Te Kongo [213] was er een mensch gestorven. Die hem bezat, wilde
een schoon feest vieren en den doodendans dansen, om zijn broeder,
die gestorven was, te vereeren.
Hij beval aan zijn onderdanen van dorp tot dorp te gaan in den omtrek,
en hij stelde een dag, alzoo: Toekomenden Konso [214], den dezen niet,
maar den volgenden, komt allen te zamen.
Zij, alzoo: 't Is wel, wij zullen komen.
De gestelde dag was aangebroken. Al de dorpen kwamen te zamen in
Kongo di Kati[213]. Zij brachten hunne trommels mede en hunne
muziekinstrumenten; de dorpen waren: Nlemfu, Kianika, Kindona,
Kinkanga, Kimanguna, Mboma, Mbengo. Al de omliggende dorpen waren
daar vereenigd om den doodendans te dansen. Zij hadden hunne trommels
medegebracht, die weergalmden van dal tot dal, van rivier tot rivier:
Yayama, nkumbi, kinteta, tutu, nzoko [215].
Zij hielden feest, 't feest was schoon geweest.
Maar 't feest wilde eindigen en dien dag wilden zij eens hunne
krachten meten.
Er was een vrouw van Kianika, die haar kind neergelegd had op een
biezenmat. Een mensch kwam op dit kind treden, dat op de mat lag. Het
kind begon te schreeuwen. De moeder hoorde haar kind schreeuwen,
alzoo: He, beste moeder, ik sterf!
De moeder, ter oorzake van de groote vrees en ook ter oorzake van
den twist, die zou ontstaan tusschen haar en haar man, dacht, alzoo:
Misschien is 't kind aan 't sterven. En zij riep, zoo hard dat zij kon,
alzoo: He, la, la, la, la, he, mannen, mijn kind is gestorven.
De echtgenoot liet zijn hart niet vallen, hij ging een geweer
leenen. Hij kwam die menschen schieten. Eenige stierven. Anderen,
zij stierven niet. Zij waren slechts ziek, zij genazen.
De dorpen van de menschen, die gestorven waren, kwamen bijeen, en
zij verklaarden den oorlog. En zij vochten en vochten.
De oorlog was gedaan. Mayaka [216] kwam uit 't dorp van Kinkanga. Hij
was de tweede overste van 't dorp. Hij nam een kloek strijder met hem
mede; hij kwam tot aan de bron der rivier, bron, die dicht bij Kianika
was. De naam van de bron was Kimpuwa. Hij kwam zich daar verbergen.
De vrouwen, 's morgens toen zij hun water gingen putten, kwamen aan
de bron Kimpuwa aan. Zij wilden water putten; maar Mayaka en Muamba
[217] joegen ze weg, en wilden ze vatten, om er hunne oorlogsslaven
[218] van te maken.
Maar de vrouwen hadden veel verstand. Zij vluchtten in 't hooge gras
van hun dorp, en zij begonnen te roepen, terwijl zij op hunnen mond
sloegen: He la, la, la, la! He, la, la, la, la!
De mannen kwamen af met hunne geweren. Zij vroegen aan de vrouwen:
Dat roepen en slaan op uwen mond, wat is 't?
De vrouwen, alzoo: He, mannen, spoedt u, wij zijn gestorven. De
vijanden, zij zijn hier in 't hooge gras binnen!
De mannen gingen 't hooge gras omlaag leggen.
Terwijl zij in 't hooge gras binnentrokken, traden zij het neer met
de voeten. Zij konden niets zien, en de twee waren in 't midden van
't gras met hunne geweren.
Muamba schoot een oude van Kianika neer. Hij stierf.
Dan ging hij loopen en vluchten. Hij liet zijn oude in het hooge
gras. De mannen van Kianika schoten vol gramschap, omdat een hunner
ouden doodgeschoten was.
Zij zworen den eed: Indien wij allen vandaag sterven, dan sterven
wij. Onze oude zal alleen niet sterven. Vandaag wij sterven ook!
