De Siegfriedsage

Siegmond, uit het Welsingen-geslacht, was koning in Frankenland,

en hij had een zoon, die Binder heette. Borghilde, de vrouw van

Siegmond, had een broeder en diens naam was Goenther. Binder en

Goenther beminden echter dezelfde vrouw, en daarom sloeg Binder hem

dood. Toen Binder thuis kwam beval Borghilde hem weer heen te gaan,

want hij was haar stiefzoon. Siegmond echter bood haar genoegdoening

aan in geld, en hiermede was zij tevreden.

Bij het doodsmaal echter, dat aangericht werd, reikte Borghilde den

drank rond. Zij nam een grooten hoorn vol gift en bracht deze aan

Binder. Toen Binder echter in den hoorn zag, bemerkte hij dat er gift

in was, en hij zeide tot Siegmond:

--"Bah, die drank is troebel."

Siegmond nam den hoorn en dronk hem leeg. Want Siegmond was

gevrijwaard tegen de werking van gift, zoowel inwendig als

uitwendig. Zijn zonen echter konden vergift slechts uitwendig, aan

de huid verdragen. Borghilde bracht nu een nieuwen hoorn en verzocht

Binder te drinken. En het geschiedde evenals eerst. Ten derde male

bracht zij hem een hoorn, en bedreigde hem wanneer hij niet drinken

wilde. Binder echter sprak tot Siegmond:

--"Bah, die drank is troebel."

Siegmond antwoordde hem:

--"Laat uw baard eens proeven."

Toen dronk Binder en was weldra dood. Siegmond nam hem op en droeg hem

in zijn armen heel ver weg, totdat hij aan een ondiepe, smalle zeeëngte

kwam. Daar lag een klein schip aan den oever, en op het schip stond

een man. Deze bood aan om Siegmond over de zeeëngte te brengen. Toen

Siegmond echter het lijk in het schip had gelegd was het schip geheel

geladen. De man zeide toen, dat Siegmond maar vooruit moest gaan,

en tegelijk stiet hij het schip van den oever en was spoedig verdwenen.

Die man nu was Wodan, Doodengod.

Siegmond verstootte Borghilde, verliet het land, dat Denenland heette

en waar hij lang geweest was, en ging zuidwaarts naar een rijk, dat hij

in Frankenland bezat. Daar nam hij Jerdis tot vrouw, en zij kregen een

zoon, dien zij Siegfried noemden. Koning Siegmond viel in een gevecht

met de zonen van Honding, en Jerdis trouwde toen met Alf, den zoon

van koning Helperik. En bij dezen bracht Siegfried zijn jeugd door.

Siegmond en al zijn zonen waren mannen, die boven de anderen uitmuntten

door kracht en grootte en verstand en allerlei bekwaamheid. Siegfried

echter was de allervoortreffelijkste, en de oude sagen zeggen van hem,

dat hij verreweg de voornaamste van alle heirkoningen was.

Bij koning Helperik nu, waar Siegfried was, kwam zeer dikwijls een

zekere Regin, de zoon van Reidmar.

Deze Regin was zeer sluw en geslepen en ervaren in vele dingen, en zoo

klein van gestalte als een dwerg. Regin ging zeer veel met Siegfried

om en leerde hem allerlei kundigheden. Hij vertelde hem veel van zijn

voorouders, en verhaalde hem op zekeren dag ook, wat er gebeurde,

toen Wodan, Henir en Loge eens gekomen waren bij de beek van Andwari,

waarin zeer vele visschen zwommen.

Andwari was een dwerg, die de gestalte van een snoek had aangenomen,

en zijn voedsel in het water vond. Regin nu had twee broeders, van wie

de een Fafner heette en de andere Otter. Deze laatste ging dikwijls

in de beek van Andwari en zwom er als een otter rond.

Eens had Otter een zalm gevangen en zat met gesloten oogen aan den

oever om de visch op te eten. Loge, die juist met Wodan en Henir

aankwam, zag hem en wierp hem met een steen en doodde hem. De goden

waren zeer verheugd en trokken Otter de huid af. Toen gingen zij verder

en kwamen aan de woning van Reidmar. Zij vroegen hem gastvrijheid,

en toonden hem den buit, dien zij gemaakt hadden. Reidmar echter, en

zijn zonen Fafner en Regin, grepen hen vast, dreigden hen te dooden,

en eischten als losprijs voor hun leven, dat zij de geheele huid van

den otter met goud zouden vullen, en ook geheel met goud bedekken

zouden. Toen zonden de goden Loge uit om goud te halen. Deze ging naar

een watergodin en vroeg haar een net ter leen. Toen hij dit gekregen

had, ging hij naar de beek van Andwari en wierp het net uit om den

snoek te vangen. En de snoek zwom in het net.

Loge zeide tot de visch:

--"Welk schitterend vischje schiet daar zoo snel door den stroom

en is in mijn val geloopen? Kom, ik wil het goud wel eens zoeken,

dat zulk een helder licht in uw water verspreidt."

Andwari antwoordde hem:

--"Ik heet Andwari en ik ben de zoon van watergod Oïn. Lang geleden

noodzaakte mij het noodlot altijd in het water te leven."

Loge echter wist wel, dat Andwari een booze dwerg was, die het goud uit

het water had gestolen en het nu als een visch bewaakte. En hij zeide:

--"Zoo, zoo, Andwari. Maar als uw leven u lief is, moet gij mij eens

zeggen welke straf een sterveling krijgt, die liegt."

Andwari sprak:

--"Stervelingen worden in Hellestroom zwaar gestraft: hun valsche

gezegden sleepen deze gevolgen na zich."

