DE HOND DIE DEN EGEL MISPRIJST

Meester Hond en Meester Egel en Moeder Pad en Meester Patrijs en

Meester Papegaai, toen zij vereenigd waren, om koophandel te drijven,

alzoo: Vooruit, wij gaan koophandel drijven.

Zij verzamelden een langen dragerskorf eten. En zij trokken op. Maar

het land waar zij gingen handel drijven, was ver. Zij waren gekomen

op halven afstand; 't eten, dat zij medegedragen hadden, was op. Toen

kwamen zij aan een verlaten dorp. Meester Papegaai, toen hij een nog

niet rijpen palmnotenrist op een palmboom zag, zegde zoo: Wij allen,

wij wachten hier tot dat die palmnotenrist op die palmboom rijp is,

ik zal de palmnoten eten en dan vervolgen wij onzen weg.

Zij kwamen allen te zamen, zij bleven daar drie maanden. Die

palmnotenrist, toen hij rijp was, at Meester Papegaai hem op en dan:

Laat ons optrekken.

Zij gingen weg. En zij gingen, zij gingen, zij gingen; zij kwamen

een beetje verder dan halfweg.

Meester Patrijs zegde zoo: Voor mij, steekt dit groot stuk gras

in brand; met den eersten regen, die er opvalt, zal het jonge gras

opschieten, ik eet. En dan zullen wij weggaan.

Zij staken 't gras in brand, de eerste regen viel, 't jonge gras

schoot op en Meester Patrijs die at.

Zij gingen weg, en zij gingen, zij gingen, zij gingen.

Moeder Pad, alzoo: Voor mij ook, kapt die nkambaboom [13] af. Als

hij rot geworden is, zullen de witte mieren hem aanaarden en ik eet

de witte mieren op. En dan zullen wij weggaan.

Toen zij den nkambaboom hadden afgehakt, toen hij was verrot, aardden

de witte mieren hem aan. En Meester Pad, die at de witte mieren op,

en sprak zoo: Laat ons optrekken.

En zij gingen weg, en zij gingen, zij gingen. Toen zij heel wijd

aankwamen, Meester Egel alzoo: Voor mij ook, verbrandt dit stuk

gras. De madiadia [14] schieten weer op, en ik eet. Toen staken zij

't gras in brand, de madiadia schoten op, en Meester Egel toen hij

gegeten had, sprak alzoo: Nu vooruit!

Zij stonden op, gingen weg, en gingen; zij waren heel ver.

Meester Hond, alzoo: En voor mij, gaat hout rapen, gij allen. Ik droog

mijn neus boven 't vuur; als hij gedroogd is, dan gaan wij weg. Zoo

zijn wij allen gelijk.

Zij, alzoo: 't Is goed. Blijf gij hier, Meester Hond, wij gaan om hout.

Meester Patrijs en Meester Papegaai: He, wij twee, wij rapen

afzonderlijk.

Meester Egel en Moeder Pad langs hunnen weg gingen hout rapen. Toen

zij mutsaarden hout geraapt hadden, toen zij kwamen, maakten zij een

groot vuur, het vuur knetterde en knetterde.

Zij alzoo: A! Meester Hond, nu kom af, kom, droog uw neus.

Meester Hond, kwam af, zat op zijn hurken dicht bij het vuur, en zij

maar altijd hout aan 't in werpen; de neus, hij wilde drogen; maar

zij, wanneer zij ergens anders keken, lekte Meester Hond zijn neus,

en hij was weer aan 't loopen, aan 't loopen.

Maar zij, aan 't hout werpen, waren zij bezig. De neus van Meester

Hond droogde en hij droogde niet.

Zij alzoo: Nu en langen tijd geleden, zijn wij begonnen, den neus

van Meester Hond drogen wij, hij is bijna droog, en toch hij droogt

niet, loopen doet hij; onze koppen doen zeer; altijd hout in werpen,

en hout in werpen.

