WRAAK VAN DE GAZELLE

De Gazelle, alzoo: He, Luipaard, vat uwe moeder, wij dooden haar,

wij drinken haar bloed.

De Luipaard nam zijne moeder. Zij gingen naar de rivier. Hij alzoo:

Gij, Gazelle, blijf rivierafwaarts; als gij ziet dat 't water troebel

wordt, dat het modderachtig is, doe uw mond weg en drink niet. Maar

als gij ziet dat het water rood wordt, dan is 't bloed van moeder.

De Luipaard, rivieropwaarts, sneed zijne moeder de keel af. Maar de

Gazelle had veel verstand. 't Water, zij dronk het niet. De Luipaard

vroeg, alzoo: He, Gazelle, hebt ge genoeg gedronken?

Zij, alzoo: Ik heb genoeg, vader, laat ons gaan.

Hij, alzoo: He, Gazelle, vermits wij vandaag mijne moeder geëten

hebben, de uwe zullen wij morgen eten.

En zij trokken op. De Gazelle ging naar haar huis. De Luipaard naar

zijn huis. Zij sliepen. 't Weder, toen het klaar geworden was, sprak

de Luipaard alzoo: He, Gazelle, vooruit waar wij gisteren geweest zijn.

Zij alzoo: Ik, ik ga langs denzelfden weg niet; gij, Luipaard,

ga voorop rivierafwaarts, waar ik gisteren gedronken heb. Ik,

rivieropwaarts.

De Gazelle, toen zij ging, nam een geitje, sneed het den hals af,

alzoo: He, Luipaard, zie rivierafwaarts, 't bloed van moeder komt

aan. De Luipaard, toen hij dronk en dronk en dronk, de Gazelle vroeg

zoo: He, Luipaard, hebt ge genoeg gedronken?

Hij, alzoo: Ik heb genoeg, ik, uw oom [42], kom, laat ons gaan.

En zij waren, zij waren. De Gazelle ging om koophandel te drijven. Zij

liet haar moeder in haar geheimkamer, alzoo: Als gij hoort dat ik het

lied aangeheven heb: Ik, ik heb de moeder van den Luipaard gedood;

de mijne kan hij niet; dan antwoord mij.

En zij deed de deur op slot; zij zette er stokken voor en 't huis

was vast, heel vast in slot. En zij trok weg.

Maar de Luipaard had 't lied afgeluisterd van de Gazelle.

Op zekeren dag kwam hij af, hij schoot met vuur en hij schoot en hij

schoot [43]. Dan hief hij den zang aan, dien de Gazelle gezongen had;

maar de moeder geloofde het niet, want zij dacht alzoo: Mijn kind

is nauwelijks vertrokken; om de dingen te verkoopen, kan hij zoo rap

niet handelen.

De Luipaard vertrok.

Hij wachtte en wachtte, kocht alweer poeder en kwam tot op de

plaats. Hij schoot weer en hij schoot en hij schoot, en hij hief den

zang aan, dien hij van de Gazelle had afgeluisterd.

Zij, de moeder antwoordde. Maar toen hij beproefde, 't huis kon hij

niet. Hij nam een bijl, hij sloeg de deur in stukken, hij ging binnen,

hij nam een mes, hij sneed de moeder van de Gazelle in stukken. Hij

nam een andere deur, hij hing ze in de plaats, sloot de deur dicht

en kwam in zijn dorp terug.

De Gazelle, toen zij den koophandel had gedreven en hare goederen

verkocht had, kwam in haar dorp terug.

Toen zij dicht bij 't dorp kwam, schoot zij kassen poeder en poeder

en poeder, dan begon zij 't lied te zingen: Ik, ik heb de moeder van

den Luipaard gedood, de mijne kan hij niet!

Maar zij hoorde niet dat hare moeder antwoordde. Zij kwam het huis

opendoen; toen zij de deur vasthield, maakten de lijkwormen gerucht

[44].

En zij sloeg in hare handen, alzoo: Vu [45]. Zij begon te weenen

en te weenen en te weenen. Zij verzamelde de beenderen en bond ze

bijeen. En zij begroef ze. En de tijd vervloog.

De Gazelle ging haar verstand uitdenken. Zij vervaardigde ringen,

kleedde er wel zes aan en werd een schoone jonkvrouw. Zij bond een

mandeken aardnoten vast en een bananenrist.

Toen de zon was ondergegaan, kwam zij aan, waar de Luipaard was. Zij,

alzoo: Heer Luipaard is hij hier?

Hij, alzoo: Ik ben hier, Mama [46].

En zij kwam binnen, zat neer, groette hem bij handgeklap, alzoo: Neem

dit mandeken aardnoten aan en deze bananenrist, die mijne moeder mij

gegeven heeft.

De Luipaard groette bij handgeklap, alzoo: Ik bedank er u voor, Mama.

Toen zij koutten en koutten, de Gazelle, alzoo: Ik moet vertrekken.

De Luipaard, alzoo: Wacht een weinig, laat ons kouten, dan gaat

gij weg.

De Gazelle, zij wilde niet. En zij ging, zij sliep. 't Weder was

klaar geworden en de zon was opgestaan.

Zij doodde een kieken, kwam het dragen aan den Luipaard.

Zij bleef daar slapen. Maar hij, de Luipaard, hij wist niet dat het

de Gazelle was; hij dacht alzoo: 't Is mijn verloofde.

Toen de zon was opgestaan, kocht hij een verkensbil, twee kleine

vrouwenpanen en drie groote vadems stof; ieder vadem bestond uit

twee stukken, die samen genaaid waren. Hij gaf het aan de jonkvrouw

en zij trok terug naar haar dorp. En zij ging, zij sliep.

Den volgenden dag, toen de zon opgekomen was, ging zij naar 't hooge

gras; zij ging er makwakwa [47] en mankundia [48] halen en rupsen van

alle soorten, goede en slechte. Zij legde alles in een pot ondereen,

en zij had het voorbereid.

's Avonds kwam zij in het dorp van den Luipaard aan. Zij spreidde het

eten open. De Luipaard, toen hij het eten naar zich trok, vroeg alzoo:

Gij, Nkenge [49], eet gij niet?

Zij, alzoo: Ik heb geëten in 't huis van mijne moeder. De Luipaard

viel aan 't eten. En hij at, hij at, 't was klaar gemaakt. Toen voelde

hij aan zijne keel, alzoo: De [50].

Hij, alzoo: Gij, mijn beste, dat kittelen aan mijn keel, wat is 't?

Zij, alzoo: Mijn Luipaard, mijn man, gij zijt aan 't lachen,

he! Misschien de peper kittelen, zij kittelt.

Het kittelen verergerde, en hij, alzoo: He, Nkenge, krab aan mijn keel.

En hij hoestte en hoestte en hoestte en hij stierf.

De Gazelle nam den koker [51], ging op den weg en speelde: Ke, ke,

ke [52]! Ik ben de Gazelle van verstand, ik ben de lieveling van

mijn moeder.

Zij nam de kiekens, die de Luipaard achterliet en de geiten en zijne

vrouwen. Zij brandde zijn huis af en zij ging naar haar dorp terug.

Kimoa.

Uit den Kunstschat der Bakongos · 第 34 / 153 题