Loge nu nam al het goud, dat Andwari bezat. Maar deze wilde een ring

achter houden. Loge echter nam hem ook deze af. Toen kroop de dwerg

onder een steen en zeide:

--"Vervloekt zij de schat. De broeder zal zijn broeder dooden,

en verderf zal komen over iederen held, wiens hand dien ring ooit

aanraakt."

Loge ging met het goud naar de goden, en dezen vulden er de huid van

Otter mede op, en legden er goud overheen om haar te bedekken. Nadat

dit geschied was, kwam Reidmar dichterbij en bemerkte, dat er nog een

haar van de lippen onbedekt was. Toen moest Wodan ook den Andwari-ring

van den vinger nemen om het haar te bedekken.

Loge zeide tot Reidmar:

"Nu behoort u al het goud, en het is een groote losprijs voor ons

leven. Maar het zal u en uw zonen geen zegen verschaffen;--den dood

zal het u beiden brengen."

Reidmar antwoordde hem:

--"Niet als een gunst hebt gij dit goud gegeven, maar als

betaling. Wist ik echter, dat gij het wildet vervloeken, dan hadt

gij uw leven niet zoo gemakkelijk gered."

Loge echter zeide:

--"En meer onheilen weet ik. Maar de helden zijn nog niet geboren,

die om dit goud zullen strijden."

Reidmar sprak:

--"Ik ben van plan dit goud te behouden zoolang ik leef. En uw

vervloeking vrees ik niet. Ga nu maar heen."

Zoodra echter de goden waren heengegaan, eischten Rafner en Regin,

dat Reidmar ook hun een gedeelte van het goud zou geven. Maar Reidmar

zeide:

--"Neen."

Fafner echter nam een zwaard en bracht zijn vader een vreeselijke

wonde toe, terwijl hij sliep. Toen riep Reidmar zijn dochters en zeide:

"Nu is het gedaan. Deze misdaad eischt groote..."

De oudste dochter antwoordde hem:

--"De misdaad van mijn broeder,--ach, de dood van mijn vader,--kan

een meisje dat wreken?"

Reidmar zeide tot haar:

--"Vrouw, als ge geen koningszoon kunt baren, baar dan een

meisje,--geef haar een man,--daar komt de dood,--hun zoon, misschien,

zal wraak..."

Toen Reidmar dit gezegd had, stierf hij, en Fafner nam al het goud

voor zich. Ook Regin eischte er een deel van op, maar Fafner zeide:

--"Neen."

Regin ging naar zijn zuster en vroeg haar, hoe hij in het bezit zou

komen van wat hem toebehoorde. Zijn zuster sprak tot hem:

--"Vraag uwen broeder vriendelijk uw deel te mogen ontvangen, en zeg

hem, dat hij zich beter moet gedragen. Het past u niet met getrokken

zwaard het goud van Fafner op te eischen."

Dit en vele andere verhalen vertelde Regin aan Siegfried, als hij

bij hem kwam.

Op zekeren dag, dat Siegfried,--zooals hij dikwijls deed--was uitgegaan

om in het woud wilde dieren te jagen, kwam hij bij het huis van Regin,

dat midden in het bosch lag, en werd er gastvrij ontvangen.

Regin had nog niets gekregen van al het goud, dat Fafner bij den dood

van zijn vader medegenomen had, en hij zinde nog steeds op middelen

om zijn deel machtig te worden.

Siegfried nu kwam bij Regin en bleef bij hem wonen. Regin vertelde

hem, dat Fafner de gedaante van een draak had aangenomen en in een

hol op Gnitaheide lag. Daar had hij zich den schrikhelm op het hoofd

gezet, die alle levende wezens vervulde van angst, en beschermde zoo

zijn schatten.

Regin smeedde voor Siegfried een zwaard, dat Gram heette. Dit zwaard

was zoo scherp, dat, wanneer men het in den Rijn stak en een vlok wol

in den stroom wierp, de vlok, zoowel als het water, in tweeën gesneden

werd. Met dit zwaard sloeg Siegfried ook Regins aanbeeld doormidden.

Dwerg Regin wist, dat Siegfried een geweldige held was en daarom

spoorde hij hem aan Fafner te bevechten. Siegfried echter wilde dat

niet doen, en zeide tot Regin:

--"Wat zouden de Hondingen lachen, die mijn vader hebben gedood,

wanneer ik, de held, eerder werd gedreven om goud te bemachtigen,

dan om mijn vader te wreken."

Toen ging Siegfried naar koning Helperik en verkreeg een groote menigte

schepen en heel veel krijgsvolk om zijn vader te wreken. Zij voeren

uit, maar op zee overviel hen een hevige storm, en zij werden naar

een rotsachtig land gedreven. Boven op de rotsen stond een man, die

slechts één oog had en wiens haren woeien in den wind. De man zeide:

--"Wie rijdt daar op waterrossen over de hooge golven heen? Gij zult

tegen den storm niet bestand zijn."

Regin nu was met Siegfried uitgevaren en hij sprak tot den man:

--"Wij zijn hier met Siegfried en worden door den storm in den dood

gedreven. De branding bruist over de boorden der schepen,--onze

waterrossen vallen neer. Wie vraagt dat?"

De man, die Wodan was, antwoordde:

--"Men noemt mij Waterloeier. En in iederen strijd geef ik den raven

te eten. Noem den man op de bergen maar Gavengever of Veelgedaante. Ik

zal u een gunstige vaart verleenen."

Zij voeren dan naar den oever en namen den man aan boord. Toen bedaarde

de storm. Siegfried zeide tot den man:

--"Waterloeier, zeg mij, want gij weet alles, wat is bij goden en

menschen een teeken van geluk? Welk teeken voorspelt de overwinning,

wanneer men ten strijde trekt?"

