Eene vrouw baarde veel kinderen; maar daartusschen was er eene maagd
heel schoon. Wanneer haar vader en haar moeder haar een jongeling
toonden, zij, zij wilde niet. Zij toonden haar wel zes jongelingen;
zij, zij wilde niet.
De vader en de moeder zegden, alzoo: 't Is wel; dien jongeling,
dien gij wilt, 't is de uwe.
Dat maagdeken, toen zij zag, dat de Nsona [170] verschenen was,
zegde tot haar vader en haar moeder, alzoo: He Vader, he Moeder,
naar den Nsona ga ik.
Zij zegden dan: 't Is goed, Mama.
Zij nam de maniokbrooden, ging naar den Nsona, verkocht ze allen. Er
bleef maar een over. Zij nam tien mitakos [171]; ging naar de plaats
waar men zout verkocht; zag een wonderschoonen jongeling; hij, die
jongeling ook, zag deze wonderschoone maagd.
De maagd, toen zij zegde tot dien jongeling: He, gij, beste, verkoop
mij zout!
Hij nam de mitakos aan; hij verkocht haar zout voor tien, maar 't
was wel voor vijftig.
Dan vroeg deze jonge dochter (haar naam was Nkenge), alzoo: Toekomenden
Nsona zijt gij hier?
Hij antwoordde: Ja, als wij komen, verkensvleesch zullen wij verkoopen.
De maagd antwoordde hem, alzoo: Als ik kom toekomenden Nsona, dan
kouten wij met malkander!
De jongeling, alzoo: 't Is goed. Ga wel naar huis.
Hij ging, zij ging.
De Nsona was aangebroken. Nkenge zegde tot haar vader, alzoo: Naar
den Nsona ga ik, vader.
Haar vader, alzoo: Als uw moeder 't maar goedvindt!
De moeder zegde, alzoo: Welaan, Mama; ga onzen maniok verkoopen.
Nkenge ging naar den Nsona. In 't dorp had zij een potje ngola [172]
voorbereid en meloenen en een groot maniokbrood, om dat te dragen aan
haar vriend. Zij kwam op de markt, verkocht den maniok. 't Was gedaan.
Zij ging naar de plaats waar men 't vleesch verkocht. Zij zag haar
vriend, die vleesch aan 't verkoopen was. Toen ging zij terug op
hare plaats. Zij wachtte totdat 't vleesch verkocht was, dan zou zij
gaan. Zij wachtte en wachtte en wachtte met ongeduld.
A! 't Vleesch was verkocht. Zij ging. Zij ging naar haren vriend. Zij
kwamen beiden te zamen; zij lachten te zamen.
Maar die jongeling, 't was geen mensch; 't was een geest.
Zij nam 't potje ngola, dat zij in 't dorp had gereed gemaakt en
de meloenen en 't maniokbrood. Zij gaf het aan haar vriend. Zij dan
lachte in haar hart: Ik heb mijnen man gevonden, hem alleen trouw ik.
De man nam een stuk vleesch, en hij gaf haar een verkensbil. Hij
bepaalde eenen dag, alzoo: Toekomenden Nsona den dezen niet, maar
den volgenden, kom dan af. Bedrieg mij niet.
Zij, de jonge dochter ook, alzoo: Gij, bedrieg mij ook niet.
Hij, aldus: Ik bedrieg u niet.
Zij gingen. Hij ging. Zij ging.
Een Nsona was verdwenen. De gestelde dag was aangekomen. Zij, de
jonge dochter, had twee kiekens geslacht. Zij kwam op den Nsona.
Dien Nsona, kwam zij met vader en moeder, en een broerken die na haar,
Nkenge, geboren was.
Toen zij op de markt kwamen, bedroog Nkenge haar vader en
moeder. Nkenge liep over de markt. Zij en haar vriend kwamen
bijeen. Zij gaf de kiekens.
Hij, alzoo: Uit mijn dorp ben ik gekomen; ik heb niets, mijn zusterken!
Zij, dus: Neem maar aan, eet maar.
