Gedurende mijn verblijf in onze Kwango-missie heb ik de gelegenheid
gehad omtrent driehonderd onder de negers verspreide vertellingen te
verzamelen, waarvan ik er hier een honderdtal uitgeef.
Over het belang van een dergelijke verzameling hoef ik niet lang uit
te weiden.
Zij is immers een rijke bron voor een grondige kennis van de zeden,
gewoonten, gebruiken, godsdienstige en maatschappelijke begrippen, bij
een volk, dat ons meer dan eenig ander aan het hart moet liggen. Die
bron is veilig en zeker: zij borrelt op uit den grond zelf, zonder
door vreemde kanalen geleid, of, zooals dit te dikwijls gebeurt,
misleid te worden; haar autochtoon karakter vrijwaart ze tegen alle
vervalsching. Willen wij de Kongoleezen kennen--en zoo België eenmaal
Kongo overneemt, dan wordt het onze plicht niets te verwaarloozen om
zijne bewoners met hun eigen aard en gebruiken zoo goed mogelijk te
leeren begrijpen--dan kunnen wij door niets beter daartoe geholpen
worden, dan door hunne, wat ik noemen mag, literatuur, die toch de
weerspiegeling van hunne beschaving is.
Hebben de onder ons volk nog bekende vertelsels reeds zooveel
aantrekkelijkheid voor den folklorist, dan zal onze verzameling,
die meer dan eenvoudige vertelsels bevat, hem zeker wel belang kunnen
inboezemen.
Maar ook de letterkundige zal er in mogen grasduinen. Ik weet niet of
ik mij zelven bedrieg; of ik, door te groote sympathie voor dit volk,
dat aan onze herderszorg is toevertrouwd, te zeer ben ingenomen geraakt
met alles wat uitgaat van hen. Maar ik meen dat deze vertellingen,
zelfs als kunstproducten, het peil van het alledaagsche ver te
boven gaan.
Zeker, niet alle zijn even schoon. Maar toch, hoe aanschouwelijk
zijn de meeste! Welke fijne opmerkingsgave blijkt niet uit al de
trekken van hunne beschrijvingen! Welke gezonde humor! Vooral, welk
frisch en machtig natuurgevoel! Dit is nu primitieve kunst, die ook
de eenvoudigste jongen uit het volk kan begrijpen en smaken.
De man van de wetenschap zal ze mede kunnen bestudeeren met het
oog op het ontstaan van de verschillende dichtsoorten en op de
vergelijkende literatuur. Zou zelfs het nut dezer vertellingen,
die sedert eeuwen van geslacht tot geslacht worden overgeleverd,
niet verder reiken? Zouden ze geen aardig licht kunnen werpen op de
geschiedenis der kongoleesche volksstammen, op hunne verwantschap
onderling en zelfs met verwijderde volkeren?
Ik moet echter bekennen, dat ik hier niet op de eerste plaats een
wetenschappelijk werk heb bedoeld; maar slechts een grondslag voor
verdere wetenschappelijke studie. Daarom zie ik af van allerlei
vraagstukken, die anders in een Inleiding dienden behandeld, en
nl. over den oorsprong en den ouderdom van deze verhalen. Ik laat
alleen de allernoodzakelijkste toelichtingen volgen.
Enkele woorden vooreerst over het ontstaan van deze verzameling.
Al deze verhalen werden opgeteekend bij de Bakongos, zooals het staat
in den titel: Uit den kunstschat der Bakongos.
De Bakongos zijn een dier volksstammen, die tot de groote Bantoefamilie
behooren [1].
De Bakongos, dat wil zeggen: de menschen van Kongo, en niet, zooals men
gewoonlijk denkt en schrijft, de menschen van Neder-Kongo (Bas-Congo),
bewonen de streek, waaraan de Blanken, door het prefix Ba misleid,
den naam gegeven hebben van Neder-Kongo.
Van Matadi tot Leopoldville, langs beide kanten van den ijzeren
spoorweg; van den Kongostroom tot aan de Portugeesche bezittingen,
leeft deze volksstam.
Vóór lange jaren, hoeveel, dat is lastig vast te stellen, was
Neder-Kongo bevolkt door dwergen. Het waren menscheneters, Ba
Mindie bantu. Andere namen droegen zij nog, zooals Banzonguna,
Ba Mimbulumukina.
