Een echtgenoot had zijne kinderen gebaard; maar als hij ze baarde,
ze waren niet zooals hij gewenscht had.
De vrouw, die hij getrouwd had, baarde hem een tweeling. Al de
menschen, die deze kinderen zagen, waren verwonderd en verwonderd,
omdat zij zulke groote navels hadden.
Hij, de echtgenoot, sprak dan, alzoo: Die heb ik niet gebaard!
En vol gramschap zegde hij tot zijn vrouw, alzoo: Wel! Ga deze kinderen
wegwerpen, omdat zij niet schoon zijn.
Zijn vrouw, alzoo: Zij zijn nu geboren, en nu moet ik ze weer
wegwerpen?
Maar de man luisterde niet en hij zegde, alzoo: Ga ze wegwerpen!
Toen de vrouw ze wegwierp, werden zij geworpen langs het maniokveld. En
de regen viel, een stortregen; en als hij aankwam, dreef hij de
kinderen naar 't water tot aan de rivier. En zij vielen op een zandbank
en zij aten zand.
En zij groeiden en groeiden; zij begonnen te gaan: een jongen en een
meisje. De jongen, die veel verstand had, alzoo: Laat ons opklimmen
naar 't hooge gras.
En zij kwamen tot in 't hooge gras. Op zekeren dag, ging de jongen
tot aan een maniokveld. Toen hij daar aankwam, zag hij maniok, dien
men uitgetrokken had.
Hij, alzoo: Misschien eet men dat?
En hij proefde, en hij ging het dragen aan zijn zuster. En zij aten,
alle twee.
Op een anderen dag, kwam hij terug en hij zag muizenstrikken, die
men gespannen had. Maar, toen hij naderbij keek, zag hij muizen,
die den maniok in 't midden hadden opgeëten. En hij kwam en hij zag
een muis, die gestorven was. Hij haalde ze uit de muizenval, en hij
kwam ze toonen aan zijne zuster.
Zij, de zuster, alzoo: Ia [165]! Gij, mijn broerken van een jongen,
gij hebt veel verstand en gij weet den naam daarvan niet? Ik ben maar
een meisje en ik heb geen verstand.
Hij, hij dacht, alzoo: 't Is niets, ik leg dat daar neer.
Op een anderen dag trok hij terug, en hij zag weer de muizenstrikken;
hij ledigde ze, en hij ging terug bij zijne zuster.
's Morgens vroeg, toen zij wakker werden, ging hij weer, en veel
muizen waren in de strikken gevangen.
Verwonderd en verwonderd zegde hij, alzoo: Ziet ge, die zaken,
dezelfde lagen er gisteren; maar wij weten den naam niet. 't Is niets.
En hij ledigde de muizenstrikken, en hij ging tot op den grooten
weg. En hij ging zich verbergen in 't hooge gras.
Toen zag hij menschen, die naar de markt gingen; maar hij kwam uit
't hooge gras niet uit; hij bleef wachten tot dat die bende menschen
voorbij was.
Hij zag een mensch, die gansch alleen aankwam. Die mensch was bezig
zijn kisansi [166] aan 't spelen, terwijl zijn lippen beefden; want
een lied zong hij.
De jongen sprak, alzoo: Wat gij ziet, wat is het?
En hij toonde de muizen.
Maar die oude had het niet goed gehoord. En hij luisterde.
Toen sprak de kleine weer, alzoo: Wat ik zal geven, zie, wat het is?
Hij, de oude, hij ging tot bij den kleine. En hij bezag den kleine,
die gansch naakt stond. Hij was geheel en al verwonderd, alzoo:
Van waar zijt gij gekomen, gij?
Maar de kleine antwoordde, alzoo: Wij, wij zijn kinderen, die men
weggeworpen heeft. Weggeworpen, zij hebben ons weggeworpen.
Hij, de oude, vroeg, alzoo: En waar verblijft gij?
De kleine, alzoo: Een is ginder gebleven; maar ik, ik ben gekomen om
deze zaken te toonen, om te weten wat voor zaken dit zijn.
De oude zegde hem, alzoo: 't Zijn muizen, eten men eet ze.
Hij, de kleine, alzoo: Hoe eet men ze?
Hij, de oude, alzoo: Als gij vuur aansteekt, dan brandt gij ze,
en daarna eet gij ze op met luku.