Hij, de verloofde, zegde: 't Is wel.
Hij nam het aan.
Zij, de vrouw, vroeg, alzoo: Van welk dorp komt gij?
Hij, alzoo: Ik kom van ver.
En zij, alzoo: Kan ik daar niet geraken?
Hij zegde: Gij kunt niet.
En zij: Indien ik slapen, ging slapen onderweg?
Hij, alzoo: Gij geraakt er niet, omdat het te ver is.
Zij, alzoo: 't Is niets, geraken ik zal er geraken; moest ik onder
weg sterven, 't was niets.
Vader en Moeder waren bezig hun kind te zoeken op de markt. Maar zij
zagen het niet. Hun hart was gedaan [173]. Zij gingen terug naar hun
dorp. Maar hun kind, een jongen, was daar gebleven; zijn naam was
Kiteba, de broeder van haar, Nkenge.
Nkenge hechtte zich vast aan den jongeling, om met hem te gaan.
De jongeling weigerde: Ga niet, zusterke! De streek is te ver. Wij
zullen malkander hier op de markt zien.
Maar Nkenge bleef volharden. De jongeling had er genoeg van: Wel
vooruit, draag de korven.
En zij gingen, zij gingen, zij gingen; zij kwamen in een dorp aan.
De mensch vroeg, alzoo: Geef mij mijn kleedingsstoffen, dat ik mij
aankleede.
Zij gaf zijn kleedingsstoffen. En hij kleedde ze aan.
Zij, Nkenge, vroeg, alzoo: He! Gij, mijn echtgenoot, hoe zijt gij nu?
Hij, alzoo: Hoe heb ik u gezegd? Ik, die u zegde: blijf. Gij, gij
blijft niet. Wel, wat vraagt gij mij? Vooruit, ga nu voorop op den weg.
Zij gingen, zij gingen, zij gingen. Zij kwamen weer in een dorp
aan. Hij vroeg zijn haren. Zij gaf de haren, hij kleedde ze aan. Hij
deed ze ook aan de voeten.
Zij, Nkenge, vroeg, alzoo: Gij, hoe zijt gij nu?
Zij: Hoe! Waart gij zoo, toen wij op de markt waren?
Die jongeling, zijn stem was een andere geworden; zij was slecht
geworden.
Nkenge was met haar broerken; in 't eerste, toen zij de markt verliet
met haar broerken, had zij dat niet gaarne. Toen zij nog dicht bij
den Nsona waren, zegde zij hem: Ga terug naar huis. Ik ga alleen.
Maar Kiteba had haar gevolgd: He, mijn oudste, ik ga waar gij
gaat. Daar waar gij sterft, daar sterf ik ook.
Zij sprak: 't Is wel! Vooruit!
En zij gingen.
Toen zij kwamen waar zij de dingen aan den jongeling gegeven had,
zegde zij aan haar broerken: Ziet gij, hadt gij niet volhard mij te
volgen, vandaag hadt gij dat niet gezien?
De geest sprak: Vooruit!
En zij gingen, zij gingen tot het laatste dorp. Hij vroeg zijn mes. Zij
gaf het hem. Hij deed zijn schoon lichaam af en zijn schoone beenen
en armen; hij deed zijn lichaam aan, hij veranderde in iets slecht
en slecht en slecht. Nkenge, toen zij haar jongeling veranderd zag in
slecht, weende en weende, en zij zegde: He, Moeder, mijn moeder! Ik,
mijne jonkheid heeft mij bedrogen!
Hij, alzoo: Vooruit nu!
Zij gingen; zij kwamen in 't hoog en uitgestrekte gras aan. Hij deed
't gras open, en dan: Gaat er in.
En zij ging er in met haar broeder Kiteba. Toen zij er in kwamen,
't dorp was onder de aarde. Toen zij in 't dorp kwamen, deed de
jongeling Nkenge en Kiteba in zijn hut binnengaan; hij deed ze binnen
in zijn huis en hij verborg ze onder 't brandhout.