Waterloeier-Wodan antwoordde en sprak:

--"Vele teekenen voorspellen overwinning, als de menschen ze maar

kenden. Een ieder, die wapenen draagt, mag veel vertrouwen hebben,

wanneer hij door zwarte raven nagevlogen wordt. Als gij uitgaat voor

een verren tocht en gij ontmoet op uwen weg twee roemverlangende

helden, is ook dit een gunstig teeken. Een derde teeken is dit: gij

hoort in een esscheboschje wilde wolven huilen, en zie!--zij rennen

voor u uit; dan is uw zegepraal over helden zeker. Bij den laten

schijn van de zinkende zon zal nooit iemand den strijd aanbinden, want

slechts hij, die ziet, zal overwinnen. Aan een groot gevaar zoudt

gij u blootstellen zoodra gij uitglijdt, wanneer gij ten strijde

trekt; dan zijt gij van booze geesten omringd, die verlangen, dat

gij gewond wordt. Wie verstandig is verzorgt zich echter goed: hij

kamt en wascht zich en neemt een maaltijd 's morgens, want waar hij

's avonds is kan niemand weten: ook zonder voorteekens kan men vallen."

Daarna ontstond er een groote strijd tegen de Hondingen. Onkruid, een

der zonen van Honding, en drie van zijn broeders vielen in dat gevecht.

Na den strijd sprak Regin:

--"Wat heeft Siegfried de vijanden van zijn vader vinnig in het vleesch

gebeten! Daar is geen held zoo geweldig als hij, geen, die den grond

ooit feller rood heeft geverfd, en grooter vreugde aan de raven gaf!"

Toen Siegfried weer in zijn land was teruggekeerd, spoorde Regin hem

opnieuw aan Fafner te bevechten.

Siegfried en Regin gingen dan naar Gnitaheide, en Siegfried reed op

zijn paard, dat Grani heette. Zij vonden het spoor van Fafner daar,

waar deze gewoonlijk naar het water kroop. Siegfried groef er een

grooten kuil, en daalde daarin af.

Toen de draak uit zijn hol kwam en giftigwalmend vuur uitbraakte,

dat boven op het hoofd van Siegfried viel, verschool Regin zich in een

boschje, dat daar dichtbij was. Siegfried echter wachtte den draak af,

en toen deze over den kuil heenkroop, stiet hij hem het zwaard in het

hart. Fafner kromde zich en sloeg heftig met zijn staart. Siegfried

sprong uit den kuil, en nu zagen zij elkander. Toen sprak de draak:

--"O held, jonge held, welke sterveling gaf u het leven, uit welken

stam kwaamt gij voort? Gij hebt uw zwaard in Fafners bloed geverfd,

uw staal steekt in mijn hart."

Siegfried echter wilde zijn naam niet noemen. Want de menschen

uit die dagen meenden, dat er groote macht uitging van het woord

eens stervende, wanneer deze zijn vijand met name vervloekte. En

Siegfried zeide:

--"Wonderkind heet ik, en ik ben geheel anders als andere menschen. Ik

heb geen vader en ik heb geen moeder, en ik ben altijd alleen met

mijzelf."

Fafner antwoordde, dat hij dan wel door een wonder moest geboren

zijn, wanneer hij, zooals toch alle andere stervelingen, geen vader

had. Toen lachte Siegfried en zeide:--"Dom gedrocht, dat niet eens

weet wie ik ben en uit welken stam gesproten! Siegfried heet ik,

ik ben Siegmonds zoon. Weet gij nu wiens wapen u doodde?"

En Fafner zeide:

--"Koene knaap met de schitterende oogen,--een verheven geslacht

bracht u dan voort. Maar wie haalde u over mijn leven te belagen,

en waarom liet gij u overhalen?"

Siegfried antwoordde den draak:

--"Mij haalde over mijn moedige hart, en mijn hand werd door mijn

scherpe zwaard geholpen. Iemand, die van jongs af laf is geweest,

komt er niet toe te gaan strijden."

Toen sprak Fafner:

--"Wees niet overmoedig, held, want ook de Nornen weven het net van

uw noodlot. Wees gewaarschuwd en laat af van mijn glinsterende goud

en mijn gloedroode ringen, want eenmaal zullen zij u dooden."

Siegfried echter spotte met dien raad en zeide, dat hij toch al het

goud uit het hol zou halen. Toen antwoordde de draak:

--"Ik droeg den schrikhelm op het hoofd en weerstond de heele

wereld. Ik meende, dat ik allen meester was en dat geen vijand

mij durfde belagen. Gloeiend gif braakte ik uit, als ik lag op

mijn glinsterende leger, waar ik het goud van mijn vader Reidmar

bewaarde. Regin echter heeft mij verraden,--Regin verraadt ook u,

ons beiden brengt hij den dood."

Nadat Fafner dit gezegd had, stierf hij. Siegfried veegde het bloed

van zijn zwaard, en Regin kwam uit zijn schuilhoek te voorschijn. De

dwerg zeide:

--"Hei, Siegfried, heil! U is de zege, gij zijt van alle wereldbewoners

de eenige zonder vrees. Zingend reinigt gij uw zwaard aan de

struiken. Toch was het mijn broeder, dien gij ombracht,--ofschoon

niet geheel tegen mijn verlangen."

Regin ging naar Fafner, sneed hem met het zwaard, dat Vechtvlam

heette, het hart uit het lijf en dronk van het bloed, dat uit de wonde

vloeide. Daarna sprak hij tot Siegfried:--"Ik ga wat slapen,--braadt

gij dan ondertusschen Fafners hart. Wanneer ik wakker word zal ik

dat wildbraad eten."

