NKUMINA

Eene vrouw ging hout rapen. Toen zij ging, zag zij de kleinen van

eenen Luipaard in 't hol van eenen boom. Zij nam er eenen, en zij

kwam in 't dorp. Toen zij hem voorbereid had, at zij hem op. Op een

anderen dag ging zij terug, en zij nam de twee andere kinderen van

den Luipaard. Maar toen zij op den weg was, kwam de Luipaard aan.

Hij, alzoo: Wat voor zaken liggen daar in uw korf?

Zij, alzoo: Vader, mijn maniok ligt daarin.

En hij, alzoo: Zet uwen korf op den grond neer.

En zij legde den korf neer en de Luipaard, toen hij keek, zag zijn

twee kinderen: He, he! Moeder, ik verscheur u. Ik vat u. Wat! Gij,

mijne kinderen zijt gij komen stelen!

En zij, alzoo: Vader, laat mij gaan, ik ben zwanger. Wanneer ik

gebaard heb, indien het een meisje is, 't is uwe vrouw; indien het

een jongen is, uw naam draagt hij.

De tijd vervloog, de vrouw had gebaard. 't Was een meisje. De Luipaard,

toen hij 't nieuws hoorde, alzoo: Uwe schoonmoeder heeft gebaard,

't is een meisje.

En hij kocht vleesch en parels, en drie kruiken palmwijn.

En hij kwam tot bij de vrouw, en hij schonk haar den palmwijn uit,

alzoo: Gij, gij hebt het mij beloofd; om mijne vrouw ben ik gekomen.

En zij dronk den palmwijn; toen hij uit was, alzoo: Vader, wel,

blijf daar staan in den omtrek, ik zal 't meisje naar 't water sturen.

De Luipaard ging zich verbergen. Zij, de moeder, zij riep haar kind,

alzoo: Nkumin'e! Nkumin'e!

Zij, alzoo: Hier ben ik.

Zij, de moeder, alzoo: Kom hier, moeder, ga water scheppen.

Zij nam twee kruiken op, zij legde ze in haar korf. En zij ging naar 't

water, en zij schepte; de kruik legde zij in 't hooge gras. Zij schepte

weer water met de andere kruik. Toen de kruik vol was, legde zij ze

in haren korf. Zij wilde vertrekken, maar de Luipaard had haar gevat.

In 't dorp waar vader en moeder waren, had men den weduwestaat van

hun verloren kind begonnen.

Nkumina waar zij gegaan was, op zekeren dag, zegde zij tot den

Luipaard, alzoo: Mijn maniok, die in mijn dorp gebleven is, ga ik in

't water leggen.

Hij, de Luipaard, alzoo: Ik ga u bewaken.

Zij, alzoo: Wel, gij, oude grijsaard, gij zijt oud, ik zou u moeten

dragen tot aan 't maniokland. Gij, ga wild jagen.

Nkumina, toen zij afkwam, hadden de vrouwen, die in 't dorp gebleven

waren, zich vereenigd, alzoo: Welaan, laat ons gaan, wij doen onze

aardnoten uit.

En zij gingen naar 't veld. Zij, toen zij kwam, bleef staan op den

kleigrond. En zij speelde den koker, alzoo: Ke, ke, ke! Zij, de moeien,

alzoo: Luistert, wie komt daar den koker spelen?

Zij, Nkumina hief een lied aan, alzoo: Ik ben gegaan, ik de arme

Nkumina. Weet ge, mama heeft mij opgeëten [95], en vader weet het niet.

En zij zong dat lied, en zij kwam het zingen tot aan het water.

De Luipaard, waar hij gebleven was, had twee wilde geiten gevat en

twee egels ook. En hij kwam ze neerleggen, alzoo: Neem uw vleesch aan,

bereid het.

Toen zij het voorbereid had, zij aten het, 't was klaar.

Zij, die op 't veld waren, toen zij in 't dorp kwamen waar de vader

was, alzoo: Uw kind komt weenen op den kleigrond, alzoo: Ik ben gegaan,

ik de arme Nkumina; weet gij, mama heeft mij opgeëten, en vader weet

het niet.

Hij, de vader, alzoo: 't Is leugen, gij liegt.

Zij, alzoo: He, beste vader, 't is geen leugen. Op een anderen dag,

kom, ga met ons mede, en gij zult het zelf hooren.

Zij, 't meisje, waar zij was, dacht, alzoo: Vandaag ga ik naar 't land,

ik ga de andere maniokwortels, die er nog overblijven, uittrekken.

En zij kwam, zij kwam dichtbij, en zij bleef daar staan.

Zij, de vrouwen kwamen ook om aardnoten uit te doen. Zij, toen zij

kwam en kwam en kwam, speelde weer den koker.

Een oude onder de vrouwen, sprak: He, gij, kinderen, houdt op met

tateren; hoort gij den koker niet?

En zij hief weer 't lied aan: Ik ben gegaan, ik de arme Nkumina;

weet gij, mama heeft mij opgeëten en vader weet het niet.

En 't lied weergalmde, en 't werd droevig en droeviger, en zij weende.

Zij, de vrouwen, alzoo: Moeder, kom terug; kom uwe aardnoten nemen.

Maar omdat zij vol schaamte was, dat zij uit haar dorp vertrokken

was met den Luipaard, durfde zij niet meer bij hen komen. En zij

ging en zij ging, zij kwam aan de rivier aan: Wacht, ik wasch mijn

aangezicht af.

De Luipaard, waar hij gebleven was, had drie reebokken gevat en een

antilope. Zij hakte 't vleesch in stukken, zij maakte het gereed,

zij aten en 't was klaar.