De kleine, alzoo: 't Vuur, hoe is het?
Hij, de oude: 't Vuur, ziehier.
En hij toonde hem: Als gij wrijft, alzoo: Tsi [167], steek het dan aan
't hout aan. En dan kunt gij muizen branden. Als de muizen gereed zijn,
eet ze dan met luku.
De kleine, alzoo: Luku, wat is dat?
De oude, alzoo: Luku, ziehier.
En hij toonde hem luku, alzoo: Als gij de muizen brandt, als zij
gereed zijn, eet ze dan met luku, dien gij in brokken breekt.
De kleine nam deze zaken aan en hij ging. De oude gaf hem ook een paan,
en hij kleedde hem aan om de lenden van den kleine. En de kleine trok
op, waar zijne zuster was.
Toen hij bij zijne zuster aankwam, was deze verwonderd en verwonderd,
alzoo: Wat is dat, Yaya?
Hij, alzoo: Die zaken gegeven, zij hebben ze mij gegeven. Maar
die zaken, die wij wegwierpen, men eet ze op. De naam dier zaken:
muizen. Toen ik ze ging toonen, hij, die mij tegengekomen is, heeft
mij alzoo gezegd: Die zaken eet men. Ik, ik vroeg, alzoo: Hoe eet
men ze? En hij, hij toonde mij, hoe men ze at. Hij gaf mij ook deze
andere zaken. En dien paan, dien ik aangekleed heb, en dien luku en
dat vuur, dat heeft hij mij gegeven.
Aldus vertelde hij aan zijne zuster.
Maar die man heeft mij nog gezegd, alzoo: Als gij drie dagen zult
slapen, dan den vierden dag kom hier op dezelfde plaats. Ik moet
hem muizen brengen en hij zal ze verkoopen op de markt. Wat wij alle
dagen hooren, waar de menschen spreken, dat is de naam daarvan. Al
de menschen kleeden er een paan aan.
Zij, de zuster, alzoo: Hoe zijn die panen?
Hij, alzoo: Zij zijn, gelijk den paan, dien hij mij gegeven heeft.
De vier dagen, die hij gesteld had, verschenen en hij ging; hij bracht
de muizen tot op de plaats, die men aangeduid had.
De uur van de markt verscheen en de menschen gingen voorbij en gingen
voorbij. De oude volgde van achter.
En hij keek naar den kleine, alzoo: Ik ben gekomen, breng uwe muizen.
En hij bracht kleine muizen en groote, alzoo: Gij, gij kent ze. Hoor
je, men eet ze; draag ze naar de markt om ze te verkoopen.
De oude nam ze aan, alzoo: Wacht mij hier, totdat wij terugkomen van
de markt.
De kleine bleef daar zitten. De oude kwam terug en hij gaf hem
de zaken, die hij gekocht had, alzoo: Dit is een mes; dit is een
vrouwenpaan, geef hem aan uwe zuster, dat zij niet meer naakt blijve;
dit is luku en peper en zout.
En hij ging.
De jongen kwam waar zijne zuster was. Zij, toen zij die zaken zag,
was verwonderd en verwonderd, alzoo: Al deze zaken, 't zijn dezelfde,
waarvan gij mij over eenigen tijd gesproken hebt.
En zoo was het alle dagen. Hij, de kleine, ging muizen dragen, en de
oude ging ze verkoopen.
De oude kocht hem een slaaf, en hij zegde, alzoo: Gij, ga en leer
hem alles.
De kleine nam den slaaf aan en zij gingen te zamen.
Zij veranderden van plaats en gingen zich vestigen op den berg.
Die slaaf sprak, alzoo: He, vader, als wij hier blijven, bouwen wij
dan geen huis?
Hij, alzoo: Ia! Dat huis, hoe is dat? Bouw maar, gij kent een huis.
Hij, de slaaf, alzoo: Gij, vermits gij zegt, alzoo: Een huis, hoe is
het, kent gij het huis niet, waarin men slaapt?
Hij, alzoo: Neen, ik ken geen huis. Maar bouw er een.
De slaaf, alzoo: 't Is goed, ik zal er een bouwen.
En hij maakte eene plaats schoon, en hij zette een klein hutteken
recht, alzoo: Ziet ge, gij vraagt het huis, hoe het is, gij weet het
niet. Nu ziet gij het!