Siegfried nam het hart van Fafner en braadde het aan een speer. Toen

hij dacht, dat het genoeg doorbraden was, en zag hoe het bloed er

overheen schuimde, raakte hij het met den vinger aan om te voelen

of het al gaar was. Hij brandde zich echter en stak den vinger in

den mond. Zoodra echter Fafners hartebloed de tong van Siegfried had

aangeraakt, verstond hij de taal van de vogels. Hij hoorde ze in de

boomen zingen en luisterde naar wat een zeide:

"Daar zit Siegfried nu met bloed bevlekt en braadt het hart van

Fafner. En daar ligt Regin en overlegt bij zichzelf, hoe hij den held

zal dooden. Siegfried moest dien dwerg het hoofd afhouwen, dan ware

hij zelf meester van Fafners schatten."

Een tweede vogel zong en zeide:

--"Ja, voorzichtig zou het zijn, wanneer hij uw raad opvolgde en

Regins lijk aan de raven gaf. Want mij dunkt het zeer onverstandig

een van de broeders vrij te laten, nu hij den ander doodde. Regin,

die aan verraad ligt te denken, is hem zeer vijandig: het ware dom

dien dwerg te sparen."

Niet lang daarna kwam Regin terug en vroeg of Fafners hart al gaar

was. Siegfried echter sloeg den dwerg het hoofd af, at zelf het

hart van Fafner op en dronk daarbij beider bloed, van Regin en van

Fafner. Toen zongen de vogels weer in de boomen en Siegfried luisterde

naar wat een zeide. De vogel zong:

--"Hei, Siegfried! Koningen kennen geen vrees. Neem uit het hol alle

roode ringen van Fafner en rijd over groene wegen naar Gibich's

land. De koning heeft er een mooie dochter, die met Siegfried

trouwen zal. Maar op Doodendierberg zie ik een burcht,--daar slaapt,

gedekt door een helm, een vrouw van wondervolle schoonheid, die

eens op gevleugelde rossen ten strijde reed. Machtige helden hebben

daar vloeiend vuur als een schrikaanjagende beschutting om haar

heengeslagen. Maar tegen der Nornen wil zal geen koningszoon haar

slaap verstoren."

Siegfried volgde het spoor van Fafner en reed naar het hol. Dit stond

open en de deuren en de stijlen waren van ijzer. Ook alle huisraad was

van ijzer en de goudschat lag onder den grond begraven. Siegfried vond

zooveel goud, dat hij er twee kisten mee vullen kon. Ook nam hij den

schrikhelm en het gouden pantser en het zwaard, dat Ruischer heette,

en vele kostbaarheden, en laadde alles op Grani, zijn paard. En Grani

wilde niet vooruitgaan vóór Siegfried zelf het op den rug was gestegen.

Toen reed Siegfried naar het Zuiden, en kwam in het land

der Gibichungen aan den Rijn. Hij sloot daar een verbond van

bloedbroederschap met de koningszonen Goenther en Hagen, en trouwde

met hun zuster Goedroen. Daarna reed hij met Goenther en Hagen en

vele mannen uit om Brunhilde te werven, die boven op een berg in een

burcht woonde, welke geheel met vuur was omgeven. En dit was geschied

toen Wodan haar straffen wilde. Want eens waren twee koningen met

elkander in strijd gewikkeld. De een heette Helmgoenther en deze was

reeds oud. Maar hij was een zeer dappere held, en Wodan had hem de

overwinning beloofd. De andere heette Agnar en was de broeder van

Hada en niemand wilde zich met hem inlaten. Zegebrengster nu beminde

Agnar, en zij stelde zich met hare acht zwanenzusters in dienst van

den koning. En zij waren Walkuren. Zegebrengster doodde Helmgoenther in

den strijd, en Wodan werd daarover zeer vertoornd. Hij doodde Agnar en

hij zeide aan Zegebrengster, dat zij niet meer de overwinning in den

strijd zou bevechten en dat zij slapen zou en dat zij moest trouwen

met den held, die haar wekte. Toen bad zij tot Wodan en zeide:

--"Ik zweer, dat ik slechts met den held zal trouwen, die de vrees

niet kent."

Daarop stak Wodan haar met den tooverdoorn in slaap, en legde haar

op den berg. En hij sloeg roode en gele vlammen als schilden om haar

heen, en hij zeide, dat zij slechts gewekt zou worden door den held,

die de vrees niet kende.

Toen Siegfried en Goenther en Hagen dan bij den berg aangekomen waren,

waarop Brunhilde was, zagen zij een burcht met een gouden dak, en vuur

brandde er rondom, en boven op den burcht stond een standaard. Goenther

reed op het paard, dat Goti heette, en Hagen reed op Holkvir. Goenther

gaf zijn paard de sporen, en dreef het tegen het vuur in. Maar het

paard week schichtig terug. Toen zeide Siegfried:

--"Waarom wijkt gij terug, Goenther?"

Deze antwoordde:

--"Mijn hengst wil niet tegen het vuur in springen."

Goenther verzocht aan Siegfried hem Grani te geven.

Siegfried sprak tot hem:

--"Die kunt gij krijgen."

Goenther reed opnieuw tot het vuur, maar Grani wilde niet verder

gaan. Goenther kon niet door het vuur heen rijden. Daarop verwisselden

Siegfried en Goenther van gedaante. Siegfried steeg op zijn paard, nam

zijn zwaard Gram in de hand en bond zich gouden sporen aan de voeten.

Hevig begon het vuur te loeien, en de aarde beefde. Hoog tegen den

hemel laaiden de vlammen op, en weinig helden zouden het wagen daar

tegen in te rijden. Siegfried echter gaf Grani een wenk met het zwaard,

als bliksems schitterden de teugels, die Regin eens bezeten had,

en Siegfried reed door het vuur.