Dan riep hij de geesten van 't dorp, dat zij komen halen wat zij
bevolen hadden. Zij kwamen af. Die zout bevolen had, nam zijn zout;
die peper bevolen had, nam zijn peper. En zoo voort en zoo voort. Hij
had alles gegeven, wat men hem bevolen had.
Hij kwam zijn huis binnen. Maar er was een geest, die vroeg, alzoo:
Gij, mijn oudste, die reuk van de verkens [174], wat is dat?
Hij, alzoo: Wel, op de markt, kwam ik in aanraking met de verkens.
Hij, dus: 't Is niets, broeder.
Zij scheidden van malkander. Hij kwam zijn hut binnen. Hij bereidde
zijn meloenen. Hij at. Hij sliep.
Toen de zon opkwam, sloot hij zijn hut. En hij stelde dit verbod:
Mijn huis, dat het zoo blijve; geen mensch komt er in of doet het los!
Hij ging naar een verre streek, om de andere geesten te verwittigen,
dat zij zijn menschen komen eten.
Kiteba, waar hij bleef met zijne zuster, sprak, alzoo: He, mijn oudste,
ziet gij, hoe het ware geweest, had ik u niet van verre gevolgd! Nu,
ziet gij, gaan zij ons opeten.
Maar Kiteba had veel verstand. Hij jaagde zijn zuster schrik aan,
alzoo: Vandaag gaat men u opeten. Maar mij, zal men niet opeten. Ik
heb veel, veel verstand. Ik ken de streken der geesten.
Kiteba maakte 't huis los. Zij kwamen op het plein. Kiteba zegde
alzoo tot zijn zuster: Yaya [175], nog twee Nsona, dan den derden
[176] komen de geesten af, om u op te eten.
Nkenge zegde, zoo: He, mijn broerken, vooruit! Den weg, weet gij
hem niet?
Hij, Kiteba, alzoo: Als gij gaat, ik wil niet. Vooruit, wij trekken
terug 't huis binnen.
Nkenge weende en weende. Kiteba deed de deur open, alzoo: Ga
binnen. Is 't zoo niet, dat gij wilt? Vader en Moeder hebben u zes
jongelingen gewezen. Gij, gij wilt niet. Hier is uw jongeling, dien
gij bemint. Wat! He! Hij zou u niet opeten?
Zij, alzoo: Ik, mijn broerken, toen ik hem zag; ik dacht een mensch;
maar 't is een geest. Vooruit, laat ons teruggaan, broerken.
Maar de broeder, alzoo: Neen, ik wil niet; ga eerst 't huis binnen. Dan
zullen wij teruggaan.
Zij gingen in huis. Kiteba sloot het dicht. Zij in 't midden van 't
huis. De tijd was nabij dat de geesten aankwamen. Kiteba zegde zoo
tot Nkenge: Toekomenden Nsona komen zij af. 's Morgens vroeg komen zij.
Nkenge, toen zij dat hoorde, smeekte haar broeder: He, mijn broerken
lief, ik uw oudste zuster, ik heb u uw naam gegeven. Wilt gij dat
men ons opete?
Kiteba zegde zoo: Ja, toen ik u volgde, gij wildet niet dat ik u
volgde. He! Ga weg, ik ga vertrekken; gij, gij blijft hier.
Kiteba ging buiten. Nkenge bleef in huis binnen, en zij begon toch
zoo schoon haar broeder te smeeken: He, mijn broerken lief, den dag,
dat wij in ons dorp aankomen, gij alleen, gij zoekt mijn echtgenoot. Ik
smeek u broeder, Dombasi [177]. Vooruit, broerken!
Hij, Kiteba, alzoo: Vooruit!
Zij gingen en zij gingen, van als de zon opkwam tot als de zon
boven hun hoofd was [178]. De geesten waren dicht bij het dorp
gekomen. Kiteba zegde tot Nkenge, alzoo: Welaan, ga terug van waar
wij gekomen zijn.
Nkenge weende en weende: He, ik uw zusterken! Waarom gaan wij niet
vooruit?