Die slaaf leerde hem alle werken, en de kleine kreeg verstand. Hij
schoot veel wild, en de slaaf verkocht alles op de markt met den oude,
zijn vriend. 't Geld kwam er bijeen gestroomd. Hij kocht weer twee
andere slaven, een jongen en een meisje. En alzoo, na eenigen tijd,
was het een groot dorp geworden. En men baarde kinderen, en 't dorp
werd groot en groot. Geiten en verkens waren er in overvloed; men
kon ze niet tellen.
En de slaven zegden, alzoo: He, vader, zoudt gij niet gaarne willen,
dat wij onze trommel kochten?
Hij, de vader, alzoo: 't Is goed, koopt maar. Indien gij geen trommel
koopt, is dit geen dorp?
Zij, de slaven, alzoo: In een groot dorp moeten de trommels weergalmen.
En zij kochten eene trommel. Maar toen zij een kochten, alzoo: Wij
zullen beproeven of zij een goede stem heeft?
En zij trommelden, alzoo: De deze, zij is heel schoon.
Zij namen de trommel en zij legden ze in de hut.
Eenige dagen waren vervlogen, alzoo: Wij zullen beproeven of zij goed
droog is.
De avond was gevallen en de maan verlichtte den hemel. Mannen en
vrouwen hadden geëten, en men begon te roepen, alzoo: Komt af,
wij dansen.
Allen kwamen af, men begon in de handen te slaan, men hief een lied
aan, en men danste en danste.
Maar de menschen, die in den omtrek waren, hoorden de trommel
weergalmen en zij waren verwonderd en verwonderd, alzoo: Die trommel,
waar weergalmt zij? Wat! Hier in 't omliggende, wij kennen er geen
dorp.
En zij dachten en dachten. Maar toen zij die trommel hoorden, die aan
't weergalmen was, bleef toch het dorp onzichtbaar, en men hoorde er
menschen spreken.
Hunne harten branden zij brandden. En zij gingen langs de zijwegen
en zij luisterden naar de plaats, waar men aan 't spreken was, en
zij konden het niet vinden.
Maar er was een oude, een goede jager, die zegde: Morgen, ware het
nacht en nacht, daar, waar die trommel aan 't spreken en weergalmen
is, zal ik aankomen, daar ga ik jagen.
En men sliep.
Maar die oude, 's morgens vroeg, toen hij de hanen hoorde kraaien, nam
zijn geweer en zijn zaksken, hing ze aan de schouders en hij vertrok.
En hij ging langs den grooten weg. En hij ging en ging.
Hij luisterde. 't Was langs daar niet. Hij, alzoo: 't Is langs hier,
daar heb ik de trommel hooren weergalmen.
En hij volgde en volgde die richting. Hij kwam aan een groote bron
aan. Hij ging rivierafwaarts. Daarna kwam hij aan een andere bron tot
aan een uitgestrekte vlakte. Hij ging weer eene bron binnen en kwam
in 't hooge gras uit. Daar hoorde hij menschen, die aan 't tateren en
wemelen waren. Hij kwam tot in 't midden van 't dorp. Maar 't was een
uitgestrekt dorp. Als hij rondkeek naar hier en daar, overal stonden
er veel hutten.
Hij beefde en beefde, omdat hij dat dorp niet kende en van wie dit
dorp was.
En hij volgde en volgde, en hij kwam aan 't gehucht van 't opperhoofd.
En hij ging daar zich neerzetten. Zijn geweer legde hij langs den
strooien muur. De kleinen, toen zij dat zagen, zegden, alzoo: Ia! Die
daar, wie is hij?
En zij gingen loopen tot aan de hut van hun opperhoofd, alzoo: He
vader, die daar, zie, wie is hij?
Hij, alzoo: Gaat hem verwittigen, dat hij kome.
De kleinen kwamen en gingen hem verwittigen, alzoo: Welaan, ga naar
't opperhoofd, onze vader.
Hij, hij dacht, wie hem daar uitnoodigde: Ik, ik ken dien man niet. 't
Is niets. Ik zal gaan.
En hij ging. Hij kwam aan de hut van 't opperhoofd, die hem
uitgenoodigd had, en hij zegde hem: Goeden dag. Het opperhoofd vroeg
hem nieuws. Hij ook, hij antwoordde; maar de schaamte had hem gevat,
en hij zegde niet, alzoo: Ik ben hierom gekomen: Toen wij gisteren de
trommel hoorden, die hier op deze plaats aan 't weergalmen was, waren
wij aan 't redetwisten en ik zegde, alzoo: Ik zal morgen dat dorp zien.
