VIERDE TOONEEL.

Annie, Hope.

HOPE... Van z’n vrouw had je niet moeten spreken...

ANNIE. Niet van z’n vrouw?

HOPE. Nee. ’k Had geen gelegenheid je te waarschuwen—die twee zijn nog

niet samen aan ’t bedje geweest...

ANNIE. Meen je dat?... Zóó gebrouilleerd?... (Hope knikt)... Waarom?

HOPE. Waarom?... Ja waarom?... Zij is den heelen dag in ’t gezelschap

van „vrienden”—hij afficheert zich in ’t openbaar, zelfs hier, met z’n

maitresse... Tot vandaag lijken ze bij mekaar gebleven om de zieke

Ninette... Zóó als ’t stakkertje ’r niet meer is, maar ook zoo

dadelijk, laten die twee mekaar los... En dan mag ’t... Ze zijn al

gescheiden van... „tafel en bed”... ’n Huwelijk zonder kind is geen

huwelijk...

ANNIE.... Hoe kom je op den inval!

HOPE. Menschen zonder jullie geluk, zijn niet getrouwd—jullie huwelijk,

ja da’s zeker, is eerst door de geboorte van Tilleke begonnen... Vóor

dien tijd...

ANNIE. Hahaha!... Jan zou je uitlachen, als-ie je hoorde... Scheelt je

wat?

HOPE. (die met het hoofd in de handen gezeten heeft)... Niet sámen bij

’n sterfbedje—dat wordt ’t!—willen komen... O, o, wat is al dat gedoe

erger dan wanhopig—wat is ’t angstig ’n zoo harden kijk op ’t leven te

krijgen, als ik ’t hier dagelijks, dagelijks...

ANNIE. Hope—wat scheelt je?

HOPE.... ’n Beetje downheid—’n tikje moeiheid—Vannacht ben ’k ’r ’n

paar maal uit gemoeten—en die operatie aan dat lichaampje vanmorgen,

heeft me... (moeilijk)... Voor jou heb ’k geen geheimen, Ans—bij jou

heb ’k me zoo thuis gevoeld, na ’t werk in ’t Gesticht—ik ben ’r je zoo

dankbaar voor... Toen dat meisje onder de pijn lachte, lachte om ons te

overtuigen dat we ’r geen zeer hadden gedaan—toen had ze denzelfden

trek om den mond van—van zeker iemand...

ANNIE.... Van...

HOPE... Geen naam uitspreken. Denk aan de afspraak! (wrevelig)... Wat

’n mensch met karakter ben ik, hè? Als ’k ’r zoo iets uitflap, krijg ’k

’n gevoel van afkeer voor mezelf... (quasi-onverschillig)... Waar

hadden we ’t over?... Over Ninette. Over den band, den heiligen band,

zou dominee zeggen... Zondag heeft-ie ’r ’n boom over opgezet—over z’n

„heiligen band”—dat de menschen uit ’t dorp met d’r oogleden

knipperden... Alleen ìk niet... Ik weet te veel... Ons Gesticht is ’n

te vinnige illustratie op de heiligheid.... Kinderen, kinderen, denk ’k

zoo dikwijls, als ze d’r goddelijke spelletjes onder ons toezicht aan

’t strand spelen: jullie beseft je zegening niet, dat je in ’n

bandeloos Gesticht opgroeit, langzaam mensch wordt, zonder de wrok van

’n thuis, als de kleine Ninette, zonder ’t stil gehuil van je moeder,

zonder de drift om ’n kleinigheid van je vader..... Als ze in ’t zand

om me heen stoeien, me gierend van ’t lachen begraven, me met z’n tien,

twintig, dertig waarachtige broertjes en zusjes bestormen, krijg ’k

soms de tranen in m’n oogen—voel ’k me in ’t prachtigst gezin van de

wereld—’t gezin zooals ik ’t me verbeeld, dat ’t na eeuwen overal,

overal zijn zal—elk kind door z’n geboorte ’t kind van ieder—van

ieder—vaders bijzaak. (een stilte) ’k Ben blij dat de „mijne” me tot

die gedachten gebracht heeft.... dat ik ’r geen heb....

ANNIE (glimlachend)... Hope, Hope—hoe kun je dat alles zoo akelig

resoluut—haast zoo onvrouwelijk zeggen—terwijl Tilleke achter die deur

slaapt....

HOPE... Onvrouwelijk?... Ik met m’n zestig kinderen!... (scherp)...

Niet ieder kan... (zich inhoudend)... Neem me niet kwalijk, Ans... Ik

ben vandaag geen opwekkend gezelschap... (luchtig)... Hou jij je aan

den allerheiligsten band... van ’t geluk... (staat op, gaat naar den

erker. De meid brengt het thee-gerei. Annie schenkt het water. Van

dichtbij, benee, klinkt kindergejoel. Hope opent het venster, zwaait

met den arm...) Dag jongens! Dag! Dag Fritsje! Wil jij me vandaag niet

zien? (kinderstem: „Dag moeder!)... Dag Suus! Dag Suus! (Kinderstem:

„Dag moeder!”)... Dag Henk! Heb je erge pijn, dat je zoo hinkt,

kind?... (Kinderstem: „Nee, moeder! Dag moeder!”).... Foei, Foei, wat

laten Toos en Marie de kinderen hollen! Daar valt ’r al een... (de

handen als ’n roeper voor den mond)... Toos! Toos! Niet zoo dicht bij

de sluizen! Hoor je? (Vrouwestem: „Joe-oe-oe!”) Meer bij de duinen!

(Vrouwestem: „Joe-oe-oe!”).

ANNIE. Drink nu je thee—’t zal wel marcheeren!

HOPE. (naar de tafel). Zeldzaam zorgeloos die betaalde verpleegsters!

En die sluizen, zoo dicht bij ’t Gesticht, hinderen me elken dag...

Herinner jij je nog dien schippersjongen verleden jaar... Hoe-ie door

de zuiging....

ANNIE... Natuurlijk... Nee geen détails... Afschuwelijk!

HOPE. Goed. (zit neer)... Van dat Fritsje hou ’k dol-veel. Dat is ’n

schat van ’n bengel—’n dot—altijd ernstig—en ’n mondje! Als ’k voorbij

z’n bed ga, móét ’k ’m pakken—en in z’n slaap slaat-ie nog z’n armen om

m’n hals.

ANNIE. Is dat dat grappige broekmannetje, dat de eerste dagen om ’t

geringste vlóékte?

HOPE. Hahaha! Ja: obberdorie, obberdomme—goed zeggen kan-ie ’t niet! De

zusters maakten ’m in ’t begin telkens boos, om dat gebrabbel te

hooren—en omdat ik toen z’n partij trok, zijn we de beste maatjes

geworden. Smakelijk kopje, Ans. Gelukkig dat ’t ventje hiér is gekomen.

Als je ’m vroeg, babbelde-ie: me moeder zit in de hemel en me vader is

’n obberdommesche dief. Van z’n grootvader geleerd. Fijngevoelig als-ie

is! Moeder, zei-ie nog geen uur gelejen tegen me: ik hou van jou

zooveel, zooveel, ik hou van jou duizend. Aardig, hè? Aardig als iemand

duizend, duizend van je houdt....

Verzamelde Tooneelspelen en opstellen-over-tooneel, deel 1-2 · 第 80 / 167 题