Wodan was eens uit Walhalla weggegaan om den verjongenden drank van
den lenteregen weer terug te halen, dien de Reuzen hem ontstolen
hadden en in den harden winterbodem hielden verborgen.
Lang reeds hadden de goden uitgekeken, of Wodan nog niet wederkeerde,
tot eindelijk een vogel hun heilige hallen binnenvloog. De vogel gaf
hun overvloedigen drank en de goden verheugden zich zeer. Want het was
Wodan zelf, die zoo tot hen teruggekomen was. Toen verhaalde hun Wodan:
--"Daar ben ik dan terug van den berg der Reuzen. Heel wat woorden
werden er gewisseld in de zaal van den ouden Drinker. Want zwijgen
zou in het geheel niet helpen. Doorbek, de slang, liet ik door den
berg knagen: zelf kroop ik toen door het gat. Ik dacht leven en
lijf te zullen verliezen, want boven en beneden was de berg van
Vratenholen vol.
Nooit zou ik ook uit het rijk van de Reuzen ontkomen zijn, als de
aardevrouw Strijdvreugde niet goed voor mij was geweest, en als zij
haar armen niet om mijn hals had geslagen.
Want wij zaten beiden op een gouden zetel, en zij gaf mij te drinken
haar kostelijken drank. Spoedig vloog de vogel Vergeten door de
zaal;--ook mijn verstand ging fladderen, en ik werd zoo licht als
een wolkenvogel. Toen heb ik heel het vat leeggedronken--dat was mijn
vergelding voor Strijd vreugde's gunst.
Zoo had ik vreugde bij het drinken. Zoo haalde ik de vreugde tegelijk
met den drank naar huis."