Hij, hij sprak zoo niet, hij zegde iets anders, alzoo: Dezen morgend
heel vroeg, ben ik uit mijn dorp vertrokken. Ik ben in deze bosschen
binnengedrongen, en toen ik er uitkwam, stond ik in uw dorp. Ik, ik was
verwonderd en verwonderd; ik vroeg mij af, van wie dit dorp mocht zijn.
Hij sprak alzoo en 't was alles wat hij zegde.
Na Makumba beval aan zijn slaven eten voor te bereiden en zij kwamen
het hem geven. En hij at en at, hij kost het niet; 't was te veel
eten. En hij bond zijn vleesch en luku vast en hij legde het in
zijn paan. Men bracht hem nog twee kruiken palmwijn. Hij dronk en
dronk; hij kost het niet. De palmwijn was hoofdig. Hij sliep op die
plaats. De avond begon te vallen en hij stond op. Hij zag naar de
ligging van zijn dorp en vertrok, van waar hij gekomen was. Hij trok
zijn mes uit de scheede en hij sneed teekens in de boomen om den weg
te onthouden. Alzoo kwam hij op den grooten weg aan tot in zijn dorp.
Hij kwam in zijn dorp en hij ging slapen.
De jongens en de meisjes van 't dorp waren verwonderd en verwonderd,
alzoo: Wel, hij, is hij dezen morgend vroeg niet opgestaan? En waar
heeft hij dien palmwijn gedronken?
En men wasschte hem, en hij werd wakker.
Het nieuws, dat hij gezien had, vertelde hij hun, alzoo: Het dorp,
waar de trommel gisteren aan 't weergalmen was, heb ik gezien. Maar
't opperhoofd, dat daar is, zijn naam is Na Makumba. Ik vroeg aan
zijne onderdanen, alzoo: Dit opperhoofd, van waar komt hij?
Maar de onderdanen antwoordden mij, alzoo: Wij weten niet, van waar
hij gekomen is. Maar hij, hij vertelt ons altijd, alzoo: Weggeworpen,
men heeft ons weggeworpen. Hij, 't opperhoofd, vroeg mij nieuws; ik,
ik heb hem nieuws verteld. Daarna nam hij vleesch en luku, en hij
gaf het mij. En ook nog twee kruiken palmwijn. En ik dronk en dronk,
maar ik kon ze niet.
Ik, ik sprak met den mond, alzoo: Gij, opperhoofd, van waar zijt
gij gekomen?
Hij antwoordde mij, alzoo: Wij, wij zijn kinderen, die men weggeworpen
heeft. Weggeworpen, men heeft ons weggeworpen. Maar gij, als gij
verstand hebt, draag dit spreekwoord mee; indien gij niet verstandig
zijt, laat mijn spreekwoord hier.
Dat spreekwoord heeft hij mij gezegd; maar ik, onderweg, ik dacht en
dacht; en dat spreekwoord kon ik niet uitleggen.
Maar eenigen onder hen, zegden, alzoo: Is er hier geen vrouw, die
hare kinderen weggeworpen heeft?
Andere waren aan 't redetwisten, alzoo: Er waren twee kleinen; zij
hadden groote navels; maar die kinderen zijn doodgegaan.
Hij, toen hij dat hoorde, zegde, alzoo: Misschien zijn het die
kinderen, omdat hij, het opperhoofd en zijne zuster groote navels
hebben, en zijn naam is ook Na Makumba.
Anderen zegden ook: Misschien zijn het die kinderen.
En toen zij geredetwist hadden, lieten zij alles stil, alzoo: 't Is
niets, wij zullen hooren. Die kinderen vergeet men immers niet.
's Avonds hoorde men weer de trommel, die aan 't weergalmen was en
de onderdanen, alzoo: Dat dorp, vooruit! Wij gaan er.
Gij, beste oom [168], ga het ons toonen. Gij immers, hebt het gisteren
gezien.
Hij, alzoo: 't Is goed, vooruit!
En zij gingen tot in 't dorp, en zij kwamen waar de trommel weergalmde
en waar men aan 't dansen was. En zij gingen zich neerzetten bij het
vuur, dat glinsterde op het plein.
