AANTEEKENINGEN

[1] Bantoe beteekent menschen.

[2] Schuld doen eten = geld leenen.

[3] Zij had gedaan met haar hart = zij had er genoeg van.

[4] In 't droog seizoen steken de negers het gras in brand. Boven

't vuur komen de roofvogels zwieren om muizen te vangen.

[5] Letterlijk Moeder Kameleon en Moeder Muis.

[6] Nsona, vierde dag van de kongoleesche week, en ook de naam van

de markt, die op dien dag valt.

[7] 's Morgens vroeg zijn er nog geen menschen op de markt te

zien. Daarom kon de Muis de markt niet vinden.

[8] De negers zullen geen maniok eten, zonder een stukje vleesch of

visch; makaya, noemen zij dat.

[9] Werd getroffen.

[10] Nsalafwa = groote en zwarte mieren. Een heele bende.--Er zijn

gendarmen bij, die niets dragen. Zij zijn de bewakers langs den weg,

zij staan recht om den vijand aan te vallen; intusschentijd gaan de

andere mieren door, met 't eten geladen.

Binonia = kleine mieren.

[11] Mondo, oorlogstrommel, die akelig weerklinkt.

[12] Een kussentje leggen zij boven den kop, om eene vracht te dragen.

[13] Schoon en sterk hout, dat op onzen eik trekt.

[14] Madiadia = soort van dik en lang gras, groeit gewoonlijk in de

valleien en wordt soms wel vijf meters hoog.

[15] Eeretitel.

[16] Egel = soort van knagend dier; in Kongo heeft het geen stekels.

[17] In Kongo dient de hond alleen om 't wild te jagen.

[18] Ngumbi = Patrijs met roode pooten.

Nkusu = de kongoleesche papegaai is grauwachtig met rooden staart.

[19] Op een vwoka (verlaten dorp) staan vele palmboomen.

[20] De palmnoten, als zij rijp zijn, zijn rood.

[21] Eeretitel.

[22] Soto = val, gelijk de vogels vallen op den grond.

[23] Uitroepingen van verwondering.

[24] Te = gerucht van iets dat botst.

[25] Eeretitel.

[26] Inheemsche trommel.

[27] Bij maneschijn danst men in alle dorpen. De inheemsche trommels

weergalmen soms uren wijd, vooral als men ze boven 't vuur verwarmt.

[28] Eeretitel.

[29] Verhaal, waarmede de ouden schrik inboezemen aan de jongeren om

de tooverbeelden te eerbiedigen, en tevens om niet te stelen.

[30] Namen van muizen.

[31] Nsona = vierde dag van de kongoleesche week.

[32] Luku = maniokbrood.

[33] Slecht en bedorven maniokbrood.

[34] Geschreeuw van de Patrijs.

[35] Middel, om te weten wie schuldig is.

[36] Soort van rat.

[37] Gerucht van iets dat ledig is.

[38] Struikelen op den weg is een teeken dat er iets slecht gebeurd is.

[39] Als er iemand sterft, zal men den doodenzang komen zingen.

[40] Naam van een markt.

[41] Namen van antilopen.

[42] Eeretitel.

[43] Als een neger van een lange reis terugkomt, zal er veel poeder

geschoten worden.

[44] Het lijk wemelde van wormen.

[45] Vu = Klanknabootsing van iemand die in de handen slaat.

[46] Mama = Moeder. 't Is een eeretitel.

[47] Makwakwa = een soort van distels die veel pijn veroorzaken.

[48] Mankundia = wilde boonen, die met haar bedekt zijn.

[49] Nkenge = Naam van een vrouw, waaronder de Gazelle zich verscholen

had.

[50] De = Uitroeping van smart.

[51] Koker = inheemsch muziekinstrument. Horen van een antilope.

[52] Klank van den koker.

[53] Als men visschen vangt in de vijvers en moerassen, dan zal men

eenen dijk maken, en alzoo 't water uitscheppen.