De vrouwen toen zij in 't dorp kwamen, vertelden weer 't nieuws,

alzoo: Gij, hoort gij, wij vertellen u 't gebeurde, en gij, gij

maakt u slechts kwaad. Uw kind waarlijk is daar komen weenen op den

kleigrond. Wanneer wij u roepen, dat gij komet, gij wilt niet. Maar

vandaag, vooruit, neem uw kind terug.

En hij, hij nam zijn geweer, en zij gingen tot aan 't aardnotenland.

Zij, de vrouwen, alzoo: Neem uwe aardnoten aan en eet. Misschien

zal zij niet rap komen, en uw hart zal honger lijden; dus neem uwe

aardnoten en misschien zal zij daarna afkomen.

Hij, alzoo: Neen, ik wil niet, ik eet geene aardnoten, want dat hart

van mijn kind is al lang verloren en verloren.

En zij toonden den kleigrond. En hij ging daar staan. En hij wachtte

en wachtte, zijn hart had honger. En hij kwam. En zij, Nkumina,

zijn kind, kwam hem daar vervangen. En men hoorde den koker, hij sprak.

De vrouwen, alzoo: Luister, hoort gij den koker niet, die daar aan 't

weergalmen is, waar gij stondt. Wel, gij, man, hebt gij geen verstand?

Zij, 't kind zong weer 't lied, gelijk zij de andere dagen zong.

Hij, de vader viel op den grond, en aan 't kruipen en 't kruipen tot

dicht bij haar. Maar zij, toen zij 't zag, zij ging heen. En hij de

vader aan 't volgen en volgen; 't kind aan 't gaan en de vader aan 't

volgen. Toen zij gingen en gingen, toen zij ver weg waren, zij Nkumina

begon te loopen. De zon was ondergegaan, en de avond begon te vallen.

Zij, die in 't dorp gebleven waren, spraken, alzoo: Onze oude is

verloren, van dezen morgend vroeg is hij weggegaan. Waar hij gegaan

is, misschien heeft men hem gedood.

Maar hij, hij vervolgde het kind, waar het ging. Toen hij haar

inhaalde, toen hij haar naderde en naderde, hij legde zijn geweer

aan waar zijn kind was, alzoo: Vermits gij wegvlucht, zijt gij dood.

't Kind bleef dan staan en 't kwam geloopen naar zijn vader en 't

viel in zijn armen, alzoo: Zij, de moeder, toen ik nog niet geboren

was, ging de drie kleinen van den Luipaard stelen, maar de Luipaard

wilde haar verscheuren. Zij, de moeder, alzoo: Laat mij los, ik ben

zwanger, ik zal baren. Indien het een meisje is, 't is uwe vrouw;

indien het een jongen is, hij draagt uwen naam.

En de Luipaard ging heen. De moeder, toen zij mij gebaard had,

de Luipaard vernam 't nieuws en hij sprak alzoo: Mijn schoonmoeder

heeft gebaard.

En hij kocht vleesch en palmwijn, en hij kwam, en hij kwam den palmwijn

uitschenken aan de moeder, alzoo: Gij hebt het mij beloofd, indien

gij een meisje baart, 't is mijne vrouw. Indien het een jongen is,

mijn naam draagt hij.

De moeder, toen zij den palmwijn gedronken had, zegde aan den Luipaard,

alzoo: Wel, ga, verberg u.

En zij riep mij, alzoo: Vat de kruik, ga water putten, kindlief!

Ik antwoordde, alzoo: Ik wil niet!

En zij, alzoo: Wel, ga, mijn kind, o moeder van smarten.

Ik, toen ik dit hoorde, ik kon niet weerstaan, en ik ging, ik putte

water. Een kruik was vol, ik legde haar in 't hooge gras. Ik putte een

andere vol water, ik legde haar in den korf, ik wilde weggaan; maar ik

voelde iets op mijn armen, alzoo: Vo [96]. 't Was de Luipaard. Hij nam

mij mede, en ik vroeg hem, alzoo: Wel, gij, waar leidt gij mij henen?

Hij, alzoo: Uwe moeder heeft u verkocht.

En wij gingen tot in zijn dorp. En ik verbleef daar, maar ik dacht

verstand uit, alzoo: He, Luipaard, beste vader, den maniok, dien ik

geplant heb in mijn dorp, ga ik uitdoen. Hij, alzoo: Vooruit, ik ga

mede. Maar ik, ik hield hem tegen, alzoo: Blijf, gij, hier. En ik kwam

maniok uitdoen, en ik kwam mijne moeien hier tegen. Zij riepen mij;

maar ik kwam niet, omdat de schaamte mij gevat had.

De Vader was verheugd en verheugd, omdat hij zijn kind had

teruggevonden. En zij kwamen en kwamen tot in hun dorp.

Toen zij in de nabijheid van hun dorp kwamen, riep de vader. En 't

heele dorp kwam af, om 't opperhoofd met vreugde te ontvangen. En zij

zagen hem met zijn kind. En zij omringden hem, en zij vroegen hem uit,

alzoo: Nkumina, waar is zij geweest?

En alzoo kwamen zij tot in 't dorp.

Maar de avond viel, en zij sliepen. Den volgenden dag 's morgens,

deed de vader het nieuws verspreiden, en de trommels kwamen af, en men

hield groot feest; 't feest weergalmde en weergalmde, en men danste

de glorie van Nkumina; en men danste en danste wel eene maand lang,

want 't kind, dat al zoolang verloren was, was vandaag teruggevonden.

Kimoa.

Uit den Kunstschat der Bakongos · 第 45 / 153 题