VOORWOORD.

De noodig geworden herdrukken van verschillende Spelen, en de

„voorraad” nieuwe, deed tot de uitgave in dezen vorm besluiten.

Achtereenvolgens, niet in chronologische orde, zullen in deze Bundels

tooneelstukken en vroeger gepubliceerde opstellen-over-tooneel

verschijnen, de laatste voornamelijk om tegenover uitnemend-malle

tijdsverschijnselen de meening van iemand te stellen, die er van af

zijne eerste kleine daad voor het Hollandsch tooneel op wees, dat het

gekakel der velerlei stuurlieden-aan-den-wal, die dagelijks, wekelijks,

maandelijks, met gezwollen strotjes en zelfgenoegzame gebaren, de wegen

beduiden, die tot „verheffing van het tooneel” moeten voeren—dat het

gezwam dezer wijzen over „technische” tooneel-inrichting, over de

noodzakelijkheid van een „intiem tooneel”, over een „keurtroep”, over

stuitende „tendenz”, over........ „nieuwe idealen”—en wat voorts het

allegaartje van breede bepeinzing, mode en snobisme pleegt te baren—dat

het waanwijs en potsierlijk betoog dezer scribenten, die in den grond

op arbeid van anderen parasiteeren, in diepste mate belachelijk is.

Of men zich in het eigen land of daarbuiten bevindt: overal domineert

de wet, dat kunst en kunstenaars afhankelijk zijn, dat eene op

loondienst gebaseerde Gemeenschap in directe wisselwerking slechts dàt

klasse-vermaak op den duur duldt, hetwelk zich aan haar in

levensbeschouwing onderwerpt.

Deze maatschappij met haar verwelkte idealen, haar gemis aan respect

voor eigen verleden zelfs, kàn geen ander plankenland hebben dan zij

bezit.

Iedere poging, buiten maatschappelijke werking om, moge eenige jaren

bijzonderen schijn wekken—zij is voor den ontleder van het verval een

relletje.

De waarachtige hervorming van het tooneel, waarlijk bijzaak naast

zooveel gewichtiger aangelegenheden, heeft eene gezonde gelukkige,

sterke Gemeenschap noodig.

„Zullen?”, vroeg ’k in 1899 („Tooneel en Maatschappij”): „zullen dan al

de gewichtigen, pedantjes en half-wetenden, die met kunst en nog eens

met kunst sollen, nooit snappen, dat dezelfde fataliteitswet eene

kommerciëele maatschappij en haar verschijnselen beheerscht?... Het

verval van het tooneel is een camera-obscura-beeld van het verval der

maatschappij...”

Het verval in Holland—het zij, bij het in gang zetten dezer Serie en

tot besluit van een Voorwoord, dat in na te komen Opstellen behoorlijk

gedocumenteerden weerklank vindt, opgemerkt—is niet zoo deerlijk als

het verval in het buitenland.

Gewend als wij tam-nuchtere, betweterige Hollanders zijn, om alles wat

we in de meerendeels duffe geledingen van ons openbaar leven opletten,

met breeder geteem dan voor de beteekenis der zaak passend is, aan de

voornaam-geestelijke spelingen onzer ik-jes te toetsen, willen we het

dikwerf doen voorkomen, of wij in het zog van imponeerende

buitenlandsche zeekasteelen loeven.

Dit is lak.

We behoeven ons zelven niet ontuchtiger voor te stellen, dan de grove

ontucht der omstandigheden het bepaalt.

In alle landen der nog tierig-ongecultiveerde wereld, zwiept de

maatschappelijke verwording tot bruuter, afstootender

schouwburg-industrie, dan bij ons mógelijk is.

Wie ruimer ziet en zijne heroïsche theater-inzichten, niet tot de paar

goedige Hollandsche tooneelgezelschapjes besnoeit, weet dat nergens het

gekristalliseerd klassevermaak zoo schel bovendrijft als in de groote

kunst-centra van Europa.

De heerschende klasse héérscht daar vet-lippig en met een gefatigeerden

lach.

De theaterkas-bijdragen van het „schellinkje” kunnen er gemist worden.

De heele bouw van den schouwburg is eene verteedering tegenover

duur-betalenden—’n lompe minachting tegenover het plebs, dat daar-boven

nauwelijks zien kan en de kwalijke lucht van benee gul-weg geschonken

krijgt.

In klein-burgerlijk Holland kan de theater-ondernemer den engelenbak

finantieel niet uitschakelen. Bij de lauwe schouwburgrecettes heeft ’t

schellinkje een zwakke stem in het kapittel.

Dat is een voorrecht.

Tot de ziekelijke decadentie van theater-luxe-doosjes (spot en hoon van

alle gemeenschapskunst) zullen wij nimmer geraken.