[54] Uitroeping.

[55] Mam'ani = zijn moeder. 't Is een scheldwoord.

[56] Klank van den slag.

[57] Mam'aku = uwe moeder. Scheldwoord.

Gewoonlijk kifwanga ki mam'aku = wangedrocht van uwe moeder.

[58] Kleine mier.

[59] Als er iemand sterft, dan komt men den doode in zijn hut beweenen,

terwijl er in 't dorp veel geschoten wordt.

[60] 't Is een groote schaamte iemand te begraven, zonder

kleedingsstoffen.

[61] Klanknabootsing.

[62] Verwensching of eed.

[63] Eeretitel.

[64] Eerste dag van de kongoleesche week.

[65] Kisansi: inheemsch muziekinstrument; klein speeltuig, waaruit

de negers vreemd-schoone noten weten te trekken.

[66] Vader man: eeretitel.

[67] Het lijk wordt in de hut boven een put gelegd, daar om wordt

vuur gestoken en alzoo droogt het lijk.

[68] De kongoleesche week telt slechts vier dagen.

[69] Fungwa = Vogel.

Miese = Vogel.

Ngundu Nkunga = De schoonste zanger onder de vogelen van Kongo. Hij

kan de trommels en de dansliederen der negers opperbest nadoen.

[70] Eerste dag van de kongoleesche week.

[71] Niungi = kleine muis die de zwarten niet zullen aanraken om

haren stank.

[72] Maniokbrood.

[73] Wo = Hoe!

[74] Den Boa zullen de negers van Lager-Kongo niet aanraken.

[75] Namen van menschen.

[76] Dit beteekent, dat zijne moeder gestorven is.

[77] 't Is eene groote schande bij de negers, iemand niet te begraven.

[78] Langs de wegen zal men dikwijls een dikken steen aantreffen,

waarop de negers de palmnoten verbrijzelen om er de kern uit te halen.

[79] De groote kongoleesche groet.

[80] Uitroeping, om te beteekenen dat het plein fijn gekeerd was.

[81] Aldus spotte hij met den egel.

[82] Echte kongoleesche gewoonte van dragers.

[83] Uitroeping.

[84] Soort van paling. Ba duidt het meervoud aan.

[85] Namen van visschen.

[86] Soorten van visschen.

[87] Ngudi mpasi = moeder van smarten. Doopnaam van de heidensche

vrouwen. 't Is een overblijfsel van vroeger christendom.

De moeder noemde haar kind bij haar doopnaam, om haar te doen

gehoorzamen.

[88] Piu = zoo zwart en zwart.

[89] Mpingia = kleinste muis van Kongo.

[90] Ngoni = schoone muis, waarop de zwarten verlekkerd zijn.

[91] Ma is een eeretitel.

[92] Een soort van antilope.

[93] Als men een tooverbeeld in een dorp begraaft, dan grijpen er

alle soorten van rampen plaats. Zoo denken de negers.

[94] Dat is zeker een herinnering aan een lang geleden

zonsverduistering. Dat natuurverschijnsel moet immers fel op den

geest der negers gewerkt hebben.

[95] Opgeëten = verkocht. Als men een kind verkoopt, wordt 't geld

opgeëten.

[96] Het voelen van een greep.

[97] Spreekwoord van den boa, volgens de negers.

Een boa verteert zijn eten in 't droog seizoen. Dan gaat hij liggen

in 't hooge gras, aan den boord der rivier. Met de eerste regens,

gaat hij weer op zoek.

[98] Tweede dag van de kongoleesche week.

[99] Gerucht van den boa.

[100] Een karavaan negers zullen een teeken maken met hun draagstok in

't begin der wegen, die men niet mag volgen.

Degene die achteraan komen zullen alzoo weten, welke de goede weg is.

[101] In de koophandeldoos lag al zijn geld en goed.