Hij, aldus: Waarom hebt gij met mij gespot? Toen ik u volgde, ik
mocht u niet volgen, waar gij gingt, omdat gij uw jongeling van Europa
[179] gezien had. Wel, nu terug naar uw jongeling.
Zij gingen tot dicht bij het dorp der geesten.
Kiteba zegde tot Nkenge, alzoo: Geef een maniokbrood, dat ik ete.
Kiteba nam maniok en een stuk van een kieken. Hij gaf er een deel van
aan zijn zuster; zij at niet, omdat zij zoo droevig was. Kiteba at,
hij alleen. Toen hij geëten had, 't was gedaan. En hij, alzoo: Zing
een lied, dat ik danse.
Zij, alzoo: Gaan wij niet vooruit, broerken? Gij, wilt gij dat wij
hier sterven?
Kiteba antwoordde: Als gij niet zingt, ik zal u terugdoen naar 't
huis van uw jongeling, hoort gij!
Zij, alzoo: He, och arme, ik uw zusterken!
Kiteba, alzoo: Zing 't lied maar rap.
En zij zong, alzoo: He, beste Kiteba, gaan ik ga langs 't hooge gras,
beste! He, beste Kiteba, wacht aan 't hooge gras, beste!
Kiteba danste en danste. En zij gingen. Zij kwamen op den weg en zagen
de geesten afkomen, die hen kwamen opeten. Kiteba toonde ze aan haar
zuster: Die bende, die daar gaat, weet ge, gaat ons opeten.
Zij gingen, zij gingen. Zij waren heel ver geraakt. Kiteba, alzoo:
Leg uw korf neer, dat ik ete.
Zij, Nkenge, alzoo: He, broerken, gaan wij niet vooruit?
Kiteba dan: Als gij nog volhardt in dat plagen, ik voer u terug;
dat de geesten u opeten!
Zij, alzoo: Eet maar, broerken.
Toen hij geëten had, alzoo: Zing een lied, dat ik danse!
Zij zong, gelijk zij eerst gezongen had. Hij danste.
Kiteba, alzoo: Maar, gij, ik uw broerken, waarom hebt gij met mij zoo
gespot? Waarom hebt gij mij zoo willen verlaten, ik die van denzelfden
vader en dezelfde moeder geboren ben? Ik ga u terugvoeren, dat zij
u opeten!
En hij voer ze terug. Dicht bij de geesten verborg hij haar in
't gras. Hij, Kiteba, ging uit en hij kwam tot bij de geesten. De
geesten vroegen hem, alzoo: Gij, van waar zijt gij gekomen?
Hij, aldus: Uit 't groote dorp ben ik gekomen, ouden.
En hij groette ze, alzoo: Lukaya [180]!
Allen te zamen antwoordden: Ja, jongen! Wel, wat komt gij hier zeggen?
Hij, alzoo: Zij, die hier moest komen om 't lied te zingen, is
verborgen; maar ik, ik kom zeggen, alzoo: He! He! He! Wij dansen en
dansen, wij gaan en gaan.
De geesten dansten en dansten. Hij, aldus: Ik ga weg.
Zij, alzoo: He, jongsken, zingt gij niet meer, dat wij dansen?
Hij: Neen, neen, ik vertrek.
En hij ging weg; hij ging zijn zuster halen. En zij gingen en
gingen. Hij hief weer een ander liedje aan: He, beste Kigeti [181],
hef de beenen op [182]; den regen, ziet gij hem niet? He, beste Kigeti,
hef de beenen op, 't is donderweer, de wolken zijn zwart!
En hij kwam de laatste bende geesten tegen. Zij vroegen hem, alzoo:
He, gij, jongsken, van waar zijt gij gekomen?
En hij, alzoo: En gij, van waar zijt gij gekomen, vermits gij mij
dat vraagt? Gij wandelen, gij gaat wandelen. Ik ook wandelen, ik ga
wandelen. Waarom vraagt gij mij dat?
En zij, alzoo: Wij groeten u, vriendje!
Hij: Ja, ouden.
En zij vroegen, alzoo: Wat komt gij ons zeggen?
