niet kennen, jou niet, mij niet?

RAFAËL. Wáárom zouen we vèr weg gaan? Waarom ons verbergen? Kunnen we

niet met trots komen waar we willen? Diè tijd is voorbij. ’t Wordt

lichter, domme meid!

ROSE. Dus je neemt hààr niet?

RAFAËL. Ben ’k niet getrouwd?

ROSE. Ja, ja, ja, we zìjn getrouwd! ’t Was alles malligheid van

me—angst—wantrouwen! Zie je, wanneer jij altijd bij me blijven kon—zoo

dicht bij me, zou ’k lachen om de hééle wereld—De wereld is slecht

niewaar, niewaar Rafaël?

RAFAËL. Nog is ze ’t. Maar ’n nieùwe tijd breekt aan. ’t Was me zoo

zonderling toen vader me sprak van dat meisje—toen-ie belóófde dat

ik—alleen de zaak mocht drijven—als ’k blééf—als ’k hààr nam. Ik heb ’m

verwonderd aangekeken. Hoe is ’t mogelijk dat twee levens zóó van

elkaar komen te staan—’t leven van ’n vader—’t leven van ’n zoon!....

’k Heb ’m gezegd dat ’t niet gebeuren kòn, dat ’k weg moet.

ROSE. Weg moèt? Zul je làter geen berouw hebben dat je gekozen heb

tusschen hem en mij?

RAFAËL (haar op zijn schoot trekkend). Ik kies niet tusschen joù en

hèm! Jij ben ’n deel van m’n leven.

ROSE. Hij is blind....

RAFAËL. Maak je geen verwijten. Ik kàn je niet alles zeggen—wil ’t

niet.

ROSE. Heb je ’m niets verteld van òns?

RAFAËL. Nòg niet. Eerst als jij ’t huis uit ben. Eerst dàn. Jij zou hun

schimp, hun haat niet verdragen. Je kent ze niet. Niet zooals ìk ze

ken. Krijg ’k nou, groot, achterdochtig kind, wat ze in de boeken

noemen: ’n verzoeningskus?

ROSE. Tien! (zij wil hem omhelzen—hij houdt haar tegen).... Wat kijk

je?

RAFAËL (haar kruisje aantikkend). Naar dàt. Gister droeg je ’t. Vandaag

draag je ’t weer. En we hadden afgesproken....

ROSE (aarzelend).... Dat hadden we....

RAFAËL.... En?....

ROSE.... ’t Is de eenige herinnering aan....

RAFAËL.... Praat uit.

ROSE.... Aan m’n moeder die ’k niet gekend heb.

RAFAËL. Alleen an haar?—Hoor je niet wat ’k vraag?—In geen twee maanden

heb ’k dat—dat—souvenir aan je hals gezien....

ROSE (aarzelend). Toen ’k hoorde dat ze jou wouen koppelen—aan de

dochter van Aaron—heb ’k—wees ’r niet boos om!—den heelen nacht liggen

huilen—met m’n moeder gepraat....

RAFAËL. Enkel met je moeder?—Waren ’r geen àndere herinneringen aan

dat—aan dat—aan dat dingetje verbonden?—Je antwoordt wéér niet,

Rose—Heb je ’r bij liggen bidden?—Ja, natuurlijk!—En durf je dat niet

te zeggen? Is ’t al zoover, dat ik de kleine tyran ben, voor wien jij

zulke vrééselijke zaken verborgen houdt? Jij gans! Jij, onnoozel

kind!—Mag ’k ’t loshaken?—Loshaken vóór je me zoent?—(zij knikt)—Zou

jij, als ze dien armen, grooten jood—INRI!—dien Koning der joden, niet

aan ’n kruis, maar aan ’n galg doodgemarteld hadden, zou jij dan ’n

zilveren galg, in plaats van dat op je borst dragen?—Denk jij, altijd

aarzelend kind, dat de rijke jood (houdt het kruisje voor zich uit),

dien ze op dit latwerk, naast misdadigers hebben gepijnigd, denk je,

dat-ie ook maar één woord zou hebben gesproken, als-ie had kunnen

voorzien?—voorzien de verwoesting, de domme vijandschap...?

Asjeblief... (overreikt haar het crucifix).

ROSE. Hou jij ’t.

RAFAËL. Nee. ’t Is ’n aandenken van je mòèder.

ROSE. Bewaar jij ’t. Als ’k jóu heb, heb ’k geen aandenken noodig.

RAFAËL (het in z’n zak stekend). Laten we zeggen ’n talisman—en ’n

teeken—van hoe ’t misschien—misschien—eens overal zal gaan

(glimlachend). Elk huis z’n kruis zeggen ze. Elk huis zònder kruis—maar

mèt genegenheid voor anderen, willen we hopen. Nou? Moet ’k nog

lang....

ROSE. Lieve, beste Rafaël.... (wil hem omhelzen).

RAFAËL (haar weer tegenhoudend). Nee, even nog! Zul je nooit meer ’t

woord uit je mond laten vallen, dat je daar straks in je boosheid

gezegd heb? Nooit weer zoo klein zijn voor jood te schimpen?

ROSE (lachend). Nooit meer.

RAFAËL. Goed. ’k Neem de belofte van je lippen. En die neem ’k nog

eens. Want ’n tweede keer—’n tweede keer, versta me wel—zou ’k ’t niet

als ’n boosheid, niet als ’n domheid voelen—maar als iets anders—dat

ons sterker van mekaar zou halen—dan—dan bedrog of overspel. Begrijp

je?

ROSE. Ik begrijp alleen dat ’k van je hóú.

RAFAËL. Houen is niet genoeg, Rose.

ROSE. Houen is alles! Als jij zooveel van mij hield als ik van jou, zou

je niet langer praten. Nee. Nee. O, nou zou ’k kunnen zingen! (even

weifelend, dan in beving van vreugde).... Want Rafaël, lieve Rafaël—’r

is nòg iets, dat ons bindt—iets zoo angstigs en heerlijks—de gedachte

aan ons kind...

RAFAËL (verrast).... Ons kind—ons kìnd?

ROSE (met zachte verrukking).... Ons kind... (vat zijn hoofd tusschen

haar handen, kust hem).

Verzamelde Tooneelspelen en opstellen-over-tooneel, deel 1-2 · 第 108 / 167 题