[102] De namen van de kongoleesche week worden ook gegeven aan de

markten.--Als er een markt op den Nsona valt, dan wordt die markt

Nsona geheeten.

[103] Namen van kleine visschen.

[104] 't Is een teeken bij de negers, dat er iets voorgevallen is.

[105] Ingewanden van 't verken of de geit.

[106] Zijn kleederen (paan) versleten, hingen aan flarden.

[107] Eeretitel.

[108] Mimbumbu = tooverbeeld.

[109] Naam dien men geeft aan een mensch, die door den toovenaar

behandeld wordt.

[110] Hij valt zelf in den put, dien hij voor den evennaaste gegraven

heeft.

[111] Figuurlijk gezegd: u kwaad maken.

[112] Kanga mbunsu: letterlijk vertaald = 't voorhoofd binden.

Kanga mbunsu: figuurlijk vertaald = zich kwaad maken.

[113] Uitroeping van verwondering.

[114] Drink maar, drink maar.

[115] Kiwita = waterjuffertje. De negers denken dat het een watergeest

is.

[116] Naam van een volksstam, op de grenzen van den Kongostaat

gevestigd.

[117] Nkanku = Palmboommes.

[118] Kisimbi = watergeest.

[119] Nkula: soort van roode aarde, waarmede de Kongoleezen zich

bestrijken om zich schoon te maken.

[120] Met palmolie bestrijken zij zich ook.

[121] Het huwelijkskontrakt werd geregeld: vader en schoonzoon breken

samen een stokje.

[122] 't Geld snijden = den prijs stellen.

[123] Koperen ringen, die zeer zwaar wegen. Iedere ring weegt somtijds

twee kilo.

[124] Het vuur spreekt = er werd geschoten.

[125] Zombo: streek van Portugeeschen Kongo.

[126] De ouden van 't dorp zouden Zwina en Nkenge beschuldigd hebben

den dood van een der dorpelingen te hebben veroorzaakt: wat zeer

erg is.

[127] In 't kongoleesch Ndona, van 't Portugeesch Dona.

[128] Bijgeloof der zwarten.--Anderen nog, volgens hen, veranderen

in een luipaard (ngo-nkitu); of in een krokodil (ngandu-nkitu).

[129] Zoo roept men als men in gevaar verkeert, terwijl men met de

hand op den mond slaat.

[130] Uitroepingen!

[131] Gewoonten, als er iemand sterft, zoowel als bij trouwfeesten.

[132] Inheemsch muziekinstrument (nsambi).

[133] Naam van den volksstam.

[134] Yaya = Eeretitel, dien men aan zijnen oudste geeft.

[135] 't Is heel streng verboden, een lijk uit 't graf te halen.

[136] Mbata: Streek waar Zwina getrouwd was.

[137] Kongoleesche gewoonte.--Als er iemand sterft, moet men de

doodmare in de familie brengen.

[138] Een moeder, als haar kind gestorven is, mag haar niet meer

wasschen; hare haren laat ze groeien, en zij bestrijkt zich met rood.

[139] Verwenschingen.

[140] Kongoleesche eed.

[141] De kinderen, uit een kongoleesch huwelijk gesproten, behooren

tot den familiestam der moeder.

[142] Als kinderen gestorven zijn, moet de moeder vuile kleeren dragen.

[143] Als een kind na langen tijd in zijn dorp terugkomt, dan, onder

andere vreugdeteekens, wordt er geschoten.

De negers vroegen mij, toen ik naar België terugtrok: Wel, Pater, als

gij in uw geboortedorp aankomt, zal men dan ook schieten en schieten?

[144] Spreekwoord, dat men zegt, als er iemand gestorven is.

[145] Ander spreekwoord: Men denkt wraak uit.

[146] Gerucht van de klokjes.

[147] Spreekwoord: Weest voorzichtig.

[148] Spreekwoord: Wij zijn afgemat; maar wij willen seffens zeggen

waarom wij gekomen zijn.

