Steeds uitgaande van de plekken gronds, die drooggelegd zijn, (hoe
natuurlijk toch!) wordt in korten tijd juist aan diegenen, die het eerst
geholpen moeten worden, eene betere gelegenheid geboden, om »bij zuinig
en oppassend zijn", inderdaad op den ouden dag gevrijwaard te blijven
voor kommer en gebrek!
Weldra komen gemengde gronden bloot, die zoowel voor bouw- als voor
weidegrond geschikt zijn.--Tenslotte komen de kleigronden bloot.
Nu behoeft niet meer een deel der jongelingsschap ons land te verlaten,
om te trachten elders eigen boer op eene boerderij te worden. Nu
behoeven zij, die weten, dat voor 't sluiten van een huwelijk meer
noodig is dan zeven el katoen en een paar kussens, niet bevreesd voor
stranding te zijn, als ze in 't huwelijksbootje stappen, want voor
alle rangen en standen, voor rijk en arm, groot en klein, schipper en
kruidenier, bestaat nu gelegenheid zich te vestigen, wetende, dat zij
eene goede broodwinning kunnen verkrijgen en behouden.
De Regeering verpachte slechts geen woning of grond aan den dronkaard,
maar 't liefst aan hem, wiens »dege degelijkheid" bleek bij het totstand
brengen van 't groote werk.
Betrekkelijk spoedig zal de gevestigde bevolking in den vorm van pacht
en belasting de Regeering steunen op financiëel gebied en dit zal den
beheerscher van 's lands schatkist een voorproef geven van wat wezen
zal, als de twaalfde provincie van Nederland gemaakt is tot wat ze
worden kan.
De heer U. beweert, dat zijn plan een zuiver nationaal karakter draagt
in tegenstelling met 't plan Lely, dat volgens hem in hoofdzaak alleen
ten goede komt aan de nakomelingen van den kleiboer.
Als onderwijzer gevoelt hij zeer goed het ongelijke van den strijd, dien
hij aanbond tegen den Minister-ingenieur. Tot heden maakte hij kennis
met slechts twee leden der Tweede Kamer, van wie hij eenigen steun
verwacht, maar hij, die meent te strijden voor heel het Nederlandsche
volk, vertrouwt, dat _alle_ vertegenwoordigers van dat volk er op zullen
aandringen, dat zijn plan onderzocht worde. Van bevoegde zijde werd hem
verzekerd, dat, na een onpartijdig onderzoek van hoogstens anderhalf
jaar kan uitgemaakt worden of zijn plan aanbeveling verdient. Welnu,
moeten we slechts zooveel langer wachten op den aanvang van 't grootsche
werk met de hoop, dat het pl. Lely door een beter plan vervangen wordt,
door een plan, dat geen aanvulling of correctie behoeft, dan is eene
tijdruimte van anderhalf jaar niet noemenswaard. In dien tijd van
onderzoek zal het moorden, branden en rooven in 't beschaafd Europa
mogelijk afgeloopen zijn en kan er weer menschenwerk verricht worden.
Indien Duitschland mocht zegevieren, dan zal 't plan U. stellig ook
zegevieren, daar dit rijk in 1913 kort en goed, o Nederlanders, besloot
zijne Waddeneil. met het vasteland te verbinden. Opzettelijk is een
schakel uit deze redeneering weggelaten, omdat de ontwerper nochtans
hoopt, dat onder het bestuur van onze geliefde Koningin zijn plan
verwezenlijkt moge worden.
* * * * *
Hij meende gerechtigd te zijn eenigszins critiek uit te oefenen
op het plan Lely en bestudeerde het IJselmeer. Daar de heer U. wil
trachten alle rivieren, uitloozende in de Zuiderzee, te kanaliseeren,
ten einde den watertoevoer te beperken en te beheerschen, en bovendien
een uitgebreid net van breede afvoerkanalen in de verschillende
poldergebieden krijgt, hoopt hij, dat zijn IJselmeer slechts klein zal
wezen, vergeleken bij dat in 't pl. Lely. Dit laatste toch zal zware,
hooge polderdijken moeten hebben, waardoor de polderlasten niet gering
kunnen blijven. Wegens zijn groote afmetingen zal het de vier polders
volkomen van elkaar gescheiden houden; de polders zullen aanhangsels
blijven van de aangrenzende provinciën en door de scheepvaart slechts
eenige verbinding verkrijgen, als het ijs die toelaat. Van een nieuwe
provincie kan bij dit plan geen sprake zijn.
Als de wind uit het N.W. woedt, zal het rivierwater niet in 't meer,
maar 't meerwater in de rivieren komen. De hoofdvorm van 't meer
bevordert dit ongelukkig verschijnsel. Komt de (heerschende) wind
uit het W., dan bestaat hiervoor eveneens gevaar en verdrinkt over
eene groote breedte al het land van Zwolle tot Meppel. Ook Friesland,
voorzooverre het water afvoert naar 't Z., zal bij dezen wind onmogelijk
water kunnen loozen. Daar de Minister de uitmonding van 't Zwarte Water
van Kraggenburg uit wenscht te verlengen tot ongeveer de zuidpunt van
Schokland, (en dat werk is lang geen peulschilletje), roept hij aldaar
een toestand in 't leven, die veroorzaakt, dat het westelijk deel van
Overijsel tot verre ten O. van Dalfsen van tijd tot tijd in een bare zee
verandert, of de Noordoostelijke polder verdrinkt.