Meester Patrijs en Meester Papegaai kwamen met malkander in

akkoord. Meester Papegaai, alzoo: Gij, Meester Patrijs, wij vluchten;

laat ons het zeggen aan Meester Egel en Moeder Pad. Indien zij naar

ons niet luisteren, wij, wij vluchten.

Meester Pad en Moeder Egel, toen zij kwamen, allen waren vereenigd.

Meester Patrijs zegde hun alzoo: Gij, Ouden [15], de neus van Meester

Hond, wij drogen, wij drogen. Vandaag, 't is nu twee maanden. Hij,

zoo gij ziet, hij droogt niet. Wel, blijven wij hier dus? Wij gaan

vluchten, grooten honger, 't eten is op.

Meester Egel, alzoo: Laat ons gaan, om het aan Meester Hond te vragen;

wel vooruit. Indien hij iets tegenwerpt dan vluchten wij.

Zij alzoo: 't Is wel, vooruit naar Meester Hond.

Toen kwamen zij en zegden aan Meester Hond, alzoo: Meester Hond,

laat dit lastig werk varen.

Meester Hond alzoo: A, en waarom? Wij allen, toen wij op weg gekomen

zijn, was het geen lastig werk, dat gij gevraagd hebt? Gij, Meester

Papegaai, gij hebt uwe palmnoten gegeten; gij, Meester Patrijs, gij

hebt uw jong gras gegeten; gij, Meester Pad, hebt den nkambaboom doen

kappen; toen hij rot was, at gij de witte mieren; gij, Meester Egel,

hebt dat stuk gras in brand gestoken, die felle struiken van gras; de

madiadia, toen zij weer geschoten waren, gij at ze op. En nu willen

wij vertrekken. Maar ik? Droogt mijn neus, dat hij droog worde. Dan

zullen wij vertrekken. Indien hij niet droog wordt, geen mensch mag

hier weggaan.

Meester Patrijs en Meester Papegaai, alzoo: He Meester Egel, he Moeder

Pad, wij hadden eten, 't is op. En wij zouden hier blijven! Eenieder,

die hier blijft, ziet, hoe wij optrekken. Als hij ons vat, dat hij

ons ete.

Meester Patrijs en Meester Papegaai stegen naar boven op.

Moeder Pad en Meester Egel vluchtten langs den grond weg.

Meester Hond, alzoo: Gij allen, die geëten hebt, wel, ik doe

mijnen neus verdrogen, en nu volhardt gij daar niet in. Gij zijt

weggeloopen. Ik zal volgen waar Meester Patrijs en Meester Papegaai

gevlucht zijn.

Toen hij ze volgde, langs den hemel gingen zij.

Meester Hond, alzoo: Die niet, neen. Indien ik volhoud ze te volgen,

ik lijd voor niet; 't is niets gekort, en ik kom er af als een zot. Ik

trek er van onder; ik volg waar Meester Egel en Moeder Pad vluchten.

Toen hij aan de deur van Moeder Pad kwam, wilde hij Moeder Pad

vastgrijpen; maar zij had schelpen op den rug.

Meester Hond sprak: He, den dood zou ik zoeken voor niet.

En hij liet Moeder Pad daar.

Dus volg ik Meester Egel tot aan zijn deur.

En hij volgde, hij volgde; hij greep Meester Egel [16] vast, hij

doodde hem. En hij at hem op. Meester Hond sprak deze wet uit, alzoo:

Gansch onze hondenstam, jagen en jagen [17]. Als wij de familie van de

boschdieren tegenkomen ofwel de familie der egels, ofwel de familie

van andere dieren, wij volgen maar, van 't begin van 't jaar, tot op

't einde van 't jaar. Zoo zijn wij met hen.

Spreekwoord van Meester Hond: Wild der bosschen jagen!

Sedert dien dag is Meester Hond in twist met Meester Egel. Tot op

dezer dagen nog, hebben zij geen vriendschap meer gesloten.

Een egel, die een hond tegenkomt, is dood, niet levend.

Mbengo.

Uit den Kunstschat der Bakongos · 第 25 / 153 题