[149] 't Is eene kongoleesche gewoonte, dat de familiestam hare

kinderen begraaft.

[150] De toovenaars hebben Zwina vermoord.

[151] Eeretitel.

[152] Heksen: Scheldwoord. Ndoki, in 't kongoleesch.

Het zijn de ndoki, die ziekten en sterfgevallen veroorzaken, volgens

de kongoleezen. Als de toovenaar ze door zijn toovermiddelen heeft

aangewezen, worden ze verbrand of in de rivier geworpen.

[153] De poederdoozen zijn gemaakt van kleiaarde ofwel van gedroogde

pompoenvruchten. Die poederdoozen hangen de negers aan hunne zijde, als

zij gaan jagen; of in andere omstandigheden zoo b.v. bij begrafenissen.

[154] Bangala = Naam van een volksstam van Boven-Kongo. Onder dezen

volksstam koos de Staat zijn eerste soldaten uit.

[155] Nsenga: Het hout van dien boom is heel licht en wit.

[156] Pidi = Alles was stil. Geen antwoord.

[157] Naam van een markt.

[158] Eeretitel.

[159] Geschreeuw van den arend.

[160] Gerucht van iets dat men wegwerpt.

[161] Die veel zaken op zijnen rug heeft.

[162] Eeretitel.

[163] Regeeren.

[164] Die naam beteekent Heer Navel.

[165] Uitroeping.

[166] Kisansi = muziekinstrument.

[167] Tsi = Gerucht van 't vuur, dat uit den steen springt.

[168] Eeretitel.

[169] Teeken bij de negers om de waarheid te bevestigen.

[170] Naam van de markt.

[171] Centiemen.

[172] Ngola = soort van paling.

[173] Zij hadden er genoeg van.

[174] Bijgeloof der zwarten. De geesten vergelijken de menschen

bij verkens.

[175] Yaya = Oudste; een eeretitel.

[176] Binnen twaalf dagen. De kongoleesche week telt vier dagen:

Nkandu, Konso, Nkenge, Nsona.

[177] Dombasi = Dom Sebastiaan. Doopnaam der heidenen.

[178] Omtrent den noen. Tot den middag.

[179] Schoon jongeling.

[180] Lukaya = gegroet! Dit is de echte kongoleesche groet. Terwijl de

negers malkander alzoo groeten, slagen zij in hunne handen. Mbote =

Goeden dag. Dien groet hebben de blanken ingebracht; mbote beteekent

slechts goed.

[181] Naam van een mensch.

[182] Haast u.

[183] Kiteba was er peter van, zooals wij zouden zeggen.

[184] Noten van den stinkboom.

[185] Weinig verstand.

[186] Veel verstand.

[187] Geest.

[188] Kongo = hier ben ik.

[189] Bisimbi = de watergeesten.

[190] Klank van de bel.

[191] Kawa = uitroeping om te beteekenen dat zij vol rood was.

[192] De negers gelooven, dat de geesten in het bosch wonen.

[193] Naam, dien de geesten aan de menschen geven.

[194] Volgens de negers, hebben de geesten ros haar, dat op hunne

schouders hangt.

[195] Namen van ratten die de negers eten.

[196] Soort van muis, die zij niet eten.

[197] Kinkoto = slag op den kop met de kneukels.

[198] Naam zijner moeder.

[199] Vwoka = plaats, waar eertijds het dorp was; die plaats had men

verlaten, omdat 't opperhoofd er gestorven was.

[200] Soort van pruim.

[201] Als een neger geëten heeft, zal hij de handen afslagen.

[202] Kleine muis, die een walgenden mond heeft en waaraan de negers

niet zullen raken.

[203] Gerucht.

[204] Mboma-ndongo = boa.

[205] Soort van gras, dat de negers gewoonlijk gebruiken om hunne

daken te dekken.

[206] Bijgeloof der zwarten. Zij denken dat de menschen in dieren

kunnen veranderen.

