DE PALING EN HET WATER

Een mensch had zijn vischfuik geplaatst en de Paling werd er in

gevangen. De Paling sprak, alzoo: He, Water, ik ben gevangen.

Het Water, alzoo: Gelief zoo droevig niet te huilen, want eens komen

wij weer te zamen.

En men vatte den Paling. En hij sprak weer, alzoo: He, beste Vader

Water, ik ben gegaan!

Het Water, alzoo: Waarom spreekt gij alzoo, Vader Paling? Wij komen

immers weer te zamen.

En men ging naar 't dorp, en men braadde den Paling.

Hij, alzoo: He moeder, men braadt mij.

Het Water, alzoo: He, Vader Paling, waarom zegt gij dat. Zeg dat niet

meer; het sterven, hebt gij het alleen niet gezocht?

En men braadde den Paling.

De Paling sprak weer, alzoo: He, Water, ik ben op een palmlat gestoken,

vader.

En hij huilde en huilde, alzoo: He, moeder, ik ben dood; he, moeder,

ik ben op een palmlat gestoken.

Het Water, alzoo: Zeg dat niet meer; waar gij gaat, zullen wij

malkander tegenkomen.

De Paling verdroogde op de palmlat.

En men legde den Paling in 't water, om hem te doen opzwellen, en

daarna om hem op te eten.

Maar de Paling sprak, alzoo: He, moeder, men heeft mij in 't water

gelegd om mij te doen opzwellen.

Het Water sprak in de kruik: Zeg dat niet; en gij en ik wij zijn

te zamen.

Men at den Paling. Maar de Paling sprak, alzoo: He, moeder, ik ga

er in.

En men at den Paling. Daarna dronk men water.

Naar binnen was de Paling gegaan. En het Water en de Paling kwamen

te zamen, en zij zagen malkander.

Ndanda.

Uit den Kunstschat der Bakongos · 第 27 / 153 题