Wel, ik kom u alzoo zeggen: Die 't lied moest komen zingen, zit
verborgen; en ik zing: He! He! He! Wij dansen en dansen, wij gaan
en gaan.
Zij dansten. Hij ging weg. En zij gingen, zij gingen. Zij kwamen in
hun dorp aan, waar zij geboren waren.
Zij gingen zich verbergen dicht bij 't huis hunner moeder, op den
vuilnishoop. Een klein broerken was nog 't huis in hun dorp; hij had
het huis gekeerd; hij wierp 't veegsel op den vuilnishoop. Hij hoorde
hoesten. Dat hoesten, kwam uit den vuilnishoop: Wel, wat is dat?
En hij zag Nkenge. Hij riep, zoo: He, Mama, kom zien. Nkenge is daar
op den vuilnishoop.
Zij, de moeder verwenschte hem zoo: Gij, wangedrocht van uwe moeder,
wat komt gij oude zaken in mijn hart herinneren. Nkenge, zij is
doodgedaan en Kiteba ook! Is er nog een andere?
Zij weende en weende, alzoo: Wel, kom in huis.
Toen hij in huis gekomen was, gaf zij hem slagen en slagen, en zij
joeg hem buiten op den weg. Zij de moeder, keerde opnieuw 't huis,
ging het veegsel wegwerpen en hoorde weer hoesten. Het kwam uit den
vuilnishoop. Zij hoorde ook een stem, alzoo: He, mijn moeder, waarom
werpt gij 't veegsel op mij?
De moeder, alzoo: He, mijn echtgenoot, 't kind heb ik onrechtvaardig
geslagen. Kom, hoor!
Zij wierp weer 't veegsel, dat overbleef in haar mandeken, op den
vuilnishoop.
He, Mama, waarom werpt gij 't veegsel op ons?
Zij, alzoo: He, die daar op den vuilnishoop is, wie is 't?
Nkenge en Kiteba kwamen er uit. Zij weenden tranen van blijdschap:
de vader en de moeder en de kinderen. Zij verheerlijkten hunne
kinderen. Zij schoten met vuur. Zij deden verkens dood wel tien,
zij noodigden al de omliggende dorpen uit, dat zij kwamen om te dansen.
Zij kwamen af. Men hield groote feest. Zij betaalden aan Kiteba
vijf slaven en drie gesneden verkens. En de tijd verdween en de tijd
verdween. Nkenge, omdat zij het gezworen had aan Kiteba, dien dag dat
hij een man zocht voor haar, zou zij trouwen. Nkenge vroeg aan Kiteba,
alzoo: He, beste broeder, hebt gij mijn echtgenoot gevonden?
Hij, alzoo: Ja.
Kiteba had haar een verloofde gevonden en zij trouwden. Nkenge,
toen zij haar eerste kind baarde, werd het Kiteba geheeten [183].
De geesten toen zij aangekomen waren, staken het huis in brand. Toen
het vuur gedaan was, zochten zij de lijken. 't Opperhoofd van de
geesten zegde: Brengt mij het hart, dat ik ete!
Maar toen zij het verbrande huis doorzochten en doorzochten, er was
niets, hoegenaamd niets. Kiteba had in zijn plaats een banaanplant
gelegd. Zij, toen zij uit dien banaanplant water zagen uitloopen,
zegden, alzoo: Dat is het verkensvet.
En zij lekten en lekten; zij aten hunnen maniok er mede op. Maar toen
zij dichterbij keken, zagen zij dat het slechts banaanplanten waren.
Zij zegden, alzoo: He, oude, er is hier niets van verkens!
Hij, de oude antwoordde: A! Ik, wat eet ik dan?
Zij kwamen hem bezien, en hadden niets te geven.
Vat dien geest, die ons komen verwittigen is. Verbrandt hem, dat wij
hem opeten.
Zij verbrandden hem en zij aten hem op.
Aldus had de geest zijn gevaar gezocht.
Omdat hij de vreemdelingen niet had medegenomen, nam hij nu hun
plaats in.
Kianika.