[207] Gerucht van 't water dat plotste onder zijn voeten.

[208] Naam van een mensch.

[209] Uitroeping.

[210] Tooverbeeld, dat opzoekt wat verloren is.

[211] Spreekwoord: Alle beiden zijn gestorven.

[212] Iedere ziekte heeft zijn toovenaar.

[213] Dorp bij Nlemfu. Ook nog 't dorp, dat in 't midden ligt: Kongo

di Kati.

[214] Tweede dag van de kongoleesche week.

[215] Namen van trommels en muziekinstrumenten.

[216] Naam van een mensch.

[217] Naam van den strijder.

[218] Gijzelaars.

[219] E, e = neen, neen.

[220] Yi = uitroeping.

[221] Naam van den kruisweg.

[222] De neger, die mij dit verhaalde, voegde er bij: Deze zaken,

de missionarissen van Kisantu, Pater van Hencxthoven heeft ze

geregeld. En nu mogen zij weer den voet zetten in de beide dorpen,

en er bestaat geen twist meer.

[223] Oorlogsverklaring bij de negers.

[224] Luma: Oorlogskreet. Vooruit!

[225] Kimbwa: soort van zwarte rat, met korten staart.

[226] Mfumu = opperhoofd.

[227] Naam van den vader van den christene, die mij dit verhaald heeft.

[228] Het gesneden verken, dat de dorpen verwoest!

[229] Wanneer men iemand gekwetst heeft, moet men een boete betalen;

in deze zaak vooral, omdat de ouden van beider dorpen ze niet hadden

geregeld.

[230] De ouden zijn vereenigd op het plein van 't dorp en de kinderen

lachen en spelen.

[231] De negers van Neder-Kongo denken dat de blanken van het Westen

komen.

[232] Soort van paling.

[233] Na: Heer. 't Is een eeretitel.

[234] Naam van den familiestam der vrouw.

[235] Terwijl men betoovert, wrijft men zich het hoofd.

[236] Nkayi: reebok, met gespikkelde huid.

[237] De neger, die mij dit verhaal verteld heeft, zegt dat in zijn

dorp deze familie nog altijd met de melaatschheid aangetast is. En

de reden: Omdat een vrouw hunner familie water geweigerd had aan

dien melaatsche.

[238] Stampersblok = Een uitgeholen stuk boom, waarin de zwarten

maniok, rijst of boonen stampen.

[239] Uitroeping.

[240] Maniokbrood.

[241] Oudste; Eeretitel.

[242] In Kongo is 't een groote oneer, een lijk weer op te graven.

[243] Spreekwoord.

[244] Na = een eeretitel: Heer.

Moni Mambu = die veel zaken op den nek haalt.

[245] Ma = eeretitel: Mevrouw, maar ook Heer.

Kiula = naam van een mensch.

[246] Verwensching.

(Kifwanga ki) Mam'aku = (Wangedrocht van) uw moeder.

[247] Verwensching.

[248] Verwensching.

[249] Het vergift doet die banaanplanten verdrogen.

[250] In Kongo zijn vrije vrouwen en slavinnen.

[251] Nkasa = boom. Uit zijne schors perst men vergift.

[252] E ngwa! He, moeder! Uitroeping.

[253] Die aardigheid, menschen in een kist te leggen, ben ik nog

meermalen in hunne verhalen tegengekomen.

[254] Spreekwoord.

[255] In Kongo zijn er vijf groote seizoenen.

Nsungi mvula: het regenseizoen (van Oktober tot in Mei).

Kiansu: het klein droog seizoen (Januari-Februari).

Kintombo: het groot regenseizoen (April-Midden Mei).

Kisiwu: het droog seizoen (van Mei tot in Augustus).

Mbangala: het warm seizoen, vóór de terugkomst van den regen

(Augustus-September).