Toen hij door het vuur gereden was en dichterbij was gekomen, zag

hij een schildburcht, en hij ging er binnen en hij zag een man,

die in volle wapenrusting lag en sliep. Siegfried nam hem den helm

van het hoofd en zag dat het eene vrouw was. Haar pantser was zoo

stevig, alsof het was vastgegroeid. Siegfried sneed het open met

zijn zwaard Gram, van den hals naar beneden en langs de beide armen

en trok haar het pantser uit. En zij ontwaakte en richtte zich op,

en zij zag Siegfried en zeide:

--"Wie doorsneed mijn pantser, wie verbrak mijn slaap, wie verscheurde

mijn tooverboeien?"

Siegfried-Goenther antwoordde haar:

--"Ik ben Goenther, de zoon van Gibich, en gij zijt bestemd om mijn

vrouw te worden, want ik reed door het vuur."

Toen zeide Brunhilde:

--"Lang heb ik geslapen, zoolang als menschen lijden. Dat wilde Wodan,

en ik kon mijn tooverslaap niet verbreken."

Siegfried zette zich naast haar neder en vroeg haar naam. En zij zeide:

--"Gegroet gij dag, gij allen, lichtewezens. Gegroet gij nacht en

aarde, dochter van nacht. Zie op ons neer met goedgunstige oogen,

en verhoor onze beden om geluk. Gegroet gij Asen en Asinnen, allen,

gegroet gij aarde, die ons voedt. Geef ons kennis en wijsheid en

altijd wel-doende handen."

Brunhilde noemde zich Zegebrengster en zij was Walkure, en wie haar

op het slagveld leerden kennen noemden haar Helmhilde. Zij verhaalde

aan Siegfried-Goenther, waarom Wodan haar op den berg in slaap had

gebracht, en toen zij dit verhaald had, zeide de held tot haar:

--"Menige heldendaad hebt gij volbracht. Denk nu aan uw belofte,

dat gij zoudt medegaan met den held, die door het vuur zou rijden."

Hij stond recht-op en hij steunde op de greep van zijn

zwaard. Brunhilde echter zat op haar zetel, zooals een zwaan op een

golf zit, en zij hield een zwaard in de hand. Toen zij de woorden van

Siegfried-Goenther hoorde, zag zij in, dat dit een herkenningsteeken

was, en zij stond op en groette hem vriendelijk en leerde hem zeer

veel wijsheid.

Hij bleef drie nachten bij haar, en zij bestegen hetzelfde

bed. Siegfried echter trok het zwaard Gram uit de scheede en legde

het scherpe staal tusschen hen beiden in.

En hij kuste haar niet, en nam haar niet in zijn armen, en hij lag

naast haar, zooals een kind naast moeder ligt.

Brunhilde sprak tot hem:

--"Goenther, wat moet dat beteekenen?"

Siegfried-Goenther antwoordde haar:

--"Er is bepaald, dat ik aldus mijn bruiloft zal vieren, of anders

sterven zal."

Toen nam hij een ring van haar aan, en gaf haar een ring, dien Fafner

had bezeten. En hij reed terug door het vuur naar Goenther, en toen

hij bij hem gekomen was verwisselde hij met hem van gedaante. Daarna

reden zij weder naar het land van koning Gibich en Brunhilde werd er

de vrouw van Goenther.

Op zekeren dag gingen Goedroen en Brunhilde naar de rivier om te

baden. Brunhilde nu waagde zich het verste in den stroom. Toen vroeg

Goedroen haar wat dat beduiden moest. Brunhilde antwoordde:

--"Waarom zou ik mij hierin wel aan u gelijk stellen en in al het

andere niet? Mij dunkt, dat mijn vader veel machtiger was dan de

uwe, en dat mijn man zeer veel heldendaden deed, en door het vuur is

gereden. Uw man echter was knecht bij koning Helperik."

Goedroen was zeer vertoornd en zeide:

--"Gij zoudt wijzer doen te zwijgen, dan mijn man te beleedigen. Iedere

man meent, dat niemand op de wereld zoo voortreffelijk is als

hij,--maar u past het niet mijn man te beleedigen, want hij is uw

eerste echtgenoot, en hij doodde Fafner en reed door het vuur, waar

gij dacht koning Goenther te zien. En hij lag naast u op uw bed en hij

nam u een ring van den vinger en dien ring kunt gij hier herkennen."

Brunhilde zag den ring, dien Goedroen aan de hand droeg, en zij

herkende hem. Toen verbleekte zij alsof zij dood was, en ging heen

en zeide heel den avond geen woord meer, en zij zat buiten.

Daar klaagde zij:

--"Ik wil Siegfried, het heldenkind, in de armen hebben,--of anders

wil ik dood. Goedroen behoort aan hem en ik ben van Goenther. Een

booze Norn schiep die eeuwige ellende."

Toen Goedroen met Siegfried ter ruste was gegaan en deze zijn mooie

vrouw omhelsde, ging Brunhilde vol gramschap in de duisternis van

den avond op de windkoele bergen. En zij sprak in zichzelf:

--"Zonder vreugde dwaal ik rond, en als ik vermoeid ben moet ik zonder

vrienden rusten."

Goenther ging uit om haar te zoeken, en toen hij haar gevonden had

vroeg hij haar, welke droefheid haar drukte, en of hij haar ook

helpen kon.

Brunhilde zeide tot hem:

--"Goenther, mij en mijn land zult gij weldra verliezen. Ik vind

hier geen vreugde meer, ik wil wederkeeren waar ik vroeger was, naar

mijn verwanten en stamgenooten. Daar wil ik verblijven en mijn leven

verslapen,--als gij Siegfried niet doodt en u zelf verheft tot heer

over allen."