Het intelligent, óók betalend schellinkje is in Hollandsche

schouwburgen een „ballast”, dien het buitenland met zijn volslagen

met-handen-en-voeten-overgeleverd zijn aan duurdere plaatsen niet kent.

Mij dunkt dat de herwonnen voeling met een deel van het publiek, tegen

gindsche techniek en gindsche monteering ruimschoots opweegt.

De toekomst met haar onafwendbare gebeurtenissen is aan de

proletarische levensbeschouwing—aan het proletariaat.

De eerste kunst-stappen dier toekomst lijken voor de kleine,

afgezonderde, niet door de groot-industrie ook op dàt gebied

dood-gemoorde landen weggelegd.

Men kan zich in de onderstelling vergissen: het gezond verstand en de

feiten stutten het vermoeden naar alle zijden.

Noch in Denemarken, noch in Zweden, noch in Holland (om drie

voorbeelden van politiek en economisch zwakke volkeren te geven) zal

het vermaak zóó industrieel kunnen ontaarden als in steden met

wereldrumoer.

Daarenboven hebben wij eene literatuur, rijper, rijker van basis, dan

menig ander land, eene literatuur die—op mannen met gemeenschapsbegrip

wacht.

Een volk naar zijn geestelijke zoekers schattend en niet naar zijn

rampzalig geprots met oorlogsmateriaal en weelde, hebben wij in het

begin dezer eeuw het verlof te glimlachen.

En het geblaas over het verval der kunsten ten onzent, het gekef der

velen die van geen oorzaak en verband weten en hoera kermen bij het

gedobber van een giorno-lampje in een donkeren stormnacht, mogen we als

ondoordacht gedoe, gelijk iedere periode in onverschillig welken tijd,

’t te slikken kreeg, aanvaarden.

De kunstzinnige hervorming van het tooneel kan eerst na het herstel

eener waarlijke maatschappelijke orde—door samenwerking der

zusterkunsten, geschieden.

Van de spelers is thans niet meer te eischen dan de dictator Theaterkas

[1] veroorlooft.

Deze hard-werkende lieden over het inzakken van hun vak te beschimpen,

hen met hautaine woorden (op puur vermoeden van hoe u ’t achter uw

inktpot zou willen hebben—u, hum!) de les te lezen, is ook daarom in

verhouding tot het wurmend gerepeteer, het reizen, trekken en spelen

dier menschen, zoo dom, laf en tergend-quasi, omdat er slechts een paar

in Holland zijn, in staat een vakkundigen raad te geven.

En die paar zwijgen.

In tijden van infectie pijnigt en geeselt men liever geen

geïnfecteerden—men tracht de infectie te verwijderen, infectie die op

tooneelgebied in bijkomende mate in de schouwburgen zelf woekert.

En de tooneelstukken?

Wel, vrienden—we weten hoe laat het is....

Hoe sterk het verval zich ook hierin openbaart: het geblinddoekt

ideaal, het ideaaltje dat in het verleden blijft scharrelen en het

Komende niet zien wil—het ideaal dat met lodderende oogjens ’n fopspeen

belurkt en zich als nieuw-verniste pagode bij het ongevaarlijk

klasse-vermaak voegt—dat ideaal met ’n horrelvoet en ’n waterhoofd,

vooral bang en pretentieus tegenover het eenig

Ideaal-van-klassieke-vormen dat „in ’t Oosten daagt”—dat ideaal kan

bezwaarlijk thàns nog in de tent der getuigenis worden toegelaten.

Voor ons, socialisten en „materialisten”, zij het een genot in een

worstelenden overgangstijd tot ontwaking van derden bij te dragen.

Voor ons is deze periode van frissche ontroeringen—heeft éénige

generatie zooveel meegemaakt?—eene in schoonheid groeiende

werkelijkheid, waarvan elk nieuw gerucht de wilskracht versterkt.

Heeft de geestelijke arbeider meerder fossiel recht te „blijven leven”

dan ontelbare andere arbeiders, die zich over de heele wereld voor

nobele gemeenschapsbelangen offeren?

Is het al niet eene vreugde een klein dienaar der samenleving te

zijn—reiken we mekaar niet van geslacht op geslacht de hand?

Is het geloof in de toekomst, waartoe men meê heeft getracht, niet

overvoldoende om blijmoedig voort te gaan?

Al zou al je geschrevene tot verdorrend loof behooren—haha, wat deert

het! Je hebt je tijd zoo kostelijk, zoo heerlijk-willend meegeleefd,

zoo diep-hartstochtelijk, zoo met gebalde vuisten, zoo begaan, zoo

in-afwachting, zoo met den teederen lach van genegenheid, dat je

menschelijk-tevreden kan zijn....

Verzamelde Tooneelspelen en opstellen-over-tooneel, deel 1-2 · 第 4 / 167 题