Het tooneel is weer geheel als in het Eerste Bedrijf. De gordijnen zijn
voor het raam geschoven. Sien ligt in de achterste bedstee, Thijs in de
voorste, Jacob op den grond.
Jan, Thijs, Bet, Sien, Jacob.
JAN. Moederlief, hullep! Hullep! Me zwaan hebbe de bakker en Sien....
’t Bloed loopt op me bed—’t bloed loopt op me bed!...
BET (schril-angstig). Thijs!... Thijs!... Sta dan op Thijs!
(schreiend). De jongen is zoo naar!...
THIJS (uit de bedstee springend). Wat is ’r dan? Wat is ’r dan?
JAN (wild met de armen zwaaiend). ’t Bloed loopt uit z’n bek—z’n veere
zien d’r rood van.... Ze hebbe me zwaan—me zwaan....
BET. Toe Jan, me lieve jongen! Wat doe je vreemd, kind.... Wij benne
toch bij je.
JAN (krijschend). Me sterre benne gestole.... D’r leit ’r niet een
meer!...
THIJS. Nou!... Nou!... Je schreeuwt de bovenbure wakker....
BET. De dokter!... De dokter!... Hij sterft onder me hande!... Zie je
dat niet?...
JAN. Ze legge ’n lus om me hals!... Help me dan moeder!... Moeder!
THIJS (op het wekkertje kijkend). Hallef vier!... As-ie maar mee
wil.... ’t Is al tweemaal voor niks geweest (af).
JACOB (norsch). Hei-je pijn, Jan?... Jan!... Kom nou Jan! (belicht het
bed met de lamp).
SIEN (in de bedstee). Ken ’k soms hellepe, moeder?
JAN (wild z’n moeder wegstootend). Moord!... Moord!... Ik ken geen asem
meer krijge... Mijn doen ze ’t ook!.. Ik.... Ik.... Ik....
BET. Toe me jongen—kom tot je zellef—d’r doet je niemand wat....
Jantje.... Jantje!.... Ik ben ’t... Ik!... Za’k ’n kouwe doek op je
hoofie legge?... Wat?... Wat?...
JAN (zich opheffend, kijkt naar de raamgordijnen, gebaart er heen,
smakt achterover).
BET (met water en ’n doek, wijkt terug, laat alles vallen, stort op het
bed toe. Jacob schoorvoet naar het hoofdeinde, neemt aarzelend ’n
afgezakte hand). O! O! O!
THIJS (boven aan de trap). Hij komt in ’n kwartier....
JACOB. Niet meer noodig.... (trekt het laken over ’t hoofdje). Nou
moeder—de stumper is uit z’n lijje.... het uitkomst.... uitkomst, mo-je
denke....
Einde.
Scheveningen, Juli–September 1907.
VREEMDE JACHT.
EEN SPEL IN DRIE BEDRIJVEN
DOOR
HERM. HEIJERMANS JR.
Het recht van Opvoering nadrukkelijk voorbehouden
volgens de wet van 28 Juni 1881 (Staatsblad No. 124).
Voor de eerste maal opgevoerd te Amsterdam, op 24 December 1907.