Goenther antwoordde haar:

--"Denkt gij aan moord, Brunhilde, denkt gij aan zulke daden? Zeg

mij wat Siegfried u misdeed, dat gij zijn hartebloed wilt vergieten."

Brunhilde sprak tot hem:

--"Siegfried heeft mij trouw gezworen en zijn belofte gebroken, toen

hij alle eeden beschermen moest. En u bedroog Siegfried ook. Want hij

heeft eens in mijn bed gelegen, en ik wil niet twee mannen hebben in

hetzelfde huis en het zal Siegfried den dood kosten, of u, of mij, want

hij heeft alles aan Goedroen gezegd, en zij heeft het mij verweten."

De koning ging met gebogen hoofd rond, en hij wist niet wat hij doen

moest. Hij wist niet of hij moest kiezen tusschen datgene, wat de

eer van hem vroeg, of datgene wat hem voordeel kon brengen. Moest

hij zich van Siegfried ontdoen, wetende wat hij in den Welsing

zou verliezen? Maar het ware ook niet gelukkig als zijn vrouw zijn

vorstenzaal zou verlaten. Goenther overlegde zeer lang bij zichzelf

en riep tenslotte zijn vertrouwden Hagen en vroeg hem om raad. Hagen

zeide tot hem:

--"Het past ons niet om eenmaal gedane beloften van trouw met het

zwaard te verbreken. En er zijn geen gelukkiger menschen, zoolang

wij over het volk regeeren en Siegfried bij ons is. En als wij nog

meerdere kinderen kregen, zou er geen machtiger geslacht op de wereld

leven: dan waren wij zelfs tegen de goden opgewassen. Brunhilde heeft

u uit haat opgezet om onheil te bewerken. Zij misgunt aan Goedroen

haar gelukkig huwelijk en wil daarom ook uw geluk verstoren."

Goenther echter wilde liever zijn leven dan Brunhilde verliezen, die

hij het meeste van allen beminde. En hij besloot zijn eer te wreken

en Siegfried te dooden.

Toen zeiden zij onder elkander:

--"Laten wij Gottorm aansporen tot den moord. Onze jongste

broeder heeft weinig verstand en hij was niet bij ons, toen wij

bloedbroederschap sloten met Siegfried."

Den volgenden dag braadden eenigen van hen wolvenvleesch, en anderen

stukken van slangen, en zij gaven Gottorm dien kost te eten, vóór

zij het waagden den held het leven te belagen.

Toen gingen zij op de jacht en Siegfried doodde vele dieren. Terwijl

zij rustten bij een bron en Siegfried in het gras lag, kwam Gottorm

tot hem en doorstak hem met een speer. Doodelijk gewond verhief zich

de held en slingerde zijn schild naar Gottorm, die neerviel en dood

was. Toen zeide Siegfried:

--"Ik weet wel hoe dit gebeurd is: Brunhilde draagt van alles de

schuld. Van alle mannen hield zij van mij het meeste, maar tegen

Goenther misdeed ik nooit. Ik heb mijn heilige eeden gehouden, al

noemt men mij ook den man van zijn vrouw."

Toen stierf Siegfried. En een raaf in de boomen riep tot een andere

raaf:

--"In Goenther's mannen zal Atli zijn zwaarden verven en op die

wreedaards hun beloftebreuk wreken."

En Goenther hoorde die woorden.

Buiten voor den burcht stond Goedroen en verwachtte Siegfried van

de jacht. Uit het woud rende Grani, en Goedroen verschrok zeer, toen

zij het paard zag wederkeeren zonder Siegfried. Met vochtige wangen

ondervroeg zij het paard, doch Grani boog het hoofd: het wist wel,

dat Siegfried niet meer in leven was.

Daar stormden uit het bosch de paarden der moordenaren, tot bloedens

toe gestoken door de scherpe sporen en druipend van zweet, en kwamen

bij Goedroen.

Eerst stond zij in bangen twijfel vóór zij den koning vroeg, waarom

haar held niet medegekomen was. Toen sprak zij:

--"Waar is Siegfried gebleven, dat al mijn vrienden vooruit gereden

zijn?" De koning nu boog het hoofd en zweeg. Hagen echter zeide

tot haar:

--"Aan de overzijde van den stroom ligt iemand, die Gottorm doodde en

als maal aan de wolven gaf. Daar in het Zuiden kunt gij Siegfried

vinden, gij kunt er het vroolijke geschreeuw hooren van raven

en arenden en wolven rondom het lijk van uw geliefde. Wij hebben

Siegfried met het zwaard gedood, en zijn grauwe hengst zal altijd

het hoofd laten hangen om den dooden vorst."

Goedroen gaf een luiden gil en sloeg de handen in elkaar, dat de bekers

langs de wanden beefden en de ganzen in den hof antwoord gaven. En

toen Brunhilde dezen jammergil hoorde, lachtte zij van ganscher harte.

Goedroen sprak tot Hagen:

--"Hagen, hoe kunt gij mij zoo het onheil melden, dat aan al mijn

vreugde een einde maakt? O, rukten de raven u het hart uit het lijf,

scheurden zij het verder van u weg, dan de wereld groot is."

Hagen sprak tot haar:

--"Goedroen, het zou u nog grooter onheil berokkenen, als de raven

mij het hart uit het lijf rukten."

Toen zeide Goedroen:

--"Zoo verheven was Siegfried boven Gibichs zonen, als een boom boven

het gras, als een volwassen hert onder kleinwild, als gloeiend goud

tusschen het grauwe zilver. Broeders misgunden mij zulk een vriend,

die alle anderen overtrof. Zij konden niet slapen, niet strijden van

nijd, vóór Siegfried gedood was."

