VIII.

Steeds uitgaande van de plekken gronds, die drooggelegd zijn, (hoe

natuurlijk toch!) wordt in korten tijd juist aan diegenen, die het eerst

geholpen moeten worden, eene betere gelegenheid geboden, om »bij zuinig

en oppassend zijn", inderdaad op den ouden dag gevrijwaard te blijven

voor kommer en gebrek!

Weldra komen gemengde gronden bloot, die zoowel voor bouw- als voor

weidegrond geschikt zijn.--Tenslotte komen de kleigronden bloot.

Nu behoeft niet meer een deel der jongelingsschap ons land te verlaten,

om te trachten elders eigen boer op eene boerderij te worden. Nu

behoeven zij, die weten, dat voor 't sluiten van een huwelijk meer

noodig is dan zeven el katoen en een paar kussens, niet bevreesd voor

stranding te zijn, als ze in 't huwelijksbootje stappen, want voor

alle rangen en standen, voor rijk en arm, groot en klein, schipper en

kruidenier, bestaat nu gelegenheid zich te vestigen, wetende, dat zij

eene goede broodwinning kunnen verkrijgen en behouden.

De Regeering verpachte slechts geen woning of grond aan den dronkaard,

maar 't liefst aan hem, wiens »dege degelijkheid" bleek bij het totstand

brengen van 't groote werk.

Betrekkelijk spoedig zal de gevestigde bevolking in den vorm van pacht

en belasting de Regeering steunen op financiëel gebied en dit zal den

beheerscher van 's lands schatkist een voorproef geven van wat wezen

zal, als de twaalfde provincie van Nederland gemaakt is tot wat ze

worden kan.

De heer U. beweert, dat zijn plan een zuiver nationaal karakter draagt

in tegenstelling met 't plan Lely, dat volgens hem in hoofdzaak alleen

ten goede komt aan de nakomelingen van den kleiboer.

Als onderwijzer gevoelt hij zeer goed het ongelijke van den strijd, dien

hij aanbond tegen den Minister-ingenieur. Tot heden maakte hij kennis

met slechts twee leden der Tweede Kamer, van wie hij eenigen steun

verwacht, maar hij, die meent te strijden voor heel het Nederlandsche

volk, vertrouwt, dat _alle_ vertegenwoordigers van dat volk er op zullen

aandringen, dat zijn plan onderzocht worde. Van bevoegde zijde werd hem

verzekerd, dat, na een onpartijdig onderzoek van hoogstens anderhalf

jaar kan uitgemaakt worden of zijn plan aanbeveling verdient. Welnu,

moeten we slechts zooveel langer wachten op den aanvang van 't grootsche

werk met de hoop, dat het pl. Lely door een beter plan vervangen wordt,

door een plan, dat geen aanvulling of correctie behoeft, dan is eene

tijdruimte van anderhalf jaar niet noemenswaard. In dien tijd van

onderzoek zal het moorden, branden en rooven in 't beschaafd Europa

mogelijk afgeloopen zijn en kan er weer menschenwerk verricht worden.

Indien Duitschland mocht zegevieren, dan zal 't plan U. stellig ook

zegevieren, daar dit rijk in 1913 kort en goed, o Nederlanders, besloot

zijne Waddeneil. met het vasteland te verbinden. Opzettelijk is een

schakel uit deze redeneering weggelaten, omdat de ontwerper nochtans

hoopt, dat onder het bestuur van onze geliefde Koningin zijn plan

verwezenlijkt moge worden.

* * * * *

Hij meende gerechtigd te zijn eenigszins critiek uit te oefenen

op het plan Lely en bestudeerde het IJselmeer. Daar de heer U. wil

trachten alle rivieren, uitloozende in de Zuiderzee, te kanaliseeren,

ten einde den watertoevoer te beperken en te beheerschen, en bovendien

een uitgebreid net van breede afvoerkanalen in de verschillende

poldergebieden krijgt, hoopt hij, dat zijn IJselmeer slechts klein zal

wezen, vergeleken bij dat in 't pl. Lely. Dit laatste toch zal zware,

hooge polderdijken moeten hebben, waardoor de polderlasten niet gering

kunnen blijven. Wegens zijn groote afmetingen zal het de vier polders

volkomen van elkaar gescheiden houden; de polders zullen aanhangsels

blijven van de aangrenzende provinciën en door de scheepvaart slechts

eenige verbinding verkrijgen, als het ijs die toelaat. Van een nieuwe

provincie kan bij dit plan geen sprake zijn.

Als de wind uit het N.W. woedt, zal het rivierwater niet in 't meer,

maar 't meerwater in de rivieren komen. De hoofdvorm van 't meer

bevordert dit ongelukkig verschijnsel. Komt de (heerschende) wind

uit het W., dan bestaat hiervoor eveneens gevaar en verdrinkt over

eene groote breedte al het land van Zwolle tot Meppel. Ook Friesland,

voorzooverre het water afvoert naar 't Z., zal bij dezen wind onmogelijk

water kunnen loozen. Daar de Minister de uitmonding van 't Zwarte Water

van Kraggenburg uit wenscht te verlengen tot ongeveer de zuidpunt van

Schokland, (en dat werk is lang geen peulschilletje), roept hij aldaar

een toestand in 't leven, die veroorzaakt, dat het westelijk deel van

Overijsel tot verre ten O. van Dalfsen van tijd tot tijd in een bare zee

verandert, of de Noordoostelijke polder verdrinkt.

De drooglegging der Zuiderzee. Het plan J. Ulehake contra het plan C. Lely · 第 11 / 13 题