De Luipaard en de Gazelle gingen hun dorp bouwen, alle twee, en zij
hadden nog alle twee hun moeder. De Luipaard had zijn kind Kiteba. De
Gazelle, zij had geen kind.
De tijd vervloog en de tijd vervloog. De moeder van de Gazelle had
een ziekte opgevat; zij was ziek en ziek en zij stierf.
De Gazelle weende en weende.
De Luipaard haastte zich niet om te komen weenen [59].
Dan had de Gazelle eenige kassen poeder losgemaakt, en zij schoot
en schoot.
De Luipaard, als hij 't vuur hoorde, kwam af, alzoo: Ik zal gaan; ik ga
vragen aan de Gazelle, dat vuur dat zij aan 't schieten is, wat het is?
En hij kwam, alzoo: Het vuur dat gij schiet, wat is 't?
Zij, alzoo: Ik, 't vuur dat ik schiet, mijn moeder is gestorven.
Maar de Luipaard, alzoo: Welaan, wij gaan ze u begraven.
De Gazelle, alzoo: Voor haar heb ik nog geen kleedingsstoffen gezocht
om haar te begraven [60].
De Luipaard, alzoo: Wel, als wij kleedingsstoffen gaan zoeken, zal zij
ze betalen, of zal zij verrijzen? Wij hebben geen kleedingsstoffen,
die wij uitdeelen.
De Gazelle, alzoo: 't Is wel. Vooruit! Wij zullen ze begraven.
En zij gingen, zij begroeven 't lijk. En zij kwamen terug van de
begrafenis.
En de tijd vervloog en de tijd vervloog. De moeder van den Luipaard
had ook eene ziekte opgevat. En zij was ziek en ziek, en zij stierf.
De Luipaard, alzoo: He, mijn kind Kiteba, kom. Ga de Gazelle
verwittigen, dat zij kome.
De Gazelle kwam, en zij bonden 't lijk in kleedingsstoffen.
De Luipaard, alzoo: Ik, vooraleer ik mijne moeder begraaf, ga ik
feest houden.
De Gazelle, alzoo: 't Is wel.
En de Gazelle ging terug naar huis. En de tijd vervloog; wel eene
maand was er vervlogen. De Luipaard had palmwijn uitgedeeld aan al
de dorpen, die in den omtrek waren. En hij stelde den dag, waarop
zij het lijk zouden begraven.
De dag was verschenen!
Die trommels hadden, kwamen af. En men danste en danste. De Luipaard
beval aan zijne slaven, alzoo: Welaan, gaat sterke boomtakken afkappen,
die niet vermolmd zijn, om de kleedingsstoffen er op te leggen.
De slaven gingen en zij gingen boomtakken afsnijden. Maar een
jongen zag een schoone staak. Als hij die staak zag, alzoo: Ik zal
dien afkappen. En hij sloeg met zijn kapmes, alzoo: Te [61]! Maar
de Gazelle was eerst in dien boom gekropen en zij hief een lied aan,
alzoo: He, kleinen, wij zijn in dit woud!...
Als hij dat hoorde, riep hij de anderen, alzoo: He, vrienden, komt
hier, komt luisteren, deze boom is een lied aan 't zingen.
De kleinen kwamen af, en als zij kwamen, was de boom weer aan 't
zingen. Zij wierpen de kapmessen op den grond, en allen waren aan
't dansen.
De Luipaard keek en keek, en hij zag de kleinen niet, alzoo: Hoe! De
kleinen zijn reeds lang vertrokken om staken, en zij zijn nog niet
teruggekomen.
En hij beval weer andere kleinen, alzoo: Gaat en verwittigt ze,
dat zij aanstonds komen.
De kleine kwamen af, alzoo: Wel, gij, vader in 't dorp maakt zich
kwaad op u, vertrekt spoedig.
Zij, alzoo: Wel, komt hier en luistert. De boom is bezig een lied aan
't zingen.
Maar de kleinen, die juist toegekomen waren, waren aan 't redetwisten,
alzoo: Aan 't liegen zijt gij.
En zij kwamen naderbij, en de boom was aan 't spreken.
Allen, en degenen die eerst gekomen waren, en degenen die gevolgd
hadden, vielen aan 't dansen.
De Luipaard, hij keek en keek; 't was 't zelfde; hij zag ze niet
afkomen. En hij schoot vol gramschap. En hij ging hij zelf, alzoo:
De kop van Moeder Luipaard [62]! Ik zal ze slaan, daar waar zij zijn.
En hij ging. Toen hij daar aankwam, begon hij eenige kleinen te slaan;
maar de anderen, alzoo: He, grijsaard [63], slaat ons niet voor niet;
kom zelf en luister, vermits gij gekomen zijt.
En hij nam een kapmes en hij sloeg, alzoo: Te!
De boom spreken begon te spreken en hief een lied aan, alzoo: He,
kleinen! Wij verblijven in 't bosch.
De Luipaard, als hij het lied hoorde, viel aan 't dansen met al
de kleinen te zamen, en sprak alzoo: He, mijn kind Kiteba, maak de
plaats schoon, en laat ons wel dansen. Dat vijf kleinen naar 't dorp
terugtrekken. Haalt de vijf baaltjes stof, die wij om 't lijk mijner
moeder gedaan hebben. Deze boom vraagt dit alzoo, omdat mijne moeder
misschien in den boom is binnengedrongen; zij wil misschien niet dat
men haar begrave.
De kleinen gingen de vijf balen stof halen, en zij kwamen. De Luipaard
deed al de stof rond den boom. Al wat hij bezat, was er rond, en niets
meer bleef er over om feest te houden. Hij dwaalde overal rond. Iets
om zijne moeder te begraven, niets.
't Was avond geworden, en men trok terug naar 't dorp.
De Gazelle, toen zij zag, dat men vertrokken was, kwam uit den boom;
zij verzamelde al de balen, trok op en ging ze verbergen. Daarna ging
zij terug naar haar dorp.
Men sliep; 't weder was klaar geworden. De Luipaard beval aan de
slaven, alzoo: Welaan gaat zien, waar wij de balen stof gelaten hebben.
Maar er bleef niets meer over. Alles was verdwenen.
De Luipaard dwalen hij dwaalde, en hij had hoegenaamd niets om zijne
moeder te begraven.
En de Gazelle bracht hem drie balen stof, men bond ze om het lijk,
en men begroef het.
En de vreemdelingen, die de Luipaard had uitgenoodigd om den doodendans
zijner moeder te dansen, hij had niets om hun te geven. Toen de
Gazelle dat zag, ging zij een verken slachten, en zij verdeelde het
aan de vreemdelingen.
En eenieder trok terug naar zijn dorp. Maar de Luipaard was vol
schaamte.
Kivwanza.