Toen kwamen er mannen, die droegen Siegfrieds lijk. Zij droegen het

op goudomrande schilden en brachten het in Goedroens zaal.

Des avonds zaten de koningszonen bij elkander, en dronken veel en

voerden vroolijke gesprekken. En Brunhilde was bij hen.

In haar zaal echter zat Goedroen bij Siegfrieds lijk. Zij weende niet

en sloeg niet de handen in elkaar en weeklaagde niet zooals andere

vrouwen. Zij waakte bij Siegfried en was vol van smart. Wanneer

er wolven op haar aangevlogen waren en vlammen om haar heengeslagen

waren,--wolven en vlammen zouden haar liever zijn geweest. Zij zat bij

Siegfrieds lijk en wilde wel sterven, en zij was zoo vol gramschap,

dat zij opvliegen wilde,--maar weenen kon Goedroen niet.

Naast Goedroen zaten de allerhoogste edelvrouwen, en een ieder sprak

over het leed, dat zij ooit hadden beleefd.

De eene zeide:

--"Ik ben wel de ongelukkigste onder de menschen, want in Zuidland

roofde mij de strijd zeven zonen en hun vader weg. Met mijn vader

en moeder en vier van mijn broeders speelde de storm een spel

op de golven,--het schip sloeg aan stukken en ik was getuige van

aller ondergang. Dat alles trof mij in denzelfden zomer, en niemand

troostte mij."

Goedroen zat, vol gramschap om Siegfrieds dood en gedrukt onder het

leed, bij het lijk van haar geliefde,--maar weenen kon Goedroen niet.

Toen zeide een tweede van de vrouwen:

--"Ik heb nog veel feller leed te beklagen. Want als gevangene werd

ik door vijandelijke legers medegevoerd. In het vreemde land moest

ik een edelvrouw elken morgen met sieraden kleeden en haar schoeisel

binden. En zij plaagde mij, omdat zij mijn schoonheid benijdde,

en sloeg mij vaak met vele slagen."

Goedroen zat, vol gramschap om Siegfrieds dood en gedrukt onder het

leed, bij het lijk van haar geliefde,--maar weenen kon Goedroen niet.

Toen sprak Goudrand, de dochter van een koning:

--"Gij kunt een jonge vrouw het leed niet verzachten."

Goudrand sloeg het kleed terug, dat Siegfrieds lijk bedekte en legde

het hoofd op Goedroens knieën en zeide:

--"Zie, dat is uw geliefde. Omhels hem nu en kus zijn lippen, alsof

de koning nog in leven was."

Goedroen zag op en aanschouwde het hoofd van haar man, dat met bloed

was bedekt, en zijn lichtende oogen, die waren gebroken en zijn borst,

die door het sterke staal doorstooten was.

Toen zonk zij neer in de kussens, haar haren vielen los om haar heen en

haar wangen kleurden. En Goedroen weende. Een regen van tranen stroomde

in haar schoot en de ganzen in den hof gaven antwoord op haar klachten.

En Goedroen zeide:

--"Zoo hoog stond Siegfried boven Gibichs zonen als een boom boven

het gras, en als een edelsteen in een hoofdband gevlochten schitterde

hij boven de edelen. Ook mij achtten de volgelingen van den held

hooger dan de Walkuren van Wodan. Nu ben ik jammerlijk neergeworpen

aan Siegfrieds lijk, zooals het loover wordt neergeworpen door den

storm. Altijd zal ik in onvervuld verlangen leven,--dat is de misdaad

van de Gibichungen, die hun zuster zulk een smart aandeden. Gij,

Goenther, zult nooit van het goud genieten, uw ringen zullen u het

leven rooven, zooals gij Siegfried deedt na verbreking van al uw

beloften. Dan zal de vreugde in dit vorstenhuis niet zoo groot zijn,

als eens, toen mijn Siegfried Grani het zadel oplegde en met u uitreed

om Brunhilde,--vervloekt zij die vrouw!--te werven."

Bij den ingang van de zaal stond Brunhilde en omklemde den

deurstijl. Haar oogen gloeiden en zij knarste op de tanden, toen zij

de wonden van Siegfried zag. En zij zeide:

--"Nooit zal ik dien aanblik vergeten. Van al die smarten draagt het

goud de schuld, waarvan ik den gloed gezien heb rondom den bezitter

van den drakenschat. Wel moet ik dien rit nu rijkelijk boeten."

Toen ging Brunhilde naar het nachtvertrek van Goenther. Goenther echter

was wakker,--hij woelde met de voeten en hij dacht aan de woorden,

die een raaf in de boomen riep tot een andere raaf, toen Siegfried

gedood was.

Den volgenden morgen ontwaakte Brunhilde zeer vroeg en zij zeide

tot Goenther:

--"Ik zal u het leed verhalen dat gebeuren gaat, al houdt gij mij ook

tegen. Verschrikkelijke dingen, Goenther, zag ik in mijn slaap; allen

in de zaal waren gestorven en ik lag in het graf. Maar gij, o koning,

waart in boeien geslagen en vreugdeloos werdt gij naar het vijandelijke

leger gesleept. Heel het geslacht der Nevelingen gaat ten gronde,

omdat gij eeden verbreekt. Gij dacht er niet aan, Goenther, dat gij uw

bloed met het bloed van Siegfried tot een verbond hebt vermengd en gij

hebt het hem slecht beloond, dat hij de dapperste was van allen. Dat

toonde hij eens, toen hij uitgereden was om mij te werven, en hij de

belofte, die hij u deed, zoo trouw heeft gehouden. Want toen legde

de heerlijke held zijn schitterende zwaard tusschen ons beiden,--in

het vuur is het staal gehard en het is van binnen met gif doortrokken."