De menschen van 't dorp, toen zij dat zagen, zegden, alzoo: Zijt gij
gekomen om te dansen? Wel, komt, wij dansen.
Zij, alzoo: Ja, wij zijn gekomen om de trommel. Als wij in ons dorp
waren, hoorden wij de trommel, die weerklonk in den hoogen hemel;
wij, toen wij ze hoorden, wij zijn gekomen.
En zij namen plaats bij de dansers en zij dansten en dansten. Toen
de dans uiteenging, gingen zij slapen.
Toen de zon opstond, doodde men een verken; zij aten. Men danste
weer, en de ouden zegden tot de jongeren, alzoo: Neemt uw vleesch,
wij gaan terug naar ons dorp.
Maar de jongeren wilden niet, alzoo: Wij, wij zijn de kinderen van
Na Makumba, wij blijven hier.
De ouden drongen aan; maar de jongeren wilden niet.
Toen zij er genoeg van hadden, gingen zij weg. Maar de jongeren
bleven daar.
Maar hunne bloedverwanten, toen zij dat vernamen, spraken, alzoo:
Wel! Gaat onze kleinen halen. Hebt gij ze daar niet geleid?
Maar zij antwoordden: Wij hebben alles uitgedacht om ze mede te leiden;
maar zij wilden niet. En wij zijn vertrokken.
En men ging de kleinen verwittigen; maar zij kwamen niet terug, omdat
het dorp van Na Makumba een goed dorp was. Het nieuws verspreidde zich
in de omliggende dorpen, en men trok op naar 't dorp van Na Makumba.
Zij ook, toen zij dat zagen, alzoo: 't Is wel; wij ook, wij gaan
daar wonen.
Zij kwamen en zij vroegen eene plaats aan Na Makumba.
En hij toonde hun een heele streek.
Maar in hun dorp was de vader en de moeder gebleven, die deze kinderen
hadden van kant gemaakt.
Zij dachten, alzoo: Men vertelt 't nieuws; misschien is het waar. Wij
ook, wij gaan het vragen. Misschien zijn het de kinderen, die wij
weggeworpen hebben?
Hij, de oom, die de eerste in 't nieuwe dorp gekomen was, ging bij
de onderdanen, alzoo: Gij onderdanen, wij koopen geiten en verkens
en palmwijn; dan toonen wij vader en moeder aan 't opperhoofd. Alzoo
zal hij hen misschien vergeven!
De onderdanen wilden niet redetwisten, alzoo: 't Is wel, wij koopen
die geschenken.
En zij legden mitakos te zamen en zij kochten geiten, verkens en
palmwijn. Zij leidden vader en moeder tot bij Na Makumba. De oom
kwam spreken, alzoo: He, opperhoofd, uw vader en moeder kom ik u
toonen. Zij hebben u gebaard. Wij, wij hoorden 't spreekwoord, dat
men u weggeworpen had. Eenigen onder ons, zegden, alzoo: Gij, vader
en moeder, gij hebt deze kinderen verworpen. Zij spraken niet. En nu
komen wij ze u toonen: Hier dus is uw vader, en daar is uw moeder,
gij ziet ze alle beiden.
Maar Na Makumba, toen hij dit hoorde, zegde, alzoo: Ik, ik heb geen
vader noch moeder. Zij, zij hebben mij hun hart gebonden, en mijn vader
zegde aan mijn moeder, alzoo: Hier, als gij schoone kinderen baart,
verzorg ze dan; indien het mismaakte zijn, verzorg ze niet. Wij,
wij waren niet schoon; wij hadden groote navels en zij hebben ons
weggeworpen. Maar nu mijn vader en mijn moeder komen bij mij; ik
vraag hun anders niet, dat zij alleenlijk hun wijsvinger afsnijden
[169], en hem mij geven. Alzoo zal ik zien, dat zij mijn vader en
mijn moeder zijn.
En men sneed aan vader den wijsvinger af; en aan moeder trok men een
nagel uit den vinger.
Dan toonde hij hun een hut. Maar hij wilde de geschenken niet
ontvangen.
De tijd vervloog en vader en moeder stierf. Hij beval aan zijne
onderdanen ze te begraven.
En hij werd een groot opperhoofd. 't Dorp van Na Makumba werd overal
vermaard. Na Makumba was een groot opperhoofd in de ronde.
Kivwanza.