[256] In het droog seizoen, 's morgens, is er veel nevel. En in de

valleien, langs de rivieren, stijgt de dauw op. Tegen acht uren en

nog later komt er de zon door.

[257] Vele negers tellen het jaar bij regenseizoens.

Een jaar is voor hen een regenseizoen.

[258] Alle jaren kappen de negers een deel van 't bosch af. Na

vijftien, zestien jaar, is het bosch weer opgeschoten gelijk het

was. Na twintig jaar, plant men opnieuw op dezelfde plaats.

[259] Soort van pruim.

[260] Na zestien of achttien maanden is de maniok rijp.

[261] Disuki = naam van slingerplant, die de beste caoutchouc geeft.

[262] Rond den noen.

[263] Dinkalanga = ook goede caoutchouc; maar van minder waarde.

De negers van Neder-Kongo mengelen altijd die twee soorten van

caoutchouc te zamen, omdat dit minder last vraagt.

[264] 't Is aan de mannelijke bloemen van den palmboom, dat de neger

zijne kalebassen hangt.

[265] Gerucht van ledige kruiken.

[266] Kleine en jonge palmboom.

[267] Schoone en groote palmboom.

[268] Eerste dag van de kongoleesche week.

[269] De markt is altijd op een zekeren afstand van het dorp, aan een

kruisweg, gelegen. De markt is vrij voor iedereen, zelfs ten tijde

van oorlog.

[270] Alles is nu opgeslagen, sinds de blanken in 't land zijn.

[271] In Neder-Kongo verdwijnt dat geld. Bij de Bambata, een volksstam

aan de Portugeesche bezittingen gevestigd, zijn de parels nog geldig

en alleenlijk de parels.

[272] Eertijds was er weinig zout. Men ging het halen aan de

Portugeesche kusten. Eenieder vocht op de markt om zout te koopen. Op

die plaats was er veel lawaai en gerucht. Daarom is 't dat men het

zout gerucht van de markt noemde: Mazu ma zandu.

[273] Een goeden dag.

[274] Het huwelijksgeld regelen.

[275] Als men eene vrouw trouwt, dan vraagt men zooveel geld niet,

als wanneer men eenen slaaf koopt. 't Is daarom dat zij hier uitroepen

of zij het meisje verkoopen.

Voor eene slavin vraagt men wel 60 tot 80 frank. Voor eene vrije

vrouw betaalt men 30 tot 40 frank.

[276] De bok.

[277] Gerucht van de groeten.

[278] De vrouw zit op de knieën: driemaal bestrijkt zij haar voorhoofd

met een beetje aarde, en daarna groet zij bij handgeklap.

[279] Heeft een neger vijf vrouwen, dan moet hij zes hutten maken;

eene voor hem, en eene voor elke vrouw, is het een slavin of een

vrije vrouw.

[280] Deze plechtigheid is juist gelijk een kerkgang bij ons.

[281] Dat zijn overblijfsels van vroegere beschaving.

[282] Dombasi = Don Sebastiaan.

[283] Dona Gratia, in 't Portugeesch.

[284] Klank der klokjes, soort van belletjes.

[285] Soorten van visschen.

[286] Uitroeping.

[287] De graver van ons graf: De mannen immers graven 't graf, als

er iemand sterft.

[288] Eeretitel.

[289] Aanraking.

[290] Zoo luidt het raadsel.

[291] De Staat had bevolen, dat al de gehuchten van een dorp

zich zouden vereenigen op een plaats. De inboorlingen hadden dat

volbracht. Maar dan stierven er velen aan de slaapziekte. In die

omstandigheden werd dit lied aangeheven, dat heel droevig luidt.

[292] In 't droog seizoen zijn de nachten koud en eenieder tracht

dan een goed beddedeken te koopen.

[293] Klank van het kisansi (inheemsch muziekinstrument).

[294] Uitroepingen.

[295] Namen van menschen.

[296] Gerucht van den slag.

Uit den Kunstschat der Bakongos · 第 153 / 153 题