De mannen waren bij elkander gekomen en zij zwegen, toen zij deze

woorden hoorden. Zij begrepen de vrouw niet, die zoo droevig de daad

besprak, welke zij lachend had aangeraden. En Brunhilde zeide:

--"Goenther, reeds lang geleden hebt gij schuld op u geladen, toen ik

nog jong en zonder zorgen in den burcht van mijn broeder Atli was,

en er mijn groote schatten bewaarde. Gij kwaamt op hengsten naar

onzen berg gereden, maar geen van u begeerde ik als man. Wat had de

werving der Gibichungen voor waarde? Ik verlangde den held, die reed

op Grani's goudbeladen rug. Hoe hoog verheven gij u ook acht, niemand

is met hem te vergelijken. Maar Atli bedreigde mij in het geheim:

niets van wat mij toebehoorde zou ik behouden, geen goud en geen

land en niets van de sieraden, die mij als kind waren geschonken,

zoolang ik ongetrouwd zou zijn. En ik dacht, dat gij door het vuur

kwaamt gereden, dat gij deze heldendaad volbracht. Maar het goud van

Siegfried ware mij liever geweest, en hem beminde ik het meeste van

allen. Nu zal Atli, mijn broeder, alles verkrijgen, zoodra hij mijn

dood verneemt. Een vrouw is met mijn verloofde getrouwd, maar ik zal

voor dien smaad voldoening verkrijgen."

Toen ging Brunhilde heen en verdeelde al haar goud, zooals een

vrouw doet, die wil sterven. Goenther echter kwam tot haar en sloeg

zijn armen om haar hals, en allen trachtten haar tot kalmte te

bewegen. Goenther zeide tot Hagen:

--"Laat al onze mannen in de zaal te zamen komen, wij moeten trachten

de vrouw van den dood te weerhouden, want de nood is groot."

Hagen echter antwoordde hem:

--"Houd haar niet terug van dien langen tocht, en moge zij nooit

herboren worden! Haar moeder gaf haar het leven om leed te verduren,

en het geluk van veel mannen te verstoren."

Brunhilde zat in een gouden pantser gekleed, en zij overzag haar

dienstknechten en dienstmaagden, die met gouden halssnoeren en

prachtige sluiers en kostbare gewaden waren getooid en met haar

wilden sterven.

Toen bracht zij zich een doodelijke wonde toe, en zeide tot Goenther:

--"Zet u hier neder, en luister naar wat ik u zeggen zal. Uw bedrog

heeft mij tot den dood gedrongen, en mijn leven ging zonder vreugde

heen. Maar al ga ik nu weg uit de wereld,--uw schip is nog niet in

veilige haven. Goedroen zal zich spoedig verzoenen. Bij koning Alf

zal zij haar dooden man nog droevig gedenken, maar dan zal zij eene

dochter baren, die schitterender is dan de zonnestralen, en lichter

dan de dag: de blanke Zwaanhilde. Een man zult gij haar dan geven,

dat huwelijk zal velen leed berokkenen, en geen vreugde zal zij kennen

als Atli's vrouw. En gij zult Ortroen tot vrouw begeeren, en heimelijk

zult gij elkander beminnen, omdat Atli uw liefde niet wil. Zij zal

u beminnen, zooals ik het doen moest, aan ons werd dat geluk niet

gegund. Maar Atli zal zich wreed op u wreken, en gij wordt naar een

slangengraf gesleept. Spoedig zal ook Atli sterven, door de grimmige

Goedroen getroffen met het staal. Het ware beter geweest, als zij

haar eersten man in den dood was gevolgd,--maar haar geest gelijkt den

mijne niet. Wat ik u zeg, weet ik goed,--door mijn schuld zal zij het

leven niet verliezen--golven zullen haar dragen in Jonaker's land. En

onder zijn zonen zal zij er strijd doen ontbranden,--Zwaanhilde,

de dochter van Siegfried en van haar,--de nakomelingen van Siegfried

worden vernietigd--allen,--groot zal Goedroens droefheid zijn.

Goenther, ik zou u nog meer kunnen zeggen, gaf een God mij tot spreken

den tijd. Ik verwar mijn woorden,--mijn wonden gloeien,--ik zei u de

waarheid,--ik zal het achterlaten zooals ik zei."

Toen stierf Brunhilde.

En zij stapelden een hoogen brandstapel op voor Siegfried en

Brunhilde. En er was plaats voor allen, die kwamen om met hen te

sterven. Zij behingen den brandstapel met schilden en kleeden en

lijkwaden, en legden het lichaam van Siegfried daar boven op. Zij

plaatsten naast den duitschen koning Brunhildes dienaren, die gouden

kettingen droegen om den hals, twee dienaren aan zijn hoofd en twee aan

zijn voeten, en zij plaatsten er twee honden en twee havikken bij. En

dicht naast den held legden zij Brunhilde, en tusschen hen in legden

zij het scherpe zwaard, dat met ringen versierd was, en dat tusschen

hen in had gelegen, toen zij beiden hetzelfde bed bestegen en toen

men hen noemde man en vrouw. Vijf maagden volgden hen, en acht van

Brunhilde's dienaren, allen van edel geslacht, en die allen met haar

opgegroeid waren.

En toen staken zij den brand in de stapels.

Siegfried en Brunhilde's vaart uit de wereld was niet armoedig. Haar

lijkstoet volgde dien van Siegfried en de met ringen versierde poort

van de doodenzaal viel den held niet op de hielen. Zij gingen te

zamen naar binnen, Siegfried en Brunhilde. En Brunhilde zeide:

--"Lang nog zullen er mannen en vrouwen leven om te lijden. Maar

eeuwig zullen wij samen zijn, Siegfried en ik."

De Edda · 第 36 / 42 题