Hij, Mayaka, waar hij verscholen was, kwam te schieten. Maar om zijn
geweer te laden, had hij geen poeder meer.
En zij, de mannen van Kianika, zij drongen in 't hooge gras binnen,
en zij stampten het plat. Zij vonden Mayaka.
Zij vatten hem en zij deden hem veel pijn afzien. Zij leidden hem
tot in 't dorp.
De ouden van 't dorp namen het besluit de mannen van Kinkanga te doen
komen, dat zij de zaak kwamen regelen en den moord betalen.
Maar de jongelingen wilden dat niet hooren, alzoo: Wij, onze oude
is dood, en wij zouden nu Mayaka loslaten, dat zij de zaak komen
regelen. Een van ons is er gestorven; hij ook vandaag, ja, vandaag,
sterven hij zal sterven!
Maar de ouden zegden, alzoo: E, e [219]. Alzoo niet,
jongelingen! Wat! Wij trekken haat op ons lijf en wraak! Waar gij
blijft, waar gaat gij palmwijn koopen? Is 't niet in Kinkanga?
Maar de jongelingen antwoordden, alzoo: Yi [220]! Waarom? Om den
palmwijn? Hebben wij hier geene palmboomen? Wij, wij hebben besloten
hem te dooden. Wat! Gij ouden, gij wilt hem loslaten.
Wel, gij ouden, en wij jongelingen, wij voeren tegen u oorlog,
vermits gij het alzoo wilt. Die gestorven is, is het geen mensch
misschien? Gij, ouden, gij hebt schrik, gij zijt bastaarden! Hoe zijt
gij met uw onderdanen bezorgd? Misschien gelijk wij bezorgd zijn met
dien daar?
Een jongeling werd kwaad en was verbitterd; hij dreef fel den spot
met de ouden. Hij handelde zoo, opdat de ouden ook zouden kwaad en
verbitterd worden, dat zij Mayaka zouden dooden.
En waarlijk, de ouden werden kwaad, en zij zegden, alzoo: Welaan,
gaat dien oorlogsslaaf losmaken, hoort ge!
Zij gingen dien oorlogsslaaf losmaken; de jongelingen waren buiten
adem om hem te dooden, alzoo: Vooruit, wij gaan hem dooden op den
kleigrond, op den kruisweg van Mbusi [221].
Een oude doodde Mayaka; hij plantte zijn draagmes in de borst.
De ouden, alzoo: Wij gaan hem begraven.
Maar de jongelingen liepen rond met hunne geweren, alzoo: Wie een
graf maakt, om dat lijk te begraven, die is ook dood. Wij, wij hakken
't lijk in stukken.
De ouden, alzoo: 't Is wel!
De jongelingen waren wreed en stuur geworden, en zij bedreigden met
dit bedreigen.
De ouden, alzoo: Wel, zoekt een mes!
En zij zochten een mes, en zij scherpten het goed.
Zij hakten hem in stukken. Zij sneden de voeten af; zij sneden 't
hoofd af; zij sneden hem open, haalden de ingewanden er uit; en zij
verdeelden het lijk in twee stukken.
Een man van Mbengo vatte 't hart, ging er mee 't bosch in, en at
het op.
Die van Kinkondongo namen 't hoofd; die van Mboma de voeten; die van
Zulu de armen. 't Mannelijke begroef men, en men plantte op die plaats
een wilden vijgeboom, die er nu nog staat.
De mannen van Kinkanga kwamen de twee rompen koopen. Zij kwamen een
gesneden verken betalen, en negen kruiken palmwijn.
Men gaf hun de twee rompen, die overbleven. Zij gingen ze
begraven. Toen zij ze begraven hadden, spraken zij dit verbod uit,
alzoo: Een mensch van Kianika, dat hij den voet niet zette in Kinkanga;
een mensch van Kinkanga, dat hij den voet niet zette in Kianika! Indien
hij er den voet zet, hij is dood, niet levend.
En zij zetten den voet niet in een andermans dorp, noch die van
Kinkanga, noch die van Kianika [222].
Kianika.