Die eerste bezitters van den grond, die menscheneters, werden uit
hun land verdreven door de Bakongos, die uit den Portugeeschen Kongo
vertrokken waren, en met pak en zak de streek kwamen binnengedrongen.
De hedendaagsche bewoners zijn dus afkomstig van den Portugeeschen
Kongo.
Hiervan enkele bewijzen. Wanneer zij hunne dooden begraven, zoo delven
zij het graf in dezer wijze, dat het lijk in den put daalt, met de
oogen gericht naar den Portugeeschen Kongo; want zoo zeggen zij:
Daar stond de wieg onzer voorvaders. Wij allen, wij zijn gesproten
uit ééne moeder.
Een ander bewijs ligt hierin dat de namen van de heiligen, die de
heidenen, zoowel mannen als vrouwen, dragen, bijna alle Portugeesche
namen zijn.
Hun verdere afkomst is weinig bekend.
De taal door de Bakongos gesproken heet Kikongo, nauw verwant met
de andere talen van de Bantoe-stammen. Zij is zeer welluidend en
klankrijk.
Ik heb deze verhalen in 't kongoleesch opgeteekend uit den mond
van heidenen en volwassen christenen zelf. Aanvankelijk ging het
niet gemakkelijk om die lui aan den praat te krijgen. Zelfs was het
een kleine oproer soms: sommigen waren boos tegen degenen die mij
hun verhalen hadden «verklikt.» Maar door een of andere lekkernij,
zooals b.v. zout of tabak, waarop de zwarten verslingerd zijn, wist
ik ze toch op dreef te brengen. Zelfs begon allengskens eigenliefde
haar werk te doen: en om strijd wilde nu ieder zijn beste vertelsel
mededeelen. Terwijl zij verhaalden schreef ik alles neer. En om mij
wel te verzekeren dat de overlevering aldus trouw was bewaard, nam
ik elke gelegenheid te baat om ook uit den mond van anderen dezelfde
verhalen meermaals te hooren: ik liet vertellen, terwijl ik op mijn
schrijfboek volgde. Zoo heb ik me kunnen overtuigen hoe gestereotypeerd
die overlevering is.
Want deze verhalen worden aldus, woord voor woord bijna, van geslacht
tot geslacht overgeleverd. Sommige zijn over uitgestrekte gebieden
verspreid; andere slechts in meer beperkte bekend. Daarom heb ik
bij elk verhaal, ook den naam en de streek opgenomen van dengene,
die het mij deed.
Al deze verhalen zijn bewaard in sterk gerythmeerd proza. Wat wij
verzen noemen, is in Kongo alleen in de zangen, waarmee de verhalen
meestal opgeluisterd worden, gebruikelijk.
Met honderden kennen de negers er. En dit valt niet te verwonderen;
hun geheugen wordt van jongs af daarin geoefend (geschrift hebben ze
niet); en hun geheugen is ook, natuurlijk, in dit opzicht althans,
veel sterker dan het onze.
Wanneer en hoe worden ze verhaald?
's Avonds om het haardvuur, bij het werk, op reis, enz.
Op mijn reizen om onze kapelhoeven te bezichtigen, zat ik soms in
den helderen maneschijn de zuivere avondlucht in te ademen. Sommige
van de kinderen dansten daar in 't ronde, met trommelslag en
handgeklap. Anderen zaten neer en vertelden onder elkander uit hunne
dorpen. Zoo b.v. op zekeren avond waren onze dragers, heidenen en
christenen te gelijk, om een fel vuurke gezeten. Een onder hen
verhaalde een geschiedenis uit vroeger tijd. De kinderen hingen
aan zijn lippen: met talrijke gebaren deed hij alles na. Kwam er,
zooals dit dikwijls het geval is, een zang in zijn verhaal, dan
hief hij dien zelf aan: daarna zongen allen te zamen mee. Van tijd
tot tijd ook onderbraken zij hem om hem gelijk te geven en in de
handen te klappen. Soms kondigde een of ander aan wat er gebeuren
ging. Anderen, met hun inheemsche muziek in de handen (kisansi:
klein speeltuig, waaruit ze vreemd-schoone noten weten te trekken)
luisterden en speelden te gelijk.
Op een anderen dag hoorde ik een verhaal opzeggen, maar heel rap; van
tijd tot tijd herhaalden de toehoorders eenige woorden te zamen. B.v.:
de zon was ondergegaan--en allen: de zon was ondergegaan. En na die
herhaling ging het weer voort.
Ook bij het werk verhalen ze dikwijls wat ze van hunne «ouden»
hebben gehoord. Dan is 't van tijd tot tijd, wanneer er een zang
in voorkomt, een roepen en tieren en gezamenlijk zingen, dat we ons
moeilijk kunnen voorstellen. 't Is echter gewoonlijk des avonds dat
de Kongoleezen hunne sproken ophalen. De kleine kinderen zijn daarbij
tegenwoordig. Zelfs bij de geschillen, die onder de opperhoofden te
vereffenen zijn, ontbreken ze niet: ze staan daar bij en luisteren toe.
Al deze verhalen worden zeer natuurlijk voorgedragen. Onze negers
zijn meesters in 't vak. Vóór twee jaren heb ik een heel spel Jozef
in Dothan in 't kongoleesch vertaald: onze leerlingen hebben het
wonderwel vertolkt op een groot tooneel in open lucht. Al de gezangen
waren melodieën van heidensche dansen, waarop wij andere woorden
hadden gezet. Het slaagde opperbest.
Reeds vier kleine bundels vertellingen en fabels heb ik in de
Kikongo-taal uitgegeven. Gedrukt in onze drukkerij te Kisantu dienen
ze als leesboek voor onze jongens in al de scholen, die wij in de
verschillende posten hebben opgericht.
Vroeger reeds had P. Butaye een bundeltje spreekwoorden, die onder de
negers zeer verspreid zijn, uitgegeven. Ik heb getracht dien kleinen
schat te vergrooten. Nog mogen we wijzen op ons maandschrift Ntetembo
eto «Onze Ster», in echte Kikongo-taal opgesteld. Sedert twee jaren
verschijnt daarin, bijna iedere maand, een verhaal over hunne spelen,
door negers zelf geschreven.
Het was een lastige taak een behoorlijke indeeling van deze
vertellingen te vinden. Geen enkele kon me geheel voldoen. Degene,
waarbij ik het ten slotte gelaten heb, moet niet als uitsluitend worden
opgevat. Onder welke verdeeling een verhaal werd opgenomen, besliste
telkens de hoofdstrekking alleen; zoodat men b.v. onder mythische
verhalen er ook wel zal aantreffen van eenigszins fabelachtigen
aard; enz.
Het eerste deel van dit werk bevat verhalen, die eene meer
letterkundige strekking vertoonen. Het zijn Fabels, Apologen, Komische
verhalen, Novellen. Het verschil tusschen Fabels en Apologen bestaat
hierin, dat de Apologen menschen en dieren te zamen laten optreden,
en dat ze duidelijker met een zedelijk doel geschreven zijn. Onder
de Komische verhalen heb ik bijeen gebracht de beste stukken, waarin
de humor der negers zich uit: die valt gewoonlijk ten laste van
«Heer Zot».
De rubriek «Novellen» mocht een toevluchtsoord schijnen voor alle
vertellingen waarmee ik niet heel goed over de baan kon. Toch meen ik,
dat de stukken, daaronder uitgegeven, wel dien naam mogen dragen.
Het tweede deel werd ingericht met een praktischer doel. Het bevat:
Mythische verhalen; verhalen namelijk die ons inlichten over de
opvatting van het Opperwezen en van de geestenwereld bij de negers;
Historische verhalen: die aan feiten uit de geschiedenis van hun
volksstam schijnen te herinneren; Didactische verhalen, waardoor
de ouders allerlei voorschriften bij hunne kinderen trachten aan
te leeren; eindelijk, verhalen over de geheele levenswijze in 't
dagelijksch verkeer onder de negers.
De vertaling, die ik aanbied, heb ik zoo letterlijk willen maken als
het mij eenigszins mogelijk was. Daartoe dwong mij de eerbied voor
eigen zelfstandigheid. Lijdt het Nederlandsch soms daaronder--al heb
ik er naar getracht de taal zuiver en keurig te bewaren--hare waarde
voor de wetenschap zal des te grooter zijn. Allerminst heb ik mij
toevoegsels, of zoogenaamde verbeteringen veroorloofd.
Men neme ze dus zooals ze zijn: echt kongoleesche verhalen. Hun «goût
de terroir» zal ze